Een groot kwartier later was de majoor Kartenglimp vertrokken.
Door zelf zijn kalmte te bewaren, of wel met geweld te hernemen,
was Helmond er al spoedig in geslaagd om, althans voor 't oog, de
gemoederen tot bedaren te brengen.
't Was immers een misverstand, een mal-à-propos. Men heeft het den
majoor die zooveel moeite deed, niet durven zeggen, dat papa, bij
rijper en rijper indenken, hoe langer hoe meer _tegen_ de zaak is
geworden, en niet dan op sterk aandringen van.... de familie, erin
heeft toegestemd om dezen namiddag de conferentie bij te wonen. Een
lichte ongesteldheid, zooals mama zeer juist gezegd heeft, had
hem misschien dezen middag nog bovendien wat zenuwachtig gemaakt,
en zoo heeft het den schijn gehad alsof hij zich tegen den majoor
en niet, zooals werkelijk het geval is geweest, tegen de zaak bleef
kanten.--"Niewaar papa?"
"Jawel, welzeker!" heeft Armelo gezegd. Och hij zou nu wel alles
hebben toegestemd; immers, hij had zulk een zalig oogenblik gehad,
o zoo _onbeschrijfelijk_ zalig!
En wat Eva's uitval betrof, de majoor zelf zou dien waardeeren
niewaar? Een dochter die gevoelig wordt, _zeer_ gevoelig, wanneer
men haar vader.... "U zult bekennen majoor," heeft Helmond vervolgd:
"dat, ofschoon er reden was u eenigszins gekrenkt te gevoelen,
dit gevoel zich wat sterk tegenover onzen braven vader heeft lucht
gegeven. Ook op mijn schoonmoeder en mij moest uw woord een pijnlijken
indruk maken. Maar als een misverstand nu aanleiding gaf.... wanneer
ik zelf erken dat wij schuld hadden door u onbekend te laten met
de zeer verminderde ingenomenheid van onzen vader met de zaak, dan
bedrieg ik mij niet of u zult--_niet_ als bekentenis van ongelijk,
maar als de _mindere_ in leeftijd, ofschoon de meerdere in rang,
den ouden kameraad--ook ter wille van _vrouw_ en van _dochter_,
wel gaarne de hand reiken."
En..... Zoo was het geschied.
Maar wat er omging in de harten dat is in die ure onvermeld gebleven.
Nadat Kartenglimp vertrokken was, hebben papa en mama Armelo nog
eenige minuten getoefd; maar papa verlangde nu toch zeer naar huis,
want de hoofdpijn, die men reeds eenige malen had voorgewend, was
werkelijk gekomen. Mama die na Eva's uitbarsting en wat erop volgde,
zeer stil is geworden, heeft toch niet kunnen nalaten om Eva te zeggen,
dat ze heel "grootsch" had gehandeld met zóó haars vaders eer op te
houden en zijn partij te trekken; en, slechts fluisterend--want in
Helmonds oogen vreest ze toch straks wel wat al te onbewimpeld voor
haar meening te zijn uitgekomen--slechts fluisterend voegt ze in
't heengaan er tot Eva bij, dat ze van dien adel nog altijd het
beste blijft hopen, ofschoon ze het lijdelijk moesten aanzien hoe
de majoor--en zonder dat er over de zaak een woord is gerept--al die
papieren en stukken weer stilletjes mee naar huis had gepakt.
En Eva, 't was háár wel aan te zien dat ze zware hoofdpijn had. Ze
sprak na 't heengaan der ouders bijna geen woord. August vond dat niet
vreemd. 't Was maar beter; en, Eva zou hem groot plezier doen met naar
bed te gaan: haar pols ging wat gejaagd, en haar voorhoofd gloeide.
--O, wie durfde nu nog beweren dat zulk een vrouw geen schat was,
grooter dan de grootste op aarde?
