De majoor Kartenglimp, zoo pas van de conferentie in de nieuwe
dokterswoning thuisgekomen, heeft zijn hoed met ruw geweld op een
canapé gesmeten en zich zelf in een voltaire geworpen. 't Ware
bedroevend geweest voor wie als getuige van zijn teleurstelling die
lang verkropte woede had moeten aanschouwen.--Driemalen dreunde de
tafel door een krachtigen slag van zijn vuist. De onzinnigste vloeken
en verwenschingen ratelden hem tusschen de tanden.
--Wees voorzichtig Kartenglimp; drift is nadeelig voor je gestel;
denk aan die laatste ziekte in 't voorjaar. Je bent nu sterk en flink;
en zoo iets zal niet terugkomen, maar hou je aan zijn raad. Maak je
niet zoo ontzettend driftig. Wees matig in alles.--Jawel.... hij zal
het in 't oog houden; 't is zaak! Maar, moest die oude dronkaard,
die dwarskop, die.... ploert-kapitein hem zóó beleedigen, zóó zijn
plannen, zijn zalige uitzichten dwarsboomen, ja, voorgoed verijdelen
misschien!--Zijn plannen verijdelen!?--Neen, dát nooit, dát in der
eeuwigheid niet!--Wat wil hij dan? Wát?--Ha! hij wil het menschdom
toonen dat de maatschappij de rechten van het individu verkort en
verkracht. Hij zal toonen dat de mensch zich niet beneden het dier
heeft te stellen, beneden den leeuw die _vrij_ is in zijn woud en
spelonk, en zijn prooi en zijn lust neemt waar hij die vindt. Hij wil
zich wreken op die maatschappij waar men hem _zijn_ vrijheid heeft
benomen, waar men hem gekerkerd houdt en als 't ware een dolk op de
borst zet. Zie toe brave Oostindische officieren, vervloekt moedig
eedgespan; wat Ronner-Kartenglimp niet instaat is op u te verhalen
dat zal hij zich _hier_ verschaffen: wraak op wie hem durft kwetsen,
vernederen en weerstaan.--Ja brave dokter Helmond, die wel voor een
muziekmeester maar niet voor _mij_ kondt terugkeeren, boeten zul-je;
ik zal je inwikkelen, inwikkelen, en met je schoone vrouw, totdat
ze, voor den duivel, in mijn armen zal toestemmen dat ik haar redder
werd!--En wat wil men nu? peinst Kartenglimp iets kalmer voort. Dien
adel, waarvoor ik mij sinds eenige weken zooveel dwaze moeite gaf,
zal zelfs zij.... dat heerlijke kind er nu van afzien, ter wille van
dien vader? --Onvoorzichtige Ronner! je hebt je te zeker gewaand van
haar zucht naar die glorie, gesteund door dat malle creatuur van een
moeder. Dien vader heb ik beschouwd als een onding, die zelfs in 't
oog der dochter geen stem had. Maar 't was buiten haar kinderliefde
gerekend. Dat overweldigde mij toch een oogenblik. Ja, dat was
schoon.... toen, toen dacht ik eensklaps aan de vrouw die mij leerde
als kind, en mij haar lessen gaf.... lieve onnoozele lessen! Toen,--nu
ja, ik voelde mij getroffen maar was een gek. Ik was.... Nee nee
Ronner, dat was je niet! Nee, 't zou groote dwaasheid geweest zijn
wanneer je dáár die hand niet hadt gegeven. Haar oog werd aanstonds
helderder; het vertrouwen keerde terug.... Waarachtig, ja, die blik,
toen ik mijn papieren zonder een woord te spreken opborg.... die
blik.... Zeker, de zucht naar die glorie is nog niet uitgedoofd. Ik
moet geduld hebben, mij stilhouden; de wensch zal weldra, door de
onzekerheid waarin men bleef te meer geprikkeld, weer levendig,
en bij weigering van mijn zijde al grooter en grooter worden.--Zou
ik dan ook tevergeefs zoo lang gezocht en gesnuffeld, en de oneffen
schakels voor die geslachtsketen zoo kunstig hebben aaneengesmeed?
