't Was Augustus.--Reeds sedert eenige dagen hebben Helmond en Eva
hun nieuwe woning betrokken.
Inderdaad, het deftige oud-burgemeestershuis was prachtig opgeknapt,
zoowel vanbuiten als vanbinnen. Ja, en men komt zoo van 't een op
't ander. De stadstimmerman beweerde dat dokter het huis "schandekoop
had: tweeduizend gulden voor reperaties--met de serre, waar mevrouw
zoo'n zin in heeft gehad erbij--'t was hem wel driehonderd gulden
meegevallen. Zoo goed als present!"
De zaal, waarin Helmond en zijn vrouw zich op dit oogenblik bevinden,
is de kleinste der beide zalen in het huis, en werd de Oranjezaal
genoemd sedert Koning Willem I er op zekere doorreis, bij den
voormaligen hoogadellijken burgemeester een collation gebruikte.
Eva heeft aanstonds een bijzonder zwak voor deze zaal gehad. Het
prachtige stukadoorwerk met zijn fiks gesneden cherubs; de
fraai geschilderde doeken aan den wand--Arkadische landschappen
voorstellend: de hooge zeer kunstig gebeeldhouwde schoorsteenmantel,
met zijn prachtig wit marmeren beeldengroep in 't midden en een paar
wapenschilden in 't lofwerk erboven, dit alles heeft Eva van het
eerste oogenblik afaan ten zeerste bekoord.
En dan, niet al te groot en daardoor ongezellig: een vroolijk
uitzicht hebbend op het ruime marktplein met de frisch groene linde-
en kastanjeboomen; zóó, keurig gemeubileerd, was het niet vreemd dat
Eva de Oranjezaal tot het vertrek heeft gekozen, waar ze het meest
vertoeven en haar vrienden ontvangen zal.
Ja zelfs August, die in den laatsten tijd wel wat somber en
afgetrokken was--"geen wonder na de infame behandeling van den
ouden despoot"--zelfs August die eerst in de onaangename bui drie
stuks meubels voor de Oranjezaal onbarmhartig van het lijstje had
geschrapt, hij stond verrukt toen hij voor 't eerst een kijkje mocht
nemen, en zijn Eva met een kus moest toestemmen, dat, zonder de drie
stuks--die ze natuurlijk tóch maar komen liet--het geheel lang niet
zóó zou voldaan hebben.
Weinige oogenblikken geleden heeft Helmond een boodschap van zekeren
boer Bikkers ontvangen, om aanstonds op _De Schebbelaar_ te komen.
Dat verzoek kwam zeer ongelegen. Dokter Helmond heeft het dezen morgen
zóó met zijne visites geregeld dat hij den namiddag vrij had.--Het
theegoed stond reeds gereed; men wachtte behalve papa en mama Armelo,
den majoor Kartenglimp, die den uitslag zijner nasporingen betreffende
de veronderstelde afstamming der kapiteinsfamilie van de graven Van
Armeloo, zou komen meedeelen.
"Ja August, 't zou al heel onredelijk van me zijn indien ik niet
volmondig toestemde, dat je als een lieve brave man hebt woord
gehouden. Welzeker heb je getoond dat ik je _onverdeelde_ liefde bezit,
ja, door alles te doen wat mij genoegen kon geven, wanneer het namelijk
niet in strijd was met je plicht. Maar mij dunkt, je neemt het nu met
dien plicht wat al te zwaar. Of je een paar uur vroeger of later naar
dien boer gaat, dat zal zooveel niet uitmaken. Aanstonds zullen de
oudelui en de majoor hier zijn. Je dient er toch bij te wezen August,
en 't zou me bepaald een groot verdriet doen als je nu heengingt."
"_De Schebbelaar_ ligt een heel eind buiten de stad Eva. Men kan niet
weten; misschien is er werkelijk haast bij."
"Die menschen hebben _altijd_ haast August."
"'t Is waar, de boer wacht langer met den dokter te roepen, dan hij
_zelf_ wachten wil. Indien ik wist dat Kartenglimps verslag wat spoedig
afliep...." Hij ziet naar de pendule; "Maar nee 't is toch beter....."
"We kunnen hem immers zeggen dat je wat haast hebt, en later neem je
een vigilante."
"Nee Eva, _vigilantes_ nemen dat kan en wil ik niet, dan zou ik zelf
op die visite een gulden toegeven."
"Och arm _arm_ mannetje!" zegt Eva; en opstaande komt ze aan zijn
zij, en hem zacht onder de kin strijkend, vleit ze met zoete stem:
"Zal dat nu altijd zoo blijven?"
"Wat meen je lieve kind?"
"Nu ja, wát meen ik.... Niet boos worden August!"
"Boos....? Geef ik zooveel reden om dat te vreezen?"
"Nee zeker niet. Maar...." Aarzelend: "We zijn immers één als man en
vrouw; en waarom dan altijd die achterhoudendheid! Toen je mij 't eerst
van liefde hebt gesproken, toen vroeg ik er niet naar of je..... rijk
waart; maar, nu ik het weet--ja natuurlijk, ik weet het--nu moest
je vis-à-vis je eigen vrouw dat vertoon van armoede, of wat er naar
zweemt, toch laten varen.--Is het uit vrees August, dat ik op den duur
wat veeleischend zal worden? O, geloof me, wanneer je mij in _alles_
je vertrouwen woudt schenken, dan zou je me waarschijnlijk al gauw
moeten opdringen wat ik nu onstuimig begeeren blijf." Hem liefkoozend:
"We dokteren zoo wat voor liefhebberij.... hé....? en hebben fortuin,
nog al _veel_ fortuin....?"
"_Ik_, Eva, _ik_?"
"Nu ja, van _mijn_ kant is er geen quaestie van. Pa en ma hebben
geen sous; en tante in Den Haag heeft haar fortuintje