TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Mama Armelo heeft zich dezen middag in 't gala-pak gestoken om met

Armelo, die ook zijn Zondagsche jas heeft moeten aantrekken, aan

Eva's uitnoodiging te voldoen.

De echtgenooten begeven zich op weg naar het nieuwe doktershuis.

Met een eenigszins vreemd draaiende deftigheid stapt mevrouw,

naast den ex-kapitein--die in de laatste jaren wel wat voorover

loopt--door de voornaamste straten van het stadje, op het tamelijk

groote marktplein toe.

"Zieje wel Armelo, dat Wessels de kleermaker weer groet?"

"Ja Marie."

"En slager Van Delden dáár..... heb je 't gezien, zoo anders als

anders, zoo onderdanig?"

"Ja.--Je hadt je wel wat minder mooi kunnen maken Marie."

"Waarom?"

"'k Heb immers Van Delden nog om drie maanden uitstel gevraagd;

nu zal je mooie plunje hem in de war brengen."

"'t Is vreemd Armelo, dat je dat uitstel en die beleefdheid niet

beter begrijpt. Ik voor mij geloof dat we sinds het bekend is,

zooveel krediet kunnen krijgen als we maar willen."

"Bekend? Wát zeg je! is het al bekend? Ik dacht dat die gekheid

tenminste geheel onder ons zou blijven totdat de majoor...."

"O dáár spreek ik niet van Armelo, ik bedoel van onzen schoonzoon,

van Helmond. Sedert dat men zeker weet dat hij, ook van zich zelven,

er warmpjes inzit."

"Ahja, wat dát betreft. Maar het staat me toch eigenlijk tegen dat

men dáárom aan mij...."

"Is Eva dan misschien je eigen vleesch en bloed niet, man?"

"Ja waarachtig! Maar te speculeeren op andermans geld! Nee Marie, nee!"

"Andermans! andermans!! De wettige man van je eigen kind! van het kind

dat haar bestaan in de wereld aan ons te danken heeft. Is dokter niet

precies zoo goed je zoon als Eva je dochter? Noem jij het andermans,

ik noem het _eigen_! Van één meel, van één deeg!"

"Ik spreek van zijn geld."

"Geld is niemendal. Wát is geld voor iemand die genoeg heeft! Geld

is een dood, een onnoozel ding...."

"Stil vrouw, je praat zoo hard dat de jongens die daar knikkeren er

van opkijken."

"Die jongens kunnen ook wel om wat anders opkijken, Armelo. Maar

hoe 't zij," vervolgt mevrouw iets zachter: "wat heeft men aan geld

dat niet gebruikt wordt? En, als jij bijvoorbeeld eens rijk waart

en schoonouders hadt die een stand moesten ophouden in de wereld,

zou jij dan niet zeggen..." Mevrouw vervalt in iets zeer theatraals:

"neem van het mijne, ik heb fortuin!"

"'t Is me moeielijk Marie, om me met de herinnering aan _mijn_

schoonouders, zoo iets van _stand ophouden_ voor te stellen, en nog

moeielijker om....."

"Och Armelo zwijg nu maar, je schijnt weer een dwarse bui te hebben;

dat treft al heel slecht van avond. Je hebt die buien zeker uit de

Tiendaagsche ruzie gehouden!--Kom man, kijk toch wat opgewekter. Zie,

daar heb je het huis al. Goeje hemel, dat we nu zoo zeggen kunnen:

daar, in dat mooiste huis van de heele stad, daar wonen _onze

kinderen_! Och lieve deugd! wat een front maakt dat huis!--Nee,

zenuwachtig ben ik niet Armelo, tenminste niet dagelijks; maar

nou! wil je wel gelooven dat ik ieder keer kippevel krijg, als ik

den markthoek omsla en dat huis daar voor me zie.--Och, hij doet het,

onthoud er je vrouw bij."

"Hij doet het? Wat meen je?"

"Wat? Wel Armelo, denk toch eens door.... zóóveel kamers, zóóveel

ruimte voor _twee_ personen!"