Ja, Kartenglimp had zich veel moeite gegeven. Inderdaad was het hem
in den beginne niet onmogelijk voorgekomen dat de kapiteinsfamilie
nog kon afstammen van de oude graven Van Armeloo. De overeenkomst der
wapens had hem in den aanvang werkelijk getroffen, en, de tegenwerping
van den kapitein: dat hij bij zijn bevordering tot officier geen
wapen bezat maar zich er een graveeren liet, ze heeft hem het meest
waarschijnlijke antwoord doen geven, namelijk: dat de wapensnijder,
met het grafelijk wapen bekend, op het hooren van denzelfden
naam iets dergelijks doch wat eenvoudiger gemaakt heeft. Voor
het overige was alles misgeloopen. De vader en grootvader van den
kapitein waren boeren in het Hanoversche dorp Birchheim geweest,
maar van zijn overgrootvader heeft de majoor zelfs geen spoor kunnen
vinden. Evenmin was het hem gelukt om eenige zekerheid te verkrijgen,
aangaande een vermoeden als zou de genoemde jonge graaf Herbert,
zoon van den te Waechtel overleden graaf Van Armeloo, naar Hanover
zijn uitgeweken en zich daar als predikant hebben neergezet. Nergens
heeft hij elders den naam van den kapitein teruggevonden. Onder zijn
veelvuldige correspondentiën daarover, is hem echter mede een brief
van een predikant in Oldenburg geworden, die waarschijnlijk een _a_
voor een _u_ heeft gelezen en gemeld, dat er--zooals Kartenglimp
op de conferentie heeft meegedeeld--in de plaats zijner inwoning,
van 1707-1752, twee predikanten elkaar hebben opgevolgd die den naam
van Urmelo droegen. Deze vondst heeft Kartenglimp als een heerlijk
redmiddel aangegrepen. In des predikers slecht geschreven brieven met
Duitsche letters, waren de U's gemakkelijk wat te veranderen geweest,
en--mocht de familie al zelve aan dien prediker schrijven, men zou
zijn _Urmelo_'s misschien in gemoede voor _Armelo_'s houden.--Nu
kwam het er maar op aan om een authentiek bewijsstuk te verkrijgen,
dat zekere Hollandsche graaf Herbert Van Armeloo,--met verandering
van zijn naam in eenvoudig _Armelo_--van den heer eener heerlijkheid
zijn aanstelling als prediker ontving, en bovendien het bewijs, dat
de beide predikers Urmelo--die nu reeds zeker als de voorvaders van
den kapitein door Kartenglimp waren aangenomen--in een rechte lijn
afstamden van den Hollandschen uitgewekene, zooeven vermeld.--En die
bewijsstukken?--Haha!--Kartenglimp heeft immers zijn alvermogenden
zaakwaarnemer in dienst, zijn trouwen Ronner, haha! Maar diens papieren
houdt hij terug! hij houdt ze geheim--_geheim_, dát is zijn kracht.
--Maar als men dan bedrogen is? Welnu--haha!--dan is men bedrogen! Dan
is hij het mét hen; dan zijn ze maar altemaal bedrogen, voor den
duivel!
"Wat is er, wát?"
"Boeh! je kijkt weer zoo leelijk!" zegt de gemeenzame deerne die
vooral den majoor dient; en dan: "Daar is de krant."
"De krant? waar?"
"Hij staat op de trap."
"De krant op de trap!? Alle duivels, wat moet dat beteekenen? Ik
versta geen gekheid."
"Ojee! is het weer zóó laat. De krant: wel, Kippelaan met z'n
spillebeenen."
"Niet thuis!"
"Nee dat zie ik ook." Naar buiten roepend: "De majoor zeit dat ie
niet thuis is."
Kippelaan, overtuigd dat hij zoowel hier als overal steeds welkom moet
zijn, heeft het woordje _niet_ óf voor een aardigheid gehouden óf niet
verstaan, althans, langs de deerne heen struikelt hij de kamer binnen,
ziet naar den dorpel om, en dan met de tien tolken zijner vriendschap
vooruit op den majoor toeschietend, verheugt hij zich in zijn welstand;
vraagt hem naar zijn welvaren; verzekert hem van eigen welzijn;
deelt hem mede dat het uitmuntend weer is, dat de dagen al korten,
dat hij ware vriendschap gevoelt voor een man als de majoor, en....