"Ziezoo lief wijfje, lig nu maar rustig; 't is mede in 't belang
van ons "geheim" dat je bijna verklapt hadt. Met den gezwinden pas
ga ik nu naar mijn zieke; ja; _toch te voet_. 't Zal wel donker zijn
als ik terugkom, maar als je slaapt dan zijn de uren seconden. Nee,
wees gerust, die hoofdpijn van papa zal morgen wel beter zijn. Maar,
vrouwtjes, die zulke goede plannen hebben als jij, ze moeten wat
oppassen en ook bij haar edelste emoties niet te hartstochtelijk
worden. Tot straks mijn lieve beste vrouw!--Watblief? Of dat onderzoek
van dien adel, nu papa er zoo schrikkelijk tegen is, toch niet kan
plaats hebben?--Welzeker Eva, _alles_ kan; maar 't beste is nu dat
je er niet over denkt. Mij dunkt, dokter Helmonds vrouw heeft dezen
avond bewezen dat ze, ook zonder adelbrieven, wel waarachtig van
adel is. Dag lieve, slaap zacht!"--Nog een kus op haar lieven mond,
en Helmond spoedt zich voort.
't Begon al te schemeren toen Helmond, reeds een tien minuten buiten
de stad gekomen, verfrischt door de heerlijke avondlucht, van verre
een boerenknaap op ongezadeld paard in vollen draf zag naderen.
In weinige seconden was de ruiter den dokter voorbijgejaagd; maar
terwijl Helmond met gefronste wenkbrauwen even omziet, bespeurt hij
dat het paard door den knaap met kracht wordt ingehouden terwijl ook
de ruiter naar den voorbijgereden dokter omkijkt!
Helmond heeft een oogenblik te voren gevreesd 't geen hij nu moet
vernemen. Die haast, dat ongewone harddraven naar stad, 't is het
gevolg van een sedert bijna twee uren vergeefsch wachten op den dokter,
die gezegd had _dadelijk_ te zullen komen. Reeds drie kwartier geleden
is een andere knecht van boer Dirksen, te voet naar stad getrokken,
om dokter, als hij hem mocht tegenkomen, tot spoed aan te zetten;
maar, misschien zal Japik, niet wetend dat dokter verhuisd is, naar
de oude woning aan den wal zijn gegaan en hem zóó hebben misgeloopen.
--Ja, 't was vreeselijk erg; boer Dirksen lag "als dol", en telkens was
het alsof hij "genacht ging zeggen." Als dokter rijden kon, dan moest
hij toch dadelijk "den bles" nemen, en hem maar ferm "ribbenhaver"
geven, want o Heer, d'r zou wat te koop zijn als boer Dirksen bezweek!
In een oogenblik heeft Helmond den bles beklommen. Vroeger, vooral
in zijn studententijd, had hij menig paard bereden, en ofschoon hij
nooit een harddraver had zooals deze, ja zelfs nu zonder beugels of
sporen en van 't losse dek, 't zou tóch wel gaan.--'t Was van belang
geen minuut te verliezen.
--Goeje God! als hij had kunnen voorzien dat er zooveel haast was! Nu
ja, men heeft de boodschap gebracht of dokter eens dadelijk op _De
Schebbelaar_ bij boer Dirksen wou komen.--_Dadelijk_!--Maar, kwam er
dan ooit een boodschap, en vooral van een boer, zonder dat _dadelijk_
er bij!--En dan, die gezonde ronde, blozende boer Dirksen! Hij had
een talrijk gezin, en een macht van loontrekkend personeel.--Aan hem
_zelf_ heeft Helmond het allerminst gedacht. Gevolgen van onrijpe
vruchten eten en dergelijke, hebben hem een oogenblik voor den geest
gestaan. Bovendien, men moest wel niets verzuimen, maar een dokter
behoeft toch ook geen schel te zijn, die maar aanstonds geluid geeft
als men--noodig of niet--aan het koord trekt. Hoe dikwijls kwam hij
niet reeds in een woning, waar men hem dringend liet roepen, om er
met een: O, 't is alles weer bestig dokter; we dochten, dokter kan
licht eens komen;" te worden begroet.
