DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dank zij Helmonds bijzonderen tact, heeft Kartenglimp bij zijn

binnentreden niets bemerkt van de bewogen stemming, waarin het

gezelschap verkeerde.

Maar ook Eva zelve, ofschoon door papa's tegenstreven ten zeerste

ontstemd, zij heeft zich spoedig weten te herstellen. Een man aan

wien men verplichting had--zie, dat moest men begrijpen--zulk een man

diende men met eenige onderscheiding te ontvangen, en 't zou al zeer

burgerlijk en onhoffelijk zijn, indien men zulks, door een onderlinge

verdeeldheid, kon verzuimen.

Eerlijk moet Eva zeggen dat die majoor Kartenglimp nooit haar

charme zal worden. Er is iets in zijn gelaat 'twelk haar niet

bevalt; zijn manier van spreken heeft bovendien zeer dikwijls een

zekere gemeenzaamheid die geen plezier doet, en waardoor men wel

haast gedwongen wordt om zekere geruchten niet zoo onvoorwaardelijk

met den naam van laster te brandmerken. Maar toch, bij een nadere

kennismaking--en Eva heeft hem nu immers reeds eenige malen, ook bij

den notaris ontmoet--mag zij zeggen, dat ze het zeer onverstandig

zou noemen om iemand als den majoor, alleen op 't uiterlijk of op

geruchten te veroordeelen, zonder hem meer van nabij te kennen. Wanneer

men over dat zekere Oostersche in den man wat heen was, dan zag men

tenminste dat hij een fameus goed hart bezat. En bovendien, hij heeft

iets breeds. Niemand bijvoorbeeld heeft zoo goed als hij begrepen,

dat August wel heel onverstandig zou hebben gehandeld, indien hij

de eenige gelegenheid om dit huis te koopen had laten voorbijgaan;

niemand als hij begrijpt zoo geheel en al, dat men in de wereld moet

zijn wie men is, en dat men....

"O nee volstrekt niet majoor; nee, ik heb wel altijd zeer veel aan

de muziek gedaan, maar niet om er ooit...."

"Dat begrijp ik mevrouw: u hebt de Kunst liefgehad om de Kunst,

maar 't is natuurlijk nooit bij u kunnen opkomen om er een armzalige

broodwinning van te maken. Uw familie zou zóó iets...."

"Dat was toch primitief wel degelijk 't plan menheer;" zegt Armelo,

die sedert Kartenglimps komst nog bijna geen woord heeft gesproken.

"Mijn vrouwtje beklaagt zich haar studies niet;" valt Helmond in,

terwijl hij Eva met een blik beschouwt waarin een zacht verwijt stond

te lezen: "Maar, of haar ouders al bedoelingen hebben gehad, toen

ze zeer verstandig voor de ontwikkeling van dien prachtigen aanleg

zorgden, ik geloof ook dat zij zelve alle recht had om te gelooven,

dat haar kunst wel gauw brutale kapers aan boord zou krijgen."

"Wat papa bedoeld heeft August, dat weet ik niet, maar dit weet ik wel,

dat ik nooit heb begrepen dat men in ernst het plan had om mij zoo te

vernederen: Een muziekjuffrouw!--Of bestond het voornemen misschien om

mij tot een théâtre-chanteuse, een tooneelprinses te promoveeren? 't

Is allerliefst, _allerliefst_!"--Fier: "Nee! dat is papa's bedoeling

nooit geweest."

"Maar mijn hemel Eva!" zegt Armelo: "omdat je zoo'n mooie stem

hadt.... omdat.... Weet je dat niet meer?"

"Nee papa, dát weet ik zeker niet meer. Ik geloof dat u je vergist;

zulk een eer zoudt ú als oud-officier voor uw kind niet hebben

begeerd, dát weet ik papa. U zult mij met iemand anders verwarren,

't Is onaangenaam. U meent het goed, maar.... zóó.... Wat moet men

van mij denken!"

--Wat moet men van haar denken! Ja, waarachtig, wat, wát moet men

van haar denken!--Zwijg Armelo, zwijg nu vooral: die vreemde is er

bij. Wat zou _hij_ dan wel van haar moeten denken indien hij wist

dat ze de waarheid bedekt.... neen, dat ze--ofschoon misschien voor

't allereerst--dat ze nu.... liegt, dat ze haar ouden vader tot een

suffer, of, tot een _leugenaar_ maakt.--Stil ouwe kameraad.... daar

ligt weer iets onder de tafel. Stil! "Nee niemendal Helmond,

dankje.... ik dacht dat daar tóch iets lag, maar 't is niets,

niemendal."