"Heb je anders niets?" zegt Kartenglimp: "Ik had belet gegeven."
"Dat begrijp ik majoor; men kan niet altijd voor iedereen, niewaar,
natuurlijk! Daarom waardeer ik te meer uw vriendschap.--Nog niets
gehoord? O, van belang! van belang!"
"Wat meen je?"
"Fameus geval! De heele stad mee vervuld! tenminste.... enfin! Pas
gebeurd. Zeker nog niets van gehoord? Van _De Schebbelaar_? Van boer
Dirksen? Watblief?"
"Och jij met je praatjes; is er brand, laat ze 't blusschen."
"Brand? pardon! pardon!! _Dood_. Subiet. Onze vriend dokter
Helmond...."
"Wat, _wát_!?" schrikt Kartenglimp op: "Is _Helmond_ dood?"
Kippelaan stuift een paar schreden achteruit. Dat heeft hij niet
gezegd of bedoeld; en, Kartenglimp krijgt nu een ontzettend
verhaal--Kippelaansstijl--van het gebeurde in den avond; een
vermeerderde maar niet verbeterde uitgave van hetgeen reeds naar stad
was overgewaaid, namelijk: dat boer Dirksen, de geëerde en welvarende
boer van _De Schebbelaar_, aan zijn groot gezin en aan de maatschappij
was ontvallen, ten gevolge van een krampkoliek, die door zijn dokter
zóó weinig is geteld dat hij den man zonder hulp heeft gelaten.
"En die dokter was.... dokter Helmond?" vraagt Kartenglimp ten slotte,
terwijl hij met moeite den vreemden glimlach weerhoudt die hem soms
de baas wordt.
"Ja, jawel! 't Is mijn vriend, mijn intieme vriend Helmond; knap,
uitstekend knap man; beroemd; mijn neef de professor zei...."
"En had hij den kerel zonder naar hem om te zien maar zoo laten...."
"Om u te dienen.... jawel, om u te dienen....!"
--Om _hém_ te dienen!--Haha, lacht Kartenglimp, hahiha!
De goedhartige Hanna van _De Schebbelaar_ heeft Helmond--uit vrees
dat men hem, inweerwil van den gevallen avond en de huif die het
karretje overdekte, in een _ezelwagen_ zou zien--met een kleinen
omweg tot bij het oude huis aan den wal gereden. Daar wilde hij wezen
om Hanna aanstonds 't een en ander uit de apotheek voor het gezin te
kunnen meegeven.--Met het oog op deze noodzakelijkheid heeft Helmond
te eerder vrede gehad met Hanna's goedaardig inspannen, waartoe
haar door boer Dirksens plaatsvervanger hoogstwaarschijnlijk het
verlof zou zijn geweigerd. Nu immers heeft Hanna's rit voornamelijk,
zoo niet uitsluitend plaats gehad in 't belang der familie van den
overleden boer.
Van Hake haastte zich om in weinige minuten de fleschjes gereed
te hebben die Hanna mee terug zou nemen, en waarvan hij de
gebruiksaanwijzing vooral duidelijk moest opschrijven.
Terwijl het meisje nu met den arm op de toonbank geleund de
werkzaamheden van den provisor gadeslaat, verzuimt ze de gelegenheid
niet om de zaak van haar goeden dokter in het verschoonendste daglicht
te plaatsen, en brengt Van Hake daardoor tevens geheel op de hoogte van
'tgeen er gebeurde, ofschoon hij reeds eenigszins door dien tweeden
afgezant van _De Schebbelaar_ was ingelicht.
Hanna heeft thans met haar ezelkarretje, door de straten der stad den
terugtocht naar _De Schebbelaar_ aangenomen, en een traan komt haar
in de oogen nu zij de vreeselijk groote doos vol pepermuntjes beziet,
die de goeje dokter haar nog heeft opgedrongen en die ze nu--onder
't rijden--tegen 't verliezen waarborgt, door er haar neusdoek om te
winden en ze dan in den zak te steken.
De Romphuizers, voor zooveel ze nog op straat zijn of op de stoepbanken
hunner woningen den reeds korten zomeravond genieten, zien het karretje
van _De Schebbelaar_ na, en begrijpen niet wáár het vandaan komt,
dewijl niemand het straks zag voorbijkomen.