Armelo antwoordde niet. Het hoofd ging hoe langer hoe meer

voorover.--'t Is hem tegenwoordig precies alsof hij overdag

een boek leest, en 's nachts droomt dat hij er zelf in vermoord

wordt.--Ha! zonder dien verwenschten drank, die het gevolg was

van..... Stil, zijn vrouw leeft nog, en ze heeft zich gebeterd, evenals

hij, helaas toen het te laat was.--Maar ja, zonder dát zou hij niet

telkens gepasseerd en, ofschoon nog per gratie met klokke vijftig,

gepensioneerd zijn geworden. Neen, dan was hij _nu_ kolonel, wie weet

misschien generaal geweest! Maar dat alles is voorbij. Stil dan ouwe

kameraad; gedane zaken nemen geen keer. Als je na nummer één, daar

_heel_ Boven, ergens in een nieuw garnizoen komt, en bij een hooger

wapen van voren afaan kunt beginnen, dan zul je 't wel verstandiger

aanleggen. Zeker! Nu, wees te vreden dat je zonder schandaal nog een

geregelde retraite hebt kunnen maken; dankbaar dat je stilletjes

kondt rondsukkelen met wat zuinigheid en wat werken erbij.--Maar,

in den laatsten tijd! in de laatste weken! Ach, somwijlen heeft

hij oogenblikken gehad dat hij--nee, dat is niet waar; ja, ja toch,

verdord! dat hij naar een glas jenever verlangde. Als het dan toch

draait..... dan..... Een glas jenever!

Dat was slecht! Heeft het geluk hem beneveld en zoo uitzinnig

gemaakt? Welk geluk? Welnu is Eva niet geheel gelukkig getrouwd;

Eva, zijn oudste, zijn lieve dochter?--Stil, dat is voor hem zulk

een groot geluk niet. Hij durft het niet uitspreken; men zou het

verkeerd kunnen uitleggen; maar, sinds dat goede huwelijk, zoo geheel

naar aller zin, en vooral in de laatste weken, was Eva _zijn Eva_

niet meer. Vriendelijk is ze, nu ja, heel vriendelijk. Eens hebben

papa en mama met Louise zelfs bij haar gegeten, en tweemaal thee

gedronken, welzeker! Maar toch, 't was hem toen juist zoo vreemd en

raar geweest. Bijvoorbeeld 't is hem soms onmogelijk om zich duidelijk

voor te stellen dat hij háár--die mooie rijke mevrouw--als kind zoo

dikwijls op zijn knie heeft gehad; dat ze hem in die schrikkelijke

dagen van vernedering en ellende--de lieve vroolijke bloem met haar

golvende lokken--zoo telkens uit eigen beweging kwam liefkoozen en

zoenen op den pijnlijk geplooiden mond; of, met haar rein welluidende

stem haar schoonste liederen ging zingen, om, zooals ze zeide, haar

"lieve pa'tje weer wat vroolijker te maken, en van zijn dierbaar

hoofd die nare rimpels te verjagen". Toen, ach, ofschoon telkens en

telkens teruggestooten, gekrenkt in zijn eer en benadeeld in zijn

inkomsten--helaas door eigen schuld! was hij toen niet dikwijls nog

gelukkiger dan nu? Is het dan niet alsof de rust en kalmte der laatste

tien jaren, nu na dat huwelijk van Eva, een eind hebben genomen? Aan

wien zal men het wijten? Aan den braven dokter die Eva als zijn

oogappel bemint? Neen onmogelijk! Maar toch..... Ach, ware ze met

ziek geworden! zucht Armelo onder 't voorttreden in stilte; ware ze

zoo meer in "onzen doen" gebleven; muziekonderwijzeres geworden; en

was dan die goede Donerie niet zoo terughoudend geweest..... Maar, dat

alles is voorbij! En nu, 't is alsof er sinds dat huwelijk en sinds die

dwaze voorspiegeling van een graventitel vooral, een oude kwade geest

in huis is wakker geworden. Het geld van den generaal; het fortuin

van Helmond, en de adellijke titel, ze maken het oude hoofd van die

arme vrouw weer op hol. Heb ik Louise, dat goede eenvoudige kind, niet

bijna alle dagen met tranen in de oogen gezien, en was het mij dan niet

telkens alsof ik in een zwarten nacht staarde; alsof ik op een slagveld

was met kermenden en lijken overdekt, terwijl de raven akelig krasten

in 't rond? Dat beeld vervolgt me al meer en meer; en als ik wakker

lig, soms uren lang--terwijl ik in die laatste jaren weer zoo gerust

kon slapen--dan zie ik altijd en altijd weer datzelfde huis, dáár,

en schrikkelijk groote vlammen uit die vensters naar buiten slaan,

en dan hoor ik haar kermen en gillen: Vader, vader!--O God! En dan.....