Aangezien Helmond dezen avond, zooals bekend is, nog een zieke buiten

de stad te bezoeken heeft, en daarom op wat spoed moet aandringen,

zoo geeft de majoor gaarne aan de uitnoodiging gehoor om het resultaat

van zijn onderzoek aan de familie te gaan meedeelen. De papieren,

die Kartenglimp nu te voorschijn haalt, legt hij met een bijzondere

zorg voor zich op de tafel. Hij schijnt heel wat correspondentie over

die zaak te hebben gevoerd, en 't moet moeielijk zijn om alles goed

uit elkaar te houden.

Eva voelt haar hart kloppen nu de majoor nog eens een papier inziet

alvorens te beginnen. Maar hoor, 't was alsof haar een pak van dat

hart viel:

"Mijnheer Van Armeloo, nu wij tot de belangrijke zaak komen, die u

mij hebt willen opdragen, nu acht ik mij gelukkig u voorloopig met

een gunstigen uitslag te mogen feliciteeren."

Eva zag terzij, en stond op; en, om haar opstaan te rechtvaardigen,

gaat ze naar de schel waaraan ze trekt, maar bespeurt niet dat

Kartenglimp nu juist in den grooten spiegel, die schuin tegenover hem

hangt, haar schoon gelaat waarop een blijde ontroering te lezen stond,

genieten kan.

Armelo maakt een beweging alsof hij iets zeggen wil; immers, hij

heeft dien majoor volstrekt niets opgedragen, niets! maar moeder

Armelo geeft haar echtgenoot een zoo beheerschenden wenk, dat de

majoor ongestoord kan vervolgen:

"U weet kapitein, dat uw naam mij van den beginne af aan zeer bekend

voorkwam. Ziehier de reden: In mijn jonge jaren logeerde ik veel

te Waechtel in Noord-Brabant. De pastoor van het dorp kwam somtijds

bij mijn familie aan huis, en van hem vernam ik--zonder er destijds

eenige waarde aan te hechten--dat de goederen zijner parochie voor

't grootste deel het geschenk waren van een zekeren graaf Arend Van

Armeloo, wiens echtgenoot de erfgename der heeren van Waechtel geweest

was. In de eerste plaats kan ik hier het stuk overleggen van den

tegenwoordigen pastoor van Waechtel aan wien ik heb geschreven. Wees

zoo goed dit even in te zien kapitein..... alsjeblieft....."

"Ja..... maar mijn oogen..... Ik heb....."

Mevrouw Armelo heeft nu haastig het papier gegrepen, doch Helmond,

vreezend dat zijn schoonmoeder bij 't mogelijk voorlezen ervan, over

't een of ander woord zal struikelen, neemt het snel van haar over,

alsof hij meende dat mama het hem heeft willen toereiken.

De deur wordt geopend, en Bus in zijn huisknechtelijk jasje, vraagt

bij 't binnentreden:

"Wat blieft oe mevrouw?"

"Zul je straks wijn brengen Herman?"

"Da's goed; woar mo'k ze kriegen?" vraagt Bus geheimzinnig.

Eva had den domoor wel willen schudden.--Dát kwam ervan! Is die

oude apotheeklooper dan ook een persoon om meteen voor huisknecht

te dienen? 't Was om dol te worden. Enfin, August heeft het nu zelf

kunnen hooren!

"Ik heb aan Antje m'n bevelen gegeven Herman. Ik dacht dat je 't

wist. Ga, vraag 't haar."

"Joa moar mevrouw, as Antje altied van "kalfsoog" en "pillenposteljon"

begint dan...."

"Bus, je vraagt aan Antje 'tgeen mevrouw je gelast;" zegt Helmond,

en geeft den man een gebiedenden wenk; en als de huisknecht met

een: "Asjeblief dokter" vertrekt, dan haast zich Helmond om door

't voorlezen van den brief die onaangename stoornis te bedekken en

Eva's voorhoofd weer effen te strijken. Hij leest:

"Hoogedelgestrenge Heer!