Op sommige plaatsen vormen zich groepjes, vooral onder de boomen op
de markt nabij het oud-burgemeestershuis; en, men wauwelt er over
het plotseling sterfgeval; hoe een mensch er gauw uit kan wezen,
en hoe--zooals menheer Kippelaan straks nog in 't voorbijgaan aan
den molenaar heeft gezegd--hoe het onvergeeflijk is dat een dokter,
die te veel geld heeft om te dokteren, tóch maar dokteren blijft.
En terwijl men dit alles beredeneert, en het daarbuiten oproer is
in veler gemoed, was het zeer kalm en rustig in het fraaie en groote
doktershuis. Men vernam er nog niets van 't geen er op _De Schebbelaar_
gebeurde.
Eva slaapt. Kalm en zacht slaapt ze op den lauwer dien haar kinderlijke
liefde haar vlocht; en ze droomt..... o zoo heerlijk van een feest,
een prachtig feest; en van vuurwerk en Bengaalsch licht.--En zie, uit
het schitterende licht trad een bevallige knaap met een kniebuiging
haar tegemoet;--'t was Siebel uit de Faust, de opera die men te
Parijs zag opvoeren--en op een rijk geborduurd kussen bood hij haar
een kroon aan, een grafelijke kroon met diamanten en parelen omzet.
't Was niet zoo geheel zonder aanleiding dat Eva van een feest
droomde. Even nadat Helmond naar _De Schebbelaar_ was gegaan, heeft
men aan mevrouw, ofschoon ze wat te bed lag, een briefje overhandigd,
terwijl een knecht op antwoord bleef wachten. Het adres: "Monsieur
et Madame Helmond-Armelo", heeft haar recht gegeven om het briefje
te openen. 't Was een uitnoodiging van mijnheer en mevrouw Debecque
om een feest te komen bijwonen 'twelk zij zich voorstelden te geven
op Woensdag den 5den September e. k. En, Eva heeft de uitnoodiging
maar aangenomen.
Minder feestelijk dan Eva in hare droomen, was Helmond gestemd.
Misschien heeft dat karretje, aan de hoofdpijn, die hij op _De
Schebbelaar_ het eerst gevoelde, geen goed gedaan, althans zij is er
niet beter op geworden, en, nu hij een oogenblik in mevrouw Van Hakes
huiskamer op de ouderwetsche doch gemakkelijke sofa zit, nu gevoelt
hij dat die rust hem goeddoet. Ja, 't een en ander had hem van streek
gebracht. O wat zou hij niet willen geven indien hij slechts een uur
vroeger bij Dirksen ware geweest, al had de afloop dan ook dezelfde
moeten zijn.
"Ja zeker Thom, dikwijls _moet_ men wel uren laten voorbijgaan eer
men een zieke bezoeken kan; maar nú, om een niets!"
"U hadt visite. De familie. Mij dunkt dus....."
"Jij bent een goeje kerel Thom; maar weet je waar mijn
"onverbiddelijke" zit? Niet? Hier, _hier_ zit ie; hier vanbinnen. Die
is crimineel."
"Ja maar dokterlief," zegt mevrouw Van Hake: "men moet zoo iets toch
niet te sterk trekken. Mijn trouwe man was de braafheid en ijver in
eigen persoon, maar bij een geval als dit zou hij het hoofd hebben
gebogen en gezegd: "Hier misgunde de dood den dokter zijn brood." Een
geval als met boer Dirksen behoort tot de zeldzaamheden."
Helmond knikte haar vriendelijk toe, maar antwoordde niet. Het glas
frambozenazijn, 't welk de goede vrouw hem intusschen gereedmaakte,
nam hij dankbaar aan, en dronk het met lange teugen, doch, starend
naar den grond en zonder inderdaad goed te proeven wát men hem ter
verfrissching geschonken had.
Thom met zijn volle liefde voor den braven meester, heeft Helmond een
wijle in stilte gadegeslagen, en oppert nu aarzelend het vermoeden
dat dokter door dien val toch meer van streek is dan hij bekennen wil.