"Guns Armelo, je loopt alsof je spelden zoekt;" klinkt het eensklaps

aan zijn zij; en Armelo schrikt op, en zet zijn kin in de stropdas,

want ja, zij heeft gelijk: als oud-soldaat mag die rug niet zoo krom

worden.--Maar, wie weet, _wie weet_ wát hij nog te dragen krijgt:

"Watblief Marie?"

"Dat je waarlijk je oudste schoenen hebt aangedaan."

"De oudste? Ik dacht dat het de nieuwe.... Ahja, nu zie ik ook...."

"Ze zijn bovenop in de buiging heelemaal kapot; je kous schijnt er

door. Zóó kun je niet meegaan, we moeten eerst weer...."

"Marie ben je mal! Eva zal dáár niet naar zien, en al deed ze het,

we hebben háár dunkt me in allerlei toilet gekend, van haar eerste

kreetjes afaan."

"Daar spreek ik niet van Armelo, maar een fatsoenlijk man, een man

van geboorte.... enfin zelfs een oud-militair loopt met geen kapotte

schoenen. Wat zou de majoor wel van je denken!"

"De majoor! dat is me vrij onverschillig. Je weet dat ik aan die

heele affaire niemendal hecht; tenminste...."

"Tenminste Armelo, zoolang we geen zekerheid hebben. Ik ken je,

mannetje, en zoo ben jelui mannen allemaal: schimpen op zoete

koek, maar, als ze 't trommeltje bij zich krijgen 't heelemaal leeg

eten--zoo ongemerkt!--Ik zou me schamen, in jou positie met kapotte

schoenen! Kom, ik heb quasi m'n zakdoek vergeten."

"Als ik nú weer mee naar huis terugga, Marie, dan kun je er _zeker_

van zijn, dat ik blijf waar ik ben.--Je weet wel dat ik toch al

moeielijk tot deze visite--of conferentie zooals jelui het noemt--te

bewegen was."

"Maar met zulke vieze kapotte hannekemaaiers op haar mooie tapijt!"

"Als je met de hannekemaaiers mijn _schoenen_ bedoelt, dan zeg ik

je dat je overdrijft; 't is er maar één, en waarlijk zoo erg niet;

de andere is nog heel."

"'t Staat arm man, armzalig! Maar als je in zoo'n dwarse bui bent,

dan zou je wezenlijk instaat zijn om thuis te blijven.... tenminste

't zou schrikkelijk laat worden.--Je houdt dan je rechter den

heelen tijd over je linker, op die plek, begrijp je Armelo. En nu,

in 's-hemelsnaam, niet dat lamentabele gezicht!--Kijk, daar staat

schoonzoon al voor 't raam. Hemel, wat een pracht van een huis!--Gauw

Armelo, zie eens op zij, ongemerkt: Zie me om de liefde eens hoe de

freules Van Winteren ons nakijken. Je kunt denken hoe het die dames

pikeert dat wij de hooge breede stoep van 't mooie oud-burge.... van

't nieuwe doktershuis opstappen."--Zij trekt aan de schel der huisdeur:

"Nu front naar de markt kapitein!"--en dan bij zich zelve: "Ziezoo

dames, als je wilt dan kun je ons nu uit de verte nog eens in onze

volle waarde genieten. Jawel kale jonkvrouwen met een heelen boel

verbeelding en wind op het lijf! hier staan wij; ik en m'n man; en we

gaan hier--om zoo te zeggen zoo goed als in ons eigen huis, en als

je maar geduld hebt, dan zie je mettertijd nog eens een heel ander

kroontje op de kaartjes van de familie Van Armeloo dan het magere

ding, waarmee jelui zoo'n laffen bluf maakt." Luide: "Och Armelo,

zie eens, zit m'n mantille wel recht? Trek hier 'en beetje. Man,

strijk je knevel toch op; en,--denk aan je schoen!"