En toch, terwijl Helmonds lichaam door den stevigen bles--ook zonder
dat hij hem hak- of ribbenhaver behoeft te geven,--op ongewone wijze
wordt geschud en geschokt, roert er mede iets in zijn binnenste,
'twelk hem geen rust gunt: Het was je plicht geweest dokter, om zonder
wettige verhindering _aanstonds_ naar _De Schebbelaar_ te gaan. Een
_dwaasheid_ heeft je er van teruggehouden, een vrouwengril!
--Een dwaasheid! een vrouwengril? Zou het dan geen lafheid zijn
geweest dien majoor te ontwijken? Zou het vervullen van den plicht,
inderdaad geen dekkleed voor zwakheid geworden zijn!?
--En, _vanwaar_ dan zulk een bijzondere weerzin tegen dien
majoor? Waarom, _waarom_ is zijn gezelschap een kwelling voor Helmond
geworden?
--O Eva.... Eva!
--Eva? Neen! zou hij háár, die liefdevolle dochter, die engelachtige
vrouw met haar hemelsche gaven, durven noemen, wanneer hij _zelf_
zijn plicht kon verzaken als man!--Is zij het niet geweest die hem
nog bovendien heeft aangeraden om althans niet te voet te gaan maar
een rijtuig te nemen?
--Een rijtuig!--Maar stil, zij mag en zal immers niet weten dat haar
_man_ een onverstand, een dwaas was, toen hij zich liet vervoeren om
meer te doen dan hij _kon_ en mocht.
--Hoe! tóch onverstandig? Is het dan ooit te veel of onverstandig
gedaan wat hij voor _haar_ doet? Neen! neen!! Hij wil zich dat
telkens en terdege herinneren, en bewijzen zal hij het later zonder
fout. Maar, om dat te kunnen, moet hij voortaan ook als dokter op
't verstandigst zijn rekening maken.--Waartoe zal het rijden dienen
indien hij den tijd tot loopen heeft! Tegen vermoeienis ziet hij niet
op; immers al wat hij werkt en doet, hij doet het ter wille van haar,
zijn schat en zijn liefde.
--En dan, wanneer men een huishouding heeft, dan behoeft men ook
immers niet meer zoo buitengewoon discreet met het maken van visites
te zijn.--Debecque heeft het getoond, men ziet een dokter graag als
hij zijn zaak kent.--Wanneer de burgers en boeren tóch niet tevreden
zijn aleer zij een paar "bruine dranken" geslikt hebben, waartoe ze
hun dan--tot zijn eigen scha te onthouden!
Eensklaps gevoelt de ruiter bij een zeer sterken schok een stoot aan
zijn knie; een plotselinge duizeling overvalt hem, en....--Neen, Gode
zij dank! dat is goed afgeloopen; dat had veel erger kunnen zijn. De
moedige harddraver--ofschoon anders een dood mak paard--heeft aan
de hand die hem bestuurde waarschijnlijk geen meesterhand herkend,
en, hoe het gekomen is weet Helmond niet, maar toen hij een weinig
van den schrik bekomen, opstaande van den bermrand [2] waarin hij
gevallen of geworpen was, naar het been tastte 'twelk hem wat zeer
deed, toen zag hij ginder nabij de hoeve van boer Dirksen, nog den
harddraver met het schuingezakte geelbonte paardedek voortrennen,
en straks, schier rakelings langs den hekpost heen, het erf van zijn
meester binnenhollen.
--Gelukkig! de val had veel erger kunnen zijn. Helmond kan zeer goed
voort: het loopen hindert hem weinig of niet. Maar, hij gevoelt zich
toch eenigszins ontsteld, en zeker was het nu voor hem geen geschikt
oogenblik om in een woning te verschijnen waar hem misschien, door
zijn late komst, een ongewenschte ontvangst inplaats van eenig betoon
van deelneming te wachten staat.