"Op uw verzoek meld ik u, dat de goederen onzer parochie

Waechtel cum annexis, inderdaad voor het grootste deel bestaan

uit een donatie van wijlen den grave Arend Van Armeloo,

ter eere geschonken en gelegateerd aan onze Lieve Vrouwe

en Heilige Moeder de Kerk, zijnde dit geschied, zooals uit

het charter blijkt, "ad pias causus, met vollen consent van

zijnen veelbeminden soon Herbert van Armeloo, in den jare

onzes Heeren vijftienhonderd en tien, bij zijn vollen kennis

en verstande op het grafelijk slot Waechtel."

Met dezen aan uw wensch voldaan hebbende teeken ik mij,

Hoogedelgestrenge Heer!

"Uw Dienstw. Dienaar

"J. Mans,

"Pastoor te Waechtel c. a,"

_Waechtel_..... 18.

't Klonk Eva--die voor 't oogenblik den huisknecht geheel vergeten

was--als muziek in de ooren, toen Helmond, nog eens het adres van

den brief beschouwend, met overtuiging zeide:

"Die brief is al dadelijk een bewijs voor uw goed geheugen, majoor!"

"Mijn geheugen bedriegt mij niet gemakkelijk dokter. Ik ga verder:

Een tweede brief van pastoor Mans gaf mij zekerheid dat het wapen der

graven Van Armeloo de treffendste overeenkomst heeft met dat van ú

kapitein. Het uwe is goud met een blauwen dwarsbalk; dat der graven

Van Armeloo was mede goud, maar de blauwe dwarsbalk is beladen met

drie gouden sterren. Wacht--of nee, de brief bevat niets bijzonders;

maar ziehier de afbeelding die ik voor mijn eigen genoegen van de

beide wapens gemaakt heb."

"'t Is al te vriendelijk;" zegt mevrouw Armelo.

Eva's oogen glinsteren sterker dan de gouden sterretjes in den blauwen

balk terwijl ze de teekening beziet.

"Maar ik heb u vroeger al eens gezegd majoor, dat ik dat wapen zelf

heb laten maken. We deden het vroeger met 'en grosken, een duit of

'en cent, maar toen ik de epaulet kreeg toen meende m'n vrouw....."

"Mijn beste kapitein, ik weet het, _ik weet het_, maar juist dat uw

wapensnijder u _dit_ wapen heeft gemaakt, het bewijst zijn bekendheid

met uw geslacht."

"God! dat is nu zoo duidelijk als tweemaal twee!" zegt mevrouw terwijl

ze Eva aanziet; en dan tot haar man: "Armelo-lief, je moest den majoor,

die zooveel moeite voor ons doet--jawel majoor ook met dat schilderij

van de wapens, jawel--je moest hem nu laten uitspreken."

"Ja maar, ik zeg ..."

Kartenglimp maakt een gebaar met de hand, waarmee hij uitdrukt dat zulk

een oppositie hem onaangenaam is, en voegt er bij: "Wil de kapitein

_liever_ dat zijn hooge titel _niet_ te bewijzen zal zijn.... ik

heb er vrede mee. 't Is dan alleen jammer dat men 't mij niet eerder

heeft gezegd."

De beide dames verzekeren den majoor dat men vol belangstelling

luistert. De majoor zal--volgens Armelo's echtgenoot--begrijpen dat

de tegenspraak van Armelo alleen voortspruit uit.... uit.... dat

ongewone; als men nu "dagelijks graaf was geweest", niewaar....? En

uit verkoudheid; Armelo had van morgen schrikgelijk geniesd;

en.... en.... 't een bij 't ander: "Jawel Armelolief, en een geest

van tegenspraak, dat is.... dat is.... Laat den majoor, ik bid je,

nu voortgaan."

Kartenglimp ziet een papier in, en voelt terzelfder tijd dat

de beeldschoone doktersvrouw haar oogen met al den "gloed der

belangstelling" op hem gevestigd houdt. Hij moet dien zoeten triumf

toch even genieten:

"Als er belangstelling is dames.... met veel genoegen.--'t Spreekt

dan vanzelf dat ik verder 't allereerst mijn werk ervan maakte om te

vernemen of er in ons vaderland nog andere afstammelingen van dien

Arend of zijn zoon Herbert te vinden waren; doch nergens is daar

eenig spoor van te ontdekken. In 't archief van de oude leenkamers,

vond een mijner vrienden wel het geslacht Van Armeloo vermeld, doch

van veel vroeger en zonder dat het van eenig belang voor onze zaak

was. Ik meende nu aanstonds mijn verdere stappen in uw geboorteland

te moeten beginnen kapitein. U werdt in November 1807 te Birchheim

in Hanover geboren niewaar?"