Bus, de lange drankjesrondbrenger van dokter Helmond, die een soort

van "huisknechtelijk" voorkomen heeft gekregen--door een licht linnen

jasje met blauwe streepjes--opent de deur.

"Dag _Bosch_!--_Mijn kinderen_ thuis?" zegt mevrouw: "_Mijn zoon_

de dokter óók? Ha! le voola!"--Een enkelen keer--nochtans hoogst

zeldzaam--sprak mevrouw Armelo Fransch.--"Ha! Lieve Helmond! hoe

gaat het? Foei, kom je ons zelf in de gang ontvangen? foei!--Och,

je moet je om óns niets, niets ter wereld geneeren. Wij hebben zoo

volstrekt geen complimenten of aanmatiging, wij...."

Helmond die den zoen van zijn mama "recht hartelijk" heeft gevonden,

begroet intusschen zijn schoonvader met een trouwhartigen handdruk;

en dan:

"Wat! niet heel fiksch papa; moet ik u in den vijzel hebben?"

"O 't heeft niets te beteekenen," zegt Armelo: "van morgen een beetje

hoofdpijn."

"In den vijzel!" zegt mevrouw: "Helmond-lief, ik dacht dat je den

vijzel voorgoed...."

"Maar mama'tje, wie heeft _dát_ gezegd!"

"Gud! menheer Kippelaan zei...."

"Och vrouw, zwijg toch van Kippelaan, 't is 'en proppenschieter."

"Ga binnen; Eva wacht u;" zegt Helmond en doet de deur, waaruit hij

in het breede marmeren voorhuis kwam, wat verder open, en papa Armelo

treedt achter mama Armelo de Oranje-zaal binnen.

Eva heeft gewacht.

Als altijd schoon, ja schooner misschien dewijl het zwart barège kleed

haar blankheid te meer doet uitkomen, ligt Eva bij het binnentreden van

haar ouders, zeer gracelijk in een voltaire, met het hoofd achterover,

de fijne hand aan den kleinen mond, en den blik schuin terzijde

door 't venster in de blauwe lucht. Helmond begreep die houding

op dit oogenblik niet. Moest dat een klein ondeugend comediestukje

wezen? Was het om haar ouders stilzwijgend een raadseltje op te geven,

't raadseltje van twee is drie? Of Eva inderdaad iets van dien aard

bedoelde toen ze bij 't binnentreden der ouders--hoewel slechts

gedurende een ondeelbaar oogenblik--half liggend zitten bleef, of dat

zij misschien 't effect van haar Oranjezaal die nu kant en klaar was

door een gepaste stoffage,--een rustig figuurtje--wilde verhoogen,

wenschend dat men bij 't binnentreden een _indruk zou krijgen_

'tgeen onmogelijk was wanneer zij aanstonds ging opvliegen als een

schichtig konijn!?--Helmond gelooft het eerste. Eva zou hem, indien

hij 't haar later gevraagd had, waarschijnlijk geantwoord hebben:

Mijn hemel, wie kan nu van al die vluchtige gedachten en invallen

zoo haarfijn rekenschap geven? Ik zat zoo, mijn hemel, _ik zat zoo_!

Nu heeft ze de ouders begroet. Er is plaats genomen. Eva zet thee. Mama

Armelo komt aan het woord:

"Wij denken geheel eenstemmig _Eva_, en 't allerbeste zal dunkt me

zijn, dat we nu eerst eens bedaard den majoor af wachten.'t Verstand

van je lieven man, mijn besten zoon--ja ja Helmond, God weet hoe ik

dweep met je kennis en verstand; maar ik zeg Eva, er zijn wel eens

zaken die de vrouwen oneindig beter inzien. De majoor is een man die

zeer juist...."

"Och Marie, jij altijd met je verheerlijking van dien majoor!" roept

Armelo; en dan wat zachter: "Als Helmond zelf me niet had laten vragen

om de zoogenaamde explicatie van dat heerschap te komen aanhooren,

dan, neem me niet kwalijk, dan zou ik er vast voor bedankt hebben."