Helmond houdt zich kloek. Men bemerkt niet eens dat hij wat bleek
ziet en wat ontdaan is. Men had ook wel aan iets anders te denken
en naar iets anders te zien! Aan het bed van boer Dirksen gekomen,
voer Helmond--ofschoon men 't niet zag--een schok door de leden.
Helaas! Wat men vreesde is waar. De man had den tol der natuur reeds
betaald. Neen, die kleur op dat gelaat, men behoeft er zich niet mee
te vleien; Dirksen zou zelfs nog kleur hebben wanneer hij begraven
werd. Er was geen twijfel: de pols stond stil, boer Dirksen was dood!
Het gejammer en geweeklaag van het boerengezin, van die weduwe met
haar zuigeling op den arm, en de negen andere kinderen die allen
schreiden--de meesten in navolging der ouderen, zonder den omvang van
hun verlies te beseffen; de smartelijke kreten van meiden, knechts en
geburen, die in een oogenblik het huis deden weergalmen, ze roerden
Helmond heviger dan ooit een zoodanig tooneel het gedaan had. Geen
wonder, met eigen zaken vervuld; getroffen door het onverwacht bericht
dat hij misschien _te laat_ zou komen; ontsteld en méér geschokt dan
hij in den aanvang geloofde door dien val van het paard, maar bovenal
gefolterd door de gedachte dat hij waarschijnlijk met een spoedige
hulp hier het ergste had kunnen voorkomen; door dit alles innerlijk
bewogen, is het niet te verwonderen dat de dokter al zijn wilskracht
behoeft om voor 't uiterlijke bedaard te schijnen.
En, hoe moest het hem dan te moede zijn, toen daar eensklaps een
groote zwaargebouwde kerel--de broeder van vrouw Dirksen--met woedend
gebaar hem onder de oogen trad, en hem in weinig gekuischte, ja in
deze oogenblikken akelig schril klinkende woorden, den dood van zijn
"braven zwager" verwijten kwam?
Er was aan Helmonds lichaam geen zenuw die niet trilde, maar nochtans
hij scheen bedaard. Hij betuigde dat het hem waarachtig leed deed
hier te laat te zijn gekomen; maar dáárom zou boer Geurtsen toch
niet beweren dat dit sterven des dokters schuld was. De familie heeft
zelve de zaak--toen Dirksen dezen middag ongesteld werd--niet ernstig
ingezien; anders zou zij wel een boerenwagen of sjees gestuurd en op
den meestmogelijken spoed hebben aangedrongen. Dit alles was _niet_
geschied. Zoodra het dokter geschikt heeft is hij van huis gegaan. Maar
bovendien..... wie zou, en vooral met het geloof van boer Geurtsen,
durven zeggen, dat een menschenhand krachtiger was dan de hand van God?
Dit laatste mocht inderdaad een overloopen tot de tegenpartij heeten
uit zucht naar zelfbehoud. Helmond gelooft wel degelijk aan een God
en een Godsbestuur, al begrijpt hij het niet, en al zoekt hij de
"onoplosbare raadsels" niet te verklaren; doch zeker zou hij zulk
een uitstekend dokter niet geweest zijn, indien hij meende dat het
met ziekten anders ging dan met een snel wassenden vloed. Dijk en
dam zullen hem keeren totdat hij weer effen vloeit binnen zijn boord,
indien zijn kracht althans niet te sterk, en het water niet...... te
overvloedig is.
Helmond had, na het vernemen der ziekteverschijnsels, immers aanstonds
het oog gehad op heilzame kruiden die een Voorzienigheid mede in
't aanzijn riep.
Maar dat overspringen naar den vijand baatte den dokter niet, want,
hoe vast boer Geurtsen ook anders in de leer was, nu zwager Dirksen
daar "dood lag", en die dokter hem "verzuimd had--jawel, vrouw en
kinders en allen konden dat getuigen; nu zou God er wraak over roepen,
en de Heer zal een onnutten dienstknecht uitwerpen in de buitenste
duisternis waar zal zijn weening en knarsing der tanden!"