Maar neen, waarlijk, de goede jongen moest daarvoor geen zorg hebben;
de pijn aan het been was al beter, en 't hoofd zou na een goeden
nacht, morgen wel heelemaal in orde zijn. Thom kon toch wel begrijpen,
dat de omstandigheid op zich zelve reeds genoeg was......
"Om u wat onplezierig te stemmen. Ja zeker," valt Thomas in:
"maar als u dan reeds aan die goede Hanna hebt kunnen zien hoe
een onbevooroordeeld mensch de zaak zal opnemen, dan moet u er
waarlijk niet zelf zoo'n gewicht aan hechten. Als mevrouw u zóó zag
thuiskomen...."
"Wat zeg je Thom, zie ik er uit dat mijn vrouw zal schrikken wanneer
ze mij ziet?"
"Wel heere nee!" vallen moeder en zoon schier gelijktijdig uit: "'t
is maar alleen als u zoo ernstig kijkt!" En mevrouw Van Hake, die
nu begrijpt dat men dokter maar liefst over geheel wat anders moet
spreken, laat er schier onmiddellijk op volgen: "Ik geloof dat Eva
toch bijzonder met het huis blijft ingenomen," en dan half lachend:
"beter dan met Bus als huisknecht."
Thomas die zijn moeder verstaat, valt nu mede half lachend in:
"Ja, Bus zei van avond, dat ie z'n eigen blind keek op z'n eigen als
ie zoo'n lichte jas aanhad, en dat ie, vooral met die jonge meiden,
er genoeg van kreeg."
Of moeder en zoon de rechte snaar niet hebben getroffen, althans
Helmond antwoordde ook nú niet; maar, eensklaps zich vermannend en
opziende alsof hem iets inviel, zegt hij:
"Thom, jij bent niet om je kwartaal gekomen; 't is waar, ik had het
je kunnen meebrengen, maar...."
Onwillekeurig hebben moeder en zoon elkander vluchtig aangezien. Thomas
kreeg een kleur. Ze hebben er niet om willen vragen; en toch....
"O, wat dat betreft dokter," zegt hij met eenige aarzeling: "dat zou
wel terechtkomen. We begrepen heel goed dat u met al die drukten van
verhuizen en allerlei, zoo iets gemakkelijk vergeten kondt."
"Natuurlijk," valt de weduwe in: "vooral ook omdat u hier niet meer
in huis woont. Ja zeker, men kan dat begrijpen."
Helmond die was opgestaan met het besluit om zich krachtig te toonen,
is onwillekeurig nogmaals in de oude sofa neergevallen, en, met het
hoofd in de hand geleund, zegt hij nu op een toon waardoor moeder en
zoon opnieuw tot het wisselen van een snellen blik worden gedwongen:
"Ja, ik heb wat veel aan het hoofd.--'t Liep wat druk in den laatsten
tijd."--Eensklaps opziende, met iets luchtigs in den toon alsof
hij bevreesd is dat men hem zekere zorgen zal toeschrijven; "Wat je
kwartaal betreft Thom, 't ligt klaar in mijn schrijftafel." En dan
weder opstaande: "Komaan, nu zal ik 't wijfje eens gaan opzoeken. Ze
had wat hoofdpijn van avond."
Met leedwezen vernemen Thom en zijn moeder dat mevrouw Helmond
ongesteld is. Maar gelukkig volgens dokter heeft het niet veel te
beteekenen. Ze had zelfs van middag nog prachtig gezongen: "Ja dat moet
u toch eens komen hooren mevrouw; 't klinkt heerlijk in onze groote
kamer. U zult zelve toestemmen dat Eva gelijk had toen ze _hier_
niet spelen of zingen wilde. 't Was hier te laag, veel te laag."
"Zeker, dat scheelt nog al," zegt mevrouw Van Hake: "maar anders,
och dokter, dit huis...."
Thom, die bij zijn moeders laatste woorden door allerlei gebaren
tevergeefs heeft getracht haar opmerkzaamheid tot zich te trekken,
valt nu haastig in:
"Moe wil zeggen dat de herinneringen haar dit huis zoo lief maken. Maar
moe begrijpt natuurlijk dat mevrouw.... niewaar moe....?"