"Heb _ik_ u gevraagd....?" zegt Helmond en ziet Eva die naast hem zit,

van terzijde aan.

"Hé August-lief, weet je niet meer dat ik zei van _gisteren_,

en toen.... van _morgen_;" zegt Eva met een snel blosje, terwijl

ze met den rug van haar mooi blank handje even zijn wang streelt:

"en dat je het toen beter vondt om het vandaag te hebben. Weet je

niet meer August?"

"O ja, wat dat betreft in zoover heb je gelijk Eva." En dan tot den

schoonvader, waarschijnlijk met het doel om aan zijn interpellatie

voorgoed een eind te maken: "In onze waardeering van den majoor--hoewel

we hem eerlijk gezegd, nog weinig kennen--geloof ik niet dat we zoo

heel veel van elkander verschillen papa. Maar zonder te beslissen

of er iets van komen kan, zoo moet ik mama en Eva toestemmen, dat

de majoor zich de zaak waarlijk met den meesten ijver en belangeloos

heeft aangetrokken. De man verdient tenminste met eenige waardeering te

worden aangehoord; hij heeft zeker aanspraak op onze.... dankbaarheid."

Helmond had de laatste woorden met moeite en weerzin uitgebracht. De

dankbaarheid weegt hem pijnlijk zwaar.--'t Was alles, met die

verandering van woning enz. enz. alles zeer eenvoudig in zijn werk

gegaan. De notaris Zoutenheer heeft hem het geld bezorgd--zeer amikaal,

en 't is dus een zaak geheel tusschen hen beiden. Maar toch, was die

majoor niet inderdaad de man, die hem door zijn praatjes, in Eva's

tegenwoordigheid, het hoofd op hol heeft gebracht!--Helmond heeft geen

berouw van 'tgeen hij voor zijn vrouwtje deed; neen, straks nog heeft

hij het levendig gevoeld: 't was goed, en alles zou best terecht

komen. Maar, dat die persoon, die indringer, op zijn _handelen_

inderdaad invloed heeft uitgeoefend: dat die vreemde sinjeur door

den loop der omstandigheden geheel op de hoogte van Helmonds zaken

gekomen is, dewijl--zooals de notaris hem in vertrouwen meedeelde--de

majoor zelf een deel van het geld bezorgde waarmee hij geholpen werd;

dát, zie, dat alles heeft een weerzin tegen dien man bij hem verwekt,

een geheel anderen en veel sterkeren weerzin dan vroeger het uiterlijk

en de manieren van dien majoor, of wel zijn vrees voor den dood het

gedaan hebben. Nu echter zal Helmond dien weerzin moeten bestrijden,

omdat hij bij 't openbaren ervan het allereerst zijn eigen vonnis

zou hebben geveld.

De kapitein, die zich steeds vrijer tegenover zijn vrouw gevoelt

wanneer er heeren in 't gezelschap zijn, en zich nu vooral--onder

den machtigen indruk dat eens in deze zelfde kamer een Oranje heeft

gezeten--zonderling sterk en in zijn kracht gevoelt, de kapitein

herneemt terwijl hij zijn schoonzoon een sigaar presenteert--'tgeen

zijn vrouw de verkeerde wereld en bespottelijk vindt:

"Ik spreek het niet tegen Helmond, de man is almachtig gedienstig;

maar in dienst kenden ze geen dienst zonder commando."

"Och hoor je wel kind," fluistert mevrouw Armelo tot Eva: "papa

spreekt van zijn dienst alsof ie nog in 't volle vuur stond."

Eva glimlachte, maar zweeg.

"Ik hou niet van menschen," vervolgt de kapitein: "die zich ongevraagd

in onze zaken mengen. In 't jaar dertig...."

"Beste Armelo, die geschiedenis kennen we allemaal."

"Pardon mama, ik ken ze niet;" zegt Helmond, en luistert nu met geduld

naar het verhaal van den schoonvader, hoe deze namelijk indertijd met

een zeer indringend kameraad van 't "zesde" had gehandeld. Helmond,

echter al spoedig bemerkend dat hij reeds volkomen op de hoogte der

geschiedenis is, kan intusschen zoo van terzijde gedurig eens naar

Eva luisteren, om haar blijde instemming te vernemen met alles wat

mama vooral in deze zaal te roemen en te bewonderen vindt.