Een oogenblik is het te vreezen geweest dat de groote zware
Geurtsen, reeds eenigermate in de rechten van den Heer des onnutten
dienstknechts zou treden; doch Helmonds bedaardheid, en de zorgen
die hij--alsof er geen bedreigingen tegen hem klonken--in stilte
aan de weduwe ging wijden, dewijl haar zenuwen door 't geen er nu
voorviel nog meer geprikkeld werden,--Helmonds schijnbare kalmte,
en zijn bedaard handelen: vriendelijk wenkengevend in 't belang van
al die schreiende jongens en meisjes; lafenis biedend aan Geurtsens
eigen vrouw, een zuster van den overledene--zooals ze daar doodsbleek
zat te klappertanden, dit alles deed den storm althans voor het
oogenblik bedaren. Slechts in een dof gebrom gaf de zwager, op
een stoel neergevallen en met het hoofd in de hand geleund, nog
gestadig aan zijn verbolgenheid lucht. En wat er omging in zijn
"hartengedichtsel"....? "God beter 't, nou kreeg ie dien heelen troep
onder voogdij en beheeren! Zulke dokters! zulke verd..... dokters!"
Voordat Helmond een half uur later vertrok, mocht hij de groote
voldoening smaken, dat de altijd schreiende weduwe hem de hand drukte,
met de betuiging dat ze 't hém niet kon wijten; immers, als dokter
't zóó begrepen had dan zou hij eerder gekomen zijn; niemand heeft
dit kunnen denken. En dan weer uitbarstend in geween:
"Och God! och God! dat ie nou dood is, waarachtig _dood_!"
't Was goed dat er zich te midden van al die weenenden en verslagenen,
toch één enkele bevond die sedert dokters komst, nog om een andere
reden tranen heeft geschreid. Dat was Hanna, de frissche blonde
boerenmeid met haar goeden aard en helderblauwe oogen. Neen, ze heeft
het bijna niet kunnen aanhooren dat die lompe Geurtsen, dien besten
man zoo onheusch en onrechtvaardig bejegende. Was die dokter geen
engel van goedheid! Heeft hij haar niet met Gods hulp uit een zware
ziekte weer vierkant op de been geholpen; was hij niet alle dagen
aan moeders huis geweest--weer of geen weer; en, toen het op betalen
aankwam..... toen, toen had ie de arme moeder op den schouder geklopt
en gezegd: "Als Hanna eens een fikschen boerenzoon trouwt moedertje,
dan kom ik op de bruiloft meesmullen voor drie!" Och zoo'n edele goeje
man, zoo'n knappe--om dien zoo te boenderen als Geurtsen gedaan had!
Ja, 't was maar heel goed dat die frissche blauwoog inwendig gekookt
heeft, en dat ze haar weldoener, bij 't heengaan, de bewijzen van
haar trouw en vereering zoo overvloedig liet blijken.
Dat geschiedde toen ze hem uitliet, en ze samen alleen waren in
't achterhuis bij de melkkamer der groote boerderij.
--Lieve hemel, wat schortte hem? Hij moest zich aan een karnton
vasthouden.
"'t Is niets Hanna, niemendal."
"Moar ie wordt zoo wit as 'en doek dokter."
"Nee dat komt wel terecht.... laat me maar eens even.... stil...."
"God dokter, drink dan; drink! Hier 'en schoep karnemelk.... hier...."
"Zoo ja; 't wordt al beter. Dankje goeje Hanna, dankje kind. 'k Ben
straks vóórdat ik hier kwam gevallen; en...."
"En toen zoo'n schandoal hier in huus!! Kom mee, kom mee
dokter. _Loopen_ dát zu'j niet. Wat schêlt 't mien! 'k Zal oe voaren
tot bij stad. Ze zullen mien nou niet missen of zuuken. 'k Zet Kwiebes
den ezel veur 't kerreken op veeren. Kom moar mee noar 't stal. Ze
zouwen oe kapot moaken hier! Kom gauw moar; kom mee!"