"Watblief....?"

"Ja majoor, juist," zegt Eva snel, en wisselt dan een blik met haar

moeder, die Kartenglimp niet ontgaat en waardoor hij opnieuw in de

overtuiging wordt versterkt dat mijnheer de graaf van Armeloo ook bij

die mooie dochter een nul in 't cijfer is. Best! als hij 't maar weet!

"Zoon van Peter Harmen niewaar?" vervolgt Kartenglimp; "welgesteld

landbouwer aldaar."

"Welgesteld!" herneemt Armelo: "ik moet je zeggen...."

"Ja maar papa," valt Helmond in: "Eva heeft nu gelijk: wanneer de

majoor zoo telkens door u in de rede wordt gevallen dan...."

"Dan is het letterlijk om gek, om tureluursch te worden:" stemt

de gravin.

"Hier dokter," herneemt Kartenglimp die--zooals Eva opmerkt--zeer

bescheiden doet alsof hij van dat intermezzo niets gehoord heeft:

"hier dokter, heb ik een heele correspondentie met de burgemeesters

van Birchheim, Puttenburg, enz. enz.; met heeren Archivaren und

Geheim-ober-land-und-volk-statistik-inspectors, of hoe ze heeten;

met heeren Pastors oder Predigers en het lest wel 't best, met een

persoon, waaraan ik zeer toevallig ben gekomen, een allerschranderst

actief mensch, van wien ik u later spreek. 't Grootste deel, ja bijna

die geheele correspondentie kan ik u sparen. Ze zou u niet veel meer

doen zien dan wát er alzoo is gedaan dokter, om den overgrootvader,

ik zeg den _over_grootvader van mijnheer uw schoonvader op 't spoor

te komen."

"En is hij gevonden majoor?" zegt Helmond, nu Kartenglimp een

oogenblik zwijgt.

--Hoor, hoor! August vraagt dat met wezenlijke belangstelling, meent

Eva, en ze voegt er bij: "Ja niewaar, hij was er majoor?"

"Maar kind, welzeker!" bevestigt mevrouw: "de eene vader heeft

natuurlijk altijd weer een anderen vader gehad, dat spreekt!"

"Hier heb ik, om kort te gaan, een brief," hervat Kartenglimp,

terwijl hij met een uitdrukking van groot gewicht het papier toont:

"een stuk dat voor het geslacht der Van Armeloo's evenveel waard

is als het gevoel van eer voor den soldaat. Deze brief dokter,"--de

majoor scheen het woord niet meer tot den kapitein te richten; "deze

brief van den heer Dr. Heinrich Stangbetter, evangelisch Pastor of

Prediger te Mariënthalen in Oldenburg, ofschoon hij in bijna onleesbaar

Duitsch is geschreven--zie maar dames--hij gaf mij de zekerheid van het

hoogstbelangrijke feit dat van 1707 tot 1752 twee heeren Armelo, Walter

en Peter, vermoedelijk vader en zoon, na elkander evangelisch predikant

in die plaats zijn geweest, terwijl te Mariënthalen in gemeente-

en kerk-archieven de overvloedigste bewijzen daarvan voorhanden zijn."'

De linksche wijze, waarop de lange drankjesrondbrenger Bus inmiddels

het theeblad heeft weggenomen en den wijn op de tafel gezet, kon Eva

nu voor 't oogenblik niet uit den zaligen hemel stooten waarin ze zich

bevond, 't Hinderde haar alleen dat papa zoo akelig onverschillig

en strak zat te kijken; en ook--ja, dat Kartenglimp hem nu zoo in

't geheel niet meer aansprak.

"Papa!"

"Watblief?"

"Meen je om in te schenken, vrouwtje?" zegt Helmond: "Ja, de majoor

mag wel eens drinken."

"Ah! merci!" zegt Kartenglimp, en proeft den heerlijken Cantemerle,

en herneemt terwijl hij ter halverwege opstaande met het glas

salueert: "Ik drink even het welzijn van dezen huize: Mevrouw

Helmond! dokter! mevrouw Van Armeloo...."