"O ja Thom, jawel; wie zou dat niet begrijpen; voor een jonge vrouw
met zulk een talent en zooveel smaak! zeker, als men het _hebben_
en _doen kan_--dat weet dokter ook wel, dan...."
Thom, onzichtbaar voor Helmond, staat te schudden met het hoofd en
bijt zich fel in de lippen. Nee, _nee_! Moeder moest nu vooral niets
doen blijken. Och, hij weet wel dat ze zeggen moeten 'tgeen hun op
het hart ligt, maar niet dezen avond. Immers, Thom zweeg al zoo lang,
ofschoon het hem dikwijls strijd heeft gekost. Maar had hij dan ook
aan dien goeden meester de harde woorden van den pleegvader kunnen
overbrengen? 't Was al erg genoeg dat hij hem, na zijn bezoek op _De
Zonsberg_, heeft moeten zeggen dat de oude generaal wel wat verstoord
was over den koop van het oud-burgemeestershuis, en dat hij dokter
nu in geen geval meer ontvangen kon, aangezien hij morgen naar een
badplaats ging.--Thomas heeft gezwegen, want, moeder had immers mede
gezegd dat die oude man het wel wat _al_ te ver trok. Dokter mocht dan
wat erg toegeeflijk--ja soms wat zwak zijn ten opzichte van zijn jonge
vrouw, hij was toch zeker zoo onverstandig niet, meer te doen dan hij
verantwoorden kon.--Maar ach, in den laatsten tijd heeft men toch wel
eens gevreesd dat de trouwe vriend inderdaad meer deed dan.... Doch
stil, stil! nu geen woord. Ha! moeder heeft hem begrepen;--zij wenkt
het hem zijdelings toe. Nu zal men zwijgen, maar later spreken; ja,
want er moet een eind aan komen, in aller belang.
Helmond heeft den hoed opgezet.
--Nee, waarvoor zou Thom met hem meegaan? Dan zat bovendien zijn
moeder alleen.--Of hij duizelig is?--"Nee goeje vent," zegt Helmond
zoo vroolijk als hij kan: "duizelig ben ik in 't geheel niet. Ik dacht
dat mijn handschoen gevallen was. Enfin, wil je me volstrekt een klein
eindje brengen? Komaan dan maar. Goeden avond lieve mevrouw. Thom is
hier aanstonds terug.--Nee, we zullen over boer Dirksen niet te veel
tobben, al blijft het me leed doen.--Slaap wel!--Komaan m'n vrind,
je arm! Jawel, jawel, nú moet ik er alles van hebben."
Toen Van Hake zijn goeden beschermer had thuisgebracht, en naar huis
terugkeerde, toen kwam hem een vrouw tegemoet die bijzonder veel
haast had, en hem vroeg: of dokter Helmond tegenwoordig niet dáár in
dat groote huis woonde?"
"Ja. Moet dokter ergens komen?"
"'t Is voor de vrouw van den kuiper Sturk;" klonk het antwoord:
"Zooals men meende zou 't er op aanloopen. 't Was volgens berekening
een veertien dagen te vroeg, maar 't schijnt zoo te willen."
"Dokter is ongesteld."
"Ja dat kun jij wel zeggen, maar hij _moet_ mee. Hij heeft haar
aangenomen; en ik zeg: 't is wel om 'en _kind_ te doen, maar daarom
niet _kinderachtig_."
Thom verkeert in den grootsten tweestrijd. Helmond was volstrekt
niet fiksch bij 't naar huis gaan; hij gelooft zeker dat dokter
wat koorts had; inderdaad vertrouwde hij wel dat dokter na een
rustigen nacht morgen veel beter zal wezen, maar, indien hij nu zulk
een vermoeiende nachtwake hebben moest, dan--God wist, of de lieve,
de al te goede vriend, niet zelf erg ziek zal worden; en, waar moest
het dan heen! Neen, wanneer de toestand waarin vrouw Sturk verkeert
aan dokter bekend wordt, dan is het zeker dat hij zich geen oogenblik
zal bedenken, maar er aanstonds zal heengaan, zonder voor zich zelven
de gevolgen te berekenen.
--Maar, dat mag en zal niet gebeuren!