"Zoodat ik maar zeggen wil Helmond," vervolgt de kapitein: "dat ik

nooit op menschen gesteld ben, die je hun vriendschap zoo opdringen,

en voor niemendal alles voor je doen willen. Er wordt zoo weinig voor

niemendal gedaan in de wereld!"

"Je moet van middag maar niet te veel van papa verwachten Eva;

papa heeft de bokkepruik opgezet. Heb je niet Armelo? Och manlief,

ze staat je zoo leelijk. Jij kunt niemendal goeds van den majoor

hooren omdat ie majoor is, dáár zit 'em de knoop.--Wat zeg _jij_ kind?"

"Kom papa, zet uw grieven nu maar aan kant. We vinden menheer

Kartenglimp geen van allen een modelman, maar, zooals Helmond al

zei: wat ie voor ons doet dat is wel zeer beleefd, en ik verzoek u

dus tegen _mijn_ gast heel vriendelijk te zijn papa'tje. Mij dunkt,

u zult toch ook naar zijn verslag verlangen."

"Ja Armelo, dat dunkt me; tenminste...."

Armelo--'t is aan zijn gelaat te zien--zet er zich overheen:

"Verlangen? Nee Marie, nee! Of je me nu aankijkt of niet, ik zeg

je _nee_; ik verlang er niets naar; ik heb er geen oogenblik--nee

tenminste geen minuut naar verlangd. Ik zei van den beginne afaan

dat het gekheid, groote gekheid was."

"Dat heb je _niet_ Armelo lief; je hebt er wel degelijk in gegroeid:

je hebt in je handen gewreven. Niewaar Eva? Ik zie het nóg."

"Ja, u hadt er wel mee op papa. Misschien niet dadelijk, maar toen

u begreept...."

"Ik zeg je _nee_! Ik heb gelachen."

"Ja juist Armelo-lief, dat was het bewijs: je hebt gelachen."

"Maar duizend bommen en kanonnen, is lachen dan niet een bewijs..."

"Zeker pa, dat je ergens plezier in hebt."

"Of Eva, dat je iets _belachelijk_ vindt. Zieje, en ik lach inderdaad

om dat malle idee van dien adel. Heb ik het dan niet aanstonds gezegd:

al ware het zoo, wát zou ik met zoo'n titel doen; ik die met Gods

hulp nog werk heb om rond te komen."

"Chut, chut beste, je schreeuwt dat men 't buiten wel hooren kan."

"Dat komt omdat jij me zoo dikwijls overschreeuwt! Maar zieje, als men

er mij naar vraagt dan wil ik het zeggen: In den verstandigen tijd

dan eten we gewoonlijk moespot met een stukje vleesch of spek--of

_zonder_ als 't wezen moet; afgemarcheerd! We houden onze kleeren

tot ze 't verstellen niet meer waard zijn, en...."

"Maar Armelo, ik ken je niet meer! Man, je vergooit je...."

"Dan gaan we in 's-hemelsnaam allebei tegelijk!--De schoenen"--en

Armelo laat, doch niet zonder zekere zelfoverwinning zijn linkervoet

zien--"we dragen ze totdat ze versleten zijn."

"Maar dat is 'en schande!" roept mevrouw. En Eva het hoofd met

zekeren weerzin afwendend, zegt zacht in zich zelve: "C'est un peu

_trop_ fort!"

"U wilt maar zeggen papa, dat zulk een titel minder bij uw

tegenwoordige positie past," meent Helmond.

"Dát wil ik maar zeggen: dat, heel eenvoudig: en hoe belachelijk ik

het denkbeeld vind: dat ik een graaf zou wezen, en mama, de dochter

van een bakker, _gravin_! 't Is onzinnig!"

"Maar Heer in den hemel!" roept mevrouw met trillend hoofdgebaar:

"Een bakkersdochter! Alsof bijvoorbeeld _alle_ adellijke families

Bakker geen bakkers, of weet ik het wát anders geweest zijn! Ga jij

je gang maar Hanoversche boerenzeun.... ga jij...."