"Papa, de majoor wou.... Papa dan!" roept Eva.

"Hemel Armelo-lief! zie je dat glas niet!"

"O jawel; jawel.... Wát was de....?"

"Derangeer je niet kapitein. Ik dronk het welzijn van mevrouw je

dochter, en van mijn vriend Helmond in hun nieuwe woning."--Den

ontevreden blik van Eva bemerkend: "'t Is niets mevrouw; papa heeft

zeker zinkings die hem wat hinderen in 't hooren."

Armelo zet er zich _weer_ overheen, en ja, hij verstout zich:

"Ik drink graag het welzijn van mijn kinderen majoor, maar.... ik

weet niet of deze conferentie en uw bemoeiingen wel inderdaad zoo

bijzonder in 't belang van hun en ons geluk zijn."

De majoor is doodsbleek geworden, maar schijnt toch zijn kalmte

te bewaren.

"Hemel papa!" zegt Eva.

"Man ben je.... om Godswil, ben je _stapel_ geworden!" roept mevrouw.

Ja, ook Helmond moest in stilte bekennen dat het wat erg liep. Ofschoon

zulk een bemoeiing in zake van afkomst, het stokpaardje van dien majoor

bleek te zijn; hoewel hij volstrekt niets te verzuimen had en hij zich

voor deze bereddering letterlijk heeft opgedrongen, men moest toch

erkennen dat niemand hem bepaald weerhouden heeft, en zelfs dat mama en

Eva door haar openlijk betoon van ingenomenheid, hem zeker tot handelen

hebben aangevuurd. En nu, terwijl men hem dan een tijd lang rustig liet

begaan; nu men bijeen is gekomen om zijn verslag te hooren--ofschoon

Helmond zelf het wel graag had ontweken--nu de majoor werkelijk reden

meent te hebben om papa te kunnen feliciteeren; zie, nu zet die oude

heer zich eensklaps zoo schrikkelijk stijf in den zadel. Indien het

_onmogelijk_ was, à la bonne heure, maar _onmogelijk_ was het niet;

en ofschoon papa er dan zelf--althans van middag--schrikkelijk tegen

was, vergeten mocht hij niet dat Eva er geheel anders over denkt. Hij,

Helmond, o nee, hij hecht er niets aan, zoo goed als niets; maar

als het dan waar is, wat Debecque heeft gezegd, dat namelijk zulke

titels zeer gemakkelijk kunnen overgaan, en hier dus zeker vooral,

van schoonvader op schoonzoon--natuurlijk in 't belang van kinderen en

kleinkinderen,--ja! dan was het inderdaad zeer onbeleefd om een man,

die zich zooveel moeite getroostte, en nog wel op het oogenblik dat

hij aan Eva een soort van toost bracht, zoo onheusch te behandelen.

"Papa, we mogen dunkt me niet vergeten dat de majoor zich te veel

moeite voor ons gaf, om er tot dank een onvriendelijk woord voor te

ontvangen.--Wij die u kennen, weten wel dat het uw bedoeling niet

was om den majoor iets onaangenaams te zeggen." Met nadruk, ofschoon

steeds op gepasten toon: "De majoor wil met u klinken papa!"

Na een korte aarzeling heeft Armelo met eenige trilling zijn glas

genomen, en stoot het weifelend tegen dat van Kartenglimp, doch,

met een wrevelig gebaar en zonder te drinken zet hij het daarna op

de tafel.

Kartenglimp bespeurt een "algemeene verontwaardiging," waarvan mevrouw

Armelo inderdaad al aanstonds de tolk wordt. Er komt iets in zijn

blik, 'twelk hij met moeite zou kunnen verbergen, doch 'tgeen hij nú,

bij die "algemeene verontwaardiging" te verbergen onnoodig acht.

"Ik geloof mevrouw," zegt hij snel tot Eva: "dat papa zijn diensttijd

wat te zeer vergeten is. Wanneer hij _uw_ wellevendheid en _uw_

beschaving bezat...."--Kartenglimp ziet Eva--ongetwijfeld door zijn

woorden gestreeld--de oogen neerslaan en blozen, en vervolgt: "dan zou

hij zich wat beter herinneren dat de man, die ertoe meewerkt om hem van

eenvoudig gepensioneerd kapitein tot den gravenstand te brengen--'tgeen

zonder mijne relaties zeker _nooit_ gelukken zou--dat die man tot

nu toe in rang nog altijd zijn _meerdere_ is. Je moest een voorbeeld

aan je vrouw en dochter nemen kapitein, en wat meer eergevoel toonen."