"Ik zeg je dat dokter ziek is; dokter ging met koorts naar bed. Doe
geen vergeefsche moeite, hij kan toch onmogelijk meekomen."
"Maar kristene-zielen, moet 'en mensch in zulke omstandigheden....!"
"Stil vrouwtje, we zijn hier niet zonder hulp. Ik ben de provisor van
dokter Helmond; we zullen aanstonds naar vrouw Spanning gaan. Jawel,
dat mensch is knap genoeg, daar sta ik je borg voor. Wat mij betreft,
_ik_ zal bij Sturk blijven, en mocht er iets wezen.... welnu, nood
breekt wet, dan kunnen we altijd dokter Helmond nog halen."
De vrouw, overtuigd dat mijnheer Van Hake zóó niet spreken zou als
zijn patroon niet werkelijk ziek was, moest toestemmen dat het dan
zoo maar 't beste zou zijn, want menheer had gelijk: nood breekt wet,
en baas Sturk had 'en hekel aan dokter _Biermans_, omdat Biermans
z'n regenton door 'n knoeier als Govers had laten maken; en: "Gauw
dan maar, want Sturk heeft gejaagd van belang."
Thomas Van Hake handelde met de beste bedoeling, en toch, of hij goed
deed? De tijd moet het leeren. Zooveel is echter zeker, dat dokter
Helmond een gansch anderen nacht zal doorbrengen dan de goede Thom
hem denkt te bezorgen.
Thuisgekomen ging Helmond het allereerst naar de kamer, waar hij
zijn geliefde zou vinden. En, ja, toen zijn Eva daar kalm en rustig
slapende vond, toen gevoelde hij voor het eerst sedert dien langen
namiddag, iets weldadigs zijn borst doorstroomen, iets dankbaars, dat
hem persoonlijk met zulk een val geen ernstig ongeluk was geschied;
dat hij gespaard bleef voor háár.
--Wat ligt ze daar lief, denkt Helmond bijna overluid, terwijl hij de
zwaar damasten gordijn een weinig terzijde houdt, en Eva bij het zachte
schijnsel der groote moderateurlamp die op het beddetafeltje brandt,
eenige oogenblikken beschouwt: Wat lag ze daar lief; wat slaapt ze
gerust!--Het mondje half geopend alsof het zoo de welluidendste tonen
zal doen hooren. Zie, die heerlijke golf van haar losgevallen haar,
wat teekent hij nu vooral de blanke fijnheid van haar huid. Wat ligt
ze daar rustig en schoon; met dat edele voorhoofd, met dat regelmatig
bewegen der kleine neusvleugels, met dat telkens dubben der lange
oogwimpers als zullen die oogen zich zoo aanstonds openen en hem
liefdevol aanzien; met dat geregeld golven van den boezem onder het
dekkleed, waardoor mede schier onmerkbaar de blanke en kunstvaardige
handen worden bewogen die er nu zoo rustig op nederliggen.
--Wat is ze schoon en wat slaapt ze kalm! Op gevaar af dat hij haar
wakker zal maken, drukt Helmond een teederen zoen, eerst op haar
voorhoofd en dan op haar zachte wang.... en.... Neen, ze wordt niet
wakker; zie, ze slaapt nog voort: een vriendelijk lachje plooit haren
mond.--Droomt ze van hem, van August, van haar geliefde? Ziet ze hem
in haar zoeten sluimer zooals hij daar werkelijk voor haar staat met
den blik vol innige liefde op haar gevestigd; een blik waarin ze zou
kunnen lezen: Engel, om uwentwil heb ik het leven lief, om uwentwil
blijft de wereld mijn lust; een graf zou ze zijn wanneer de ademtocht,
dien ik nu verneem, moest verstommen, wanneer die dubbende oogwimpers
eens niet meer opengingen....? Mijn engel!
Of ze van hem droomde? hij moet het weten, want bij die laatste
gedachte werd het hem eensklaps zoo angstig, zoo vreeselijk angstig
om het hart.
"Eva! lieve! hier ben ik!"