"Mama ik bid je," valt Eva in met hooggekleurden blos, nadat ze een

snellen blik op haar man heeft geworpen: "u moet je niet zenuwachtig

maken. We weten heel goed dat, onder andere, de eigen broer van úw

mama luitenant ter zee is geweest."

"Ja, ja juist!" stemt mevrouw: "dáár denkt men niet aan."

"Wat geeft dat!" zegt Armelo: "Ik, Harmen Pieter Armelo, ik ben van

boerenzoon wel kapitein geworden; maar wou je daarom nog een graaf

van me maken? Ik zeg je 't is onzinnig!"

"Papa, dát is het niet," zegt Eva eenigszins driftig, ofschoon

op een gansch anderen, oneindig gekuischter toon dan hare moeder:

"'t wordt dunkt mij _onverstandig_ om over de onmogelijkheid en de

onzinnigheid van iets te spreken, dat men niet onderzocht heeft en

waarvan de mogelijkheid door anderen in 't geheel niet zoo sterk

wordt betwijfeld."

--Aha, het kind leest hem de les! Moeders partij wordt krachtig

versterkt! Och 't zal nu maar beter zijn verder te zwijgen. Er

zijn vrouwen die altijd _altijd_ gelijk hebben; volkomen! al ziet

men ook klaar dat ze een kanon voor een trekpot houden. Zwijgen is

dikwijls verstandiger. Maar een enkele maal moet het pak eens van

't hart.--Helmond heeft nu tenminste gehoord hoe de oude man erover

denkt. En, al zal hij dan nooit in der eeuwigheid zulk een gekheid

goedkeuren, nú wil hij zwijgen.--Als het kind gaat meedoen..... en

vergeet....--Enfin, hij zal weer zwijgen, en luisteren. Welzeker!

"Drievierden van 't gezelschap papa, beschouwen als zeer wel mogelijk,

't geen ú zoo heelemaal verwerpt. Mama, Helmond en ik."--Mama geeft

teekenen van goedkeuring; Helmond tuurt op het gloeiende kooltje van

zijn sigaar onder de grauwe asch, en Armelo luistert:

"Wij met ons drieën verlangen te weten wát mijnheer Kartenglimp ons

zal meedeelen;" vervolgt Eva: "Na gehoord te hebben papa, kunnen we

oordeelen of de zaak mogelijk is. Als er werkelijk stukken zijn die

duidelijk aantoonen dat wij afstammen van de oude graven Van Armeloo,

en ons goed recht op dien titel alzoo te bewijzen is, dan zal ieder

verstandig mensch toestemmen...."

"Welzeker!" komt mevrouw tusschenbeiden.

"Toestemmen dat men zoo iets _niet_ mag prijsgeven; dan zal men...."

"Ja maar Eva," valt Helmond in: "papa oppert alleen het groote bezwaar

dat men als _graaf_, heel anders dan als eenvoudig gepensioneerd

kapitein voor den dag dient te komen. Papa begrijpt....."

"Papa begrijpt de zaak geheel en al verkeerd, evenals jij lieve

man....."

Mevrouw Armelo bijt, hoofdknikkend, op den nagel van haar duim.

"Ronduit gezegd, hij voelt niet dat een graaf, die bijvoorbeeld niets

meer dan roggebrood heeft, toch inderdaad een heel ander mensch is

dan een burgerman in dezelfde omstandigheid. Met honderd voorbeelden

zou ik dat kunnen bewijzen."

"O, desnoods met duizend;" stemt mevrouw.

"Om iemand te noemen," hervat Eva: "was Karel V geen keizer meer toen

hij in zijn klooster horloges maakte?"

"Me dunkt 't," zegt mevrouw, ofschoon ze inderdaad dien vijfden Karel

niet zoo spoedig te plaatsen weet.

"Daar heb je Napoleon," vervolgt Eva met vuur: "was die op St.-Helena

de groote keizer niet meer? Was Marie Antoinette zelfs onder

beulshanden niet _koningin_? Waren....."