Mevrouw Armelo geeft, sterk knikkende, bewijzen van toestemming.--Eva

is vuurrood geworden.--Helmond ziet links en rechts.... naar

Eva, naar papa, naar Kartenglimp, en zijn gansche houding teekent

onrust. Opgestaan gaat hij naar de deur, vreezend dat iemand onverhoeds

in deze oogenblikken zal binnenkomen, terwijl Kartenglimp nog voortgaat

met inzonderheid Eva te verheffen tot een model, waaraan de vader

zich wel spiegelen mocht.

En, een zwaren strijd heeft Helmond te strijden. Op dien toon kan

het niet verder! Hij ziet den armen schoonvader daar zwijgend en met

pijnlijk saamgeperste lippen neerzitten.--Ja, zijn vijandige houding

tegenover den majoor was zonderling en ongewettigd; maar op _deze_

wijze! Zal die vreemde, den oud-kapitein hier, onder Helmonds dak,

dan zóó de les mogen lezen; zal hij Eva zóó op een dwaalspoor mogen

brengen, en haar doen vergeten dat zij _ten koste van haar vader_

verheven wordt? Helmond wil spreken, hij zal, hij _moet_!--Maar,

als hij dien man--nu zichtbaar verstoord--door een terechtwijzing

tegen zich in 't harnas jaagt....? Vernam hij dan niet in vertrouwen

dat juist die majoor een der personen is door wien de notaris hem 't

geld kon bezorgen? En heeft hij niet zooeven gehoord dat het zonder de

hulp van dien man zeker _nooit_ zal gelukken om een titel te bekomen,

waaraan Eva hangt met al de kinderlijkheid van haar hart? Waagt

hij dan niet, door zijn terechtwijzend woord, dien man nog meer te

ontstemmen, en Eva een teleurstelling te berokkenen, die dan ook wel

mogelijk een bron van kwelling voor _hem_ worden kon?--Maar hoor!

"Ik bedrieg mij niet kapitein, uw vrouw en dochter, en ook uw zoon,

ze schamen zich over je kleingeestigheid. Ze gevoelen...."

Armelo hoort niet meer wat zijn vrouw en kinderen gevoelen. Hij, hij

_zelf_ voelt het oude militaire hart weer krachtig wakker worden in

de borst.--Wat vermeet zich die gepommadeerde opsnijer, de brutale

klant met zijn vreemde tronie, de indringer van wien "God noch goed

mensch" de origine en geschiedenis kent; de man, die zich opwerpt om

een titel aan 't licht te brengen--wie weet met welke bedoeling--een

titel die tóch niet bestaat. Wat waagt hij het--duizend bommen en

kanonnen! om op zijn kwajongensjaren met een in Indië verworven rang,

een oud-kapitein van het Neerlandsche leger te insulteeren! Wat duizend

donders! waagt hij het om vis-à-vis vrouw en kinderen zulk een toon te

voeren; zijn dikwijls weerspannige, hooghartige vrouw nog meer tegen

hem op te zetten, en zijn kind, zijn Eva, van hem te vervreemden

geheel en al!?--Op, ouwe kameraad! knip dat brutale onridderlijke

poespas onder z'n neus! Duizend donders! toon nu.... Nee, chut Armelo,

stil! bedaar!.... 't Is _hier_ de plaats niet. Zal de arme kapitein

dan aanstonds in de rijke woning van zijn schoonzoon schandaal gaan

maken en haar tot een kroeg verlagen? Nee, stil; stil nu Armelo;

weerhoud je. Als je spreekt en loskomt dan raak je slaags in 't volle

vuur. Zwijg dus! Morgen in de sociëteit, dan kun je hem vinden. Een

knip onder den neus zul je hem geven; ha! _dáár, een knip onder den

neus_; Ga nu maar voort sinjeur; wel ja, doe mijn eigen vrouw maar

altijd toestemmend knikken en triumf op mijn "_kleingeestigheid_"

vieren. Laat dat kind zich maar _schamen_ voor een vader, die.... o

God!.... Neen zwijg Armelo, zwijg tot morgen! Laat hem zijn gang

gaan. Stil!