Zij glimlachte weder. En die schoone oogwimpers gaan nu vluchtig naar
boven; en hoor:
"Mon ami!" lispt ze met nog sterkeren glimlach; en dan, zooals het
gaat in den slaap, dan volgt er een diepe ademhaling met een langen
zucht, en, de schoone slaapster wendt zich om, met het gelaat naar de
binnenzijde van het ledikant, en haar ademhaling gaat weer geregeld
als van eene die rustig blijft slapen.
--Mon ami!....
--Ze droomt dan toch werkelijk van hem!
Ja waarlijk, en 't is juist het schitterendst oogenblik van haar
blinkende droom geweest toen August haar bijna ontwaken deed, omdat
hij haar stem wilde hooren, omdat hij haar oogen moest zien. Maar hij
was verstandig, hij liet haar slapen en voortdroomen dien ganschen
droom ten einde.
Mon ami!--Uit het midden van een zonderling bonten optocht, die
zich binnen het vierkant van een zeer groot tooneel heeft bewogen,
trad August Helmond in een prachtig gewaad van parelgrijs satijn
haar tegemoet. Hij boog de knie voor zijn Eva die zich de vroeger
ontvangen prachtige kroon op de sierlijk golvende lokken heeft gezet,
en ze reikt hem haar hand, waarop hij een teederen zoen drukt. En dan,
van het rood fluweelen kussen 'twelk nogmaals die knaap--alsof het
Siebel uit de Faust ware--haar met een kniebuiging kwam aanbieden,
neemt ze een tweede kroon met fonkelend edelgesteente omzet, en ze
drukt het kostbaar sieraad op het, voor haar neergebogen hoofd van
den vriend.--En een zeer hel licht blinkt weer eensklaps, en ze zegt:
"Mon ami--demain--toujours!" Maar dat licht werd verblindend sterk;
zij moest zich omwenden.....--'t Was juist het oogenblik toen
Helmond haar stem gehoord, en vluchtig haar oogen had gezien, en
zij zich omwendde naar de donkere zij van het ledikant. En in den
droom was het nu eensklaps een vuurrood licht 'twelk het helle en
witte licht had vervangen. Ze kon nu de oogen beter geopend houden,
en, hoe lang ze staarde dat weet ze niet, maar altijd en altijd
weer zag ze daar een grijnzend satergezicht om den hoek van een
geschilderden boomstam gluren; en dat wezen was geheel en al in 't
rood en zwart gekleed; soms als een vleermuis, met een degen op zij;
en uit zijn oogen bliksemden roode slangen; en het grijnsde akelig,
en als zij de oogen neersloeg en naar den grond zag, dan vloog er
een luik open in dien grond, en dan sloeg een roode vlam naar boven,
en eensklaps was ook hij weder daar, hij met die roodzwarte kleeren en
dien vleermuismantel, en hij zag haar scherp en altijd scherper aan,
zoodat zij moest terugtreden. En eensklaps klinkt er een gillend
krijschende muziek; en de zonderling bonte schaar van vrouwen en
mannen--zooals ze daar stonden, de mannen ter rechter- en de vrouwen
ter linkerzijde van die geschilderde boomen--ze vliegen nu eensklaps
als dolzinnigen walsend en gillend dooreen; en--hoe zij zich wendt en
hoe zij zich keert, altijd staat dat wezen in het bloedroode licht,
juist voor haar oog, nu eens lager en dan weer hooger; straks ten
halve achter iets verscholen, en dan weer geheel en al zichtbaar,
steeds met grijnzend sarrend gelaat, en terwijl het dan gillend zingt:
Le veau d'or est encore debout,
On encense
Sa puissance,
D'un bout du monde à l'autre bout!
snerpt het dansende koor ten slotte met hem mee in snijdende cadence:
Et satan conduit le bal!
_Et satan conduit le bal_!
"August! o August!" kreet Eva half ontwakend. Maar August was er niet
meer. Hij heeft nog iets voor den volgenden dag te regelen gehad,
en liet Eva gerust slapende alleen, om haar den "liefelijken droom"
waarin ze hem--onbewust zoo hemelsch heeft toegelachen, stil en kalm
te laten uitdroomen.
"August!" klonk haar stem nog eens, doch minder angstig dan zooeven,
en toen, toen wendde zij zich weder naar de lichtzijde, en vielen de
oogleden weer toe, en werd de ademhaling weer kalm en geregeld--zeer
kalm en geregeld.