"Eva, je moet je niet zoo opwinden," zegt Helmond met een vriendelijk

dreigen: "we begrijpen wat je bedoelt, maar waarlijk je slaat met

die voorbeelden mis. In 't klooster was Karel zoomin _werkelijk_

keizer als Napoleon het was op St.-Helena, of de ongelukkige Marie

Antoinette koningin op het bloedig schavot."

"Maar Helmond, begrijp jij, _jij_ dan ook niet dat _waarachtige_,

dat _hoogere_ van den adelstand? dat het iets aangeborens is, iets...."

"Onafneembaars," vervolgt mevrouw Armelo: "iets wat er nooit uitgaat,

wat er altijd in blijft, totdat....."

"Totdat het verzuurt misschien!" mompelt de kapitein onhoorbaar.

"Ik begrijp wat u zeggen wilt mama," valt Helmond haastig in: "maar

dan zouden we bijna evengoed kunnen stellen dat Sixtus V, als paus,

eigenlijk nog veehoeder, of Benedictus XII in die hooge waardigheid

nog molenaar was."

"Je bent onaardig Helmond, heel onaardig, en dat in presentie van

mijn ouders!"

"Ik ben 't niet Eva. Misschien begrijp je 't verkeerd; ik sta tusschen

de partijen in. Met mama en met jou ben ik het eens, dat Kartenglimp

eerst moet gehoord worden. Zoodra het _waar_ blijkt te zijn wat hij

als _zeker_ stelt--'t geen ik betwijfel--dán kunnen we nog nader

beoordeelen of niet inderdaad de inzichten van papa de beste zijn,

en....."

"Dáár moet het heen, welzeker!" roept Eva, terwijl tranen van spijt

haar in de oogen springen: "'t Mankeert er maar aan August, dat jij

papa gaat stijven in zijn.... ja al heel weinig militaire opvatting;

in een bekrompenheid waaraan ik geen naam weet te geven. Diezelfde

bekrompenheid....."

--Zwijg Armelo, zwijg, vermaant de ex-kapitein zich zelven in stilte:

je hebt straks genoeg gezegd. Als jij spreekt dan zal 't vuur van

een anderen kant nog feller gaan opvlammen.--Goed zoo kind! denkt hij

terwijl Eva verder spreekt: ga jij zoo maar voort. Ik ben niets meer

dan _je vader_; och nee, een door eigen schuld vernederd en bekrompen

vader. Goed zoo, diezelfde bekrompenheid zal papa doen voorbijzien

wat hij aan zijn kinderen is verschuldigd, en dat hij als man, als

hoofd van zijn geslacht, verplicht is om zijn recht in de wereld--ha,

zijn _recht_!--'t koste wat het wil, te hernemen.

"'t Is als de dag!" zegt mevrouw.

"En," gaat Eva voort: "dat het aan een dochter, die tenminste een

aristocratisch hart bezit, dat het aan háár als 't ware een roof zou

wezen....."--Goed zoo kind.... een vader die je besteelt!

"Ik zeg August _een roof_, als hij _niet_ deed wat zijn plicht is in

't belang van de zijnen. Men verzaakt niet _altijd_ zijn plicht...."

--O God, dat is te veel! dát van haar, van Eva _zijn kind_! Maar

blijf zwijgen Armelo, zwijgen; toon om Gods wil niet dat je zoo iets

_begrijpt_. Ze heeft het zóó niet bedoeld. Neen, je kind, je oudste,

heeft dát niet willen zeggen. Zwijg! aan 't beven van je stem zouden

ze 't merken.... Raap dat pluisje van den grond, want..... aan je

oogen kunnen ze zien dat er iets naar boven dringt.--Zeker, als hij nu

sprak hij zou zich niet goedhouden, hij zou 't uitbarsten misschien. O

God! zulk een verwijt van _háár_!... Stil--stil!--Goddank! daar wordt

gescheld. Dat geeft afleiding. Goddank!

"Nee, niemendal, Helmond;" zegt Armelo nog met het hoofd naar omlaag:

"Ik dacht dat ik daar iets op 't tapijt zag liggen.... dáár.... maar

't is niets.... O zoo, is de majoor er. Ei zoo!"

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 46 / 85 题