"Ik denk dames," vervolgt Kartenglimp met een naren lach, "dat de

kapitein dat glas niet wil drinken, omdat hij misschien _tegenwoordig_

tot het korps der _afschaffers_ behoort,--hahihaha! hahihaha!"

--Maar God, wat is dat?--Hoor, wat snerpt daar _als_ een gil door

de ruime Oranje-zaal? Wat vliegt daar op en scheurt dien valschen

lach vaneen?

Ze hebben het niet gehoord hoe het in de laatste minuten, mede

bonsde in Eva's borst. Haar blozen en verbleeken; het neerslaan

dier oogen; haar zwijgen, neen, ze hebben het niet beschouwd als

den strijd van haar dwazen wensch met haar waarachtig liefhebbend

kinderhart.--God! had zij dan straks zoo iets uitgelokt? Maar zóó

heeft ze het niet bedoeld!

"_Zwijg! dat is laag en gemeen!_" heeft Eva eensklaps met de grootste

overspanning geroepen, terwijl ze zich ten deele van haar zitplaats

verhief: "Zwijg man, en lach zoo akelig niet..... Dat is _mijn vader_

weetje, mijn _goede lieve brave_ vader! Wie riep je hier, om dien

ouden man te beleedigen, zeg? in _mijn_ huis....?

"Eva, Eva!" zegt Helmond: "In 's-hemelsnaam!"

"Wát Helmond! wil _jij_ me terughouden? Al heb ik straks ook den schijn

gegeven van meer aan een titel dan aan mijn lieven vader te hechten,

die schijn mag niet blijven! Zou jij dat willen!?"--Geheel opstaande

en fier tot Kartenglimp:--"Je lacht al niet meer, _goed_! Vraag nu

mijn vader excuus voor de verregaande beleediging die je hem, vooral

met dat laatste woord, hebt aangedaan.--Ik zeg: _vraag excuus_!"

Kartenglimp zoo wit als een lijk geworden, schijnt nochtans zijn

kalmte niet te verliezen.

"Een beleediging mevrouw? Heb ik met dat laatste woord een beleediging

gezegd? Ik wist niet...."

--O God, heeft ze dan haar zinnen verloren....? Hoor! het was hem

onbekend, wat er gebeurd is in vroeger tijd! Heeft ze dan in haar

overijling nu zelve dien goeden stillen vader den pijnlijksten stoot

gegeven, door vuur te vatten toen men hem een afschaffer noemde? Ze

heeft goed willen maken wat ze straks misdeed, neen--haar _hart_,

haar liefdevol kinderhart heeft gesproken; maar helaas, ondoordacht,

om hem nu nog dieper te wonden in 't bijzijn van dien man. O, zij

weet niet wat ze nu spreken, waar ze zich bergen zal.

Maar zie.... het hoofd van den vroeg vergrijsden vader, het schudt

wel vreemdsoortig, maar toch, ja, in die altijd zoo goedige oogen

ziet ze tranen glimmen. Tranen!--En met die oogen vol tranen ziet

hij haar aan.--Lachen ze haar toe door die tranen heen? Wenken ze

haar om te komen aan zijn zij; in zijn armen, aan zijn vaderhart?

Ja Eva, dat trillen van het hoofd en dat beven van die lippen,

't is nu een gevolg van den warmen gloed, die daar eensklaps zijn

borst doorstroomde.

O, toen ge daar op dien schrillen gejaagden toon uw: "Zwijg! dat is

laag en gemeen", hebt uitgekreten; toen gij hem uw _lieven braven

goeden_ vader hebt genoemd, toen was het hem als zongt gij het

schoonste lied uwer kinderjaren; als drukten weer uw rozelippen op

't teederst zijn pijnlijk gesloten mond.... o God, toen had hij zijn

Eva, zijn kind weergevonden, de oudste, de lieveling die hij straks

reeds verloren dacht.

Zie, en nu staat ze aan zijn zij, en ze drukt dat grijze goede hoofd

vast, heel vast aan haar borst;--zóó, zóó! nog meer op zij, nog vaster,

ja, want--die vreemde, zal ze niet zien: de tranen van haar goeden,

haar _lieven_ vader!

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 47 / 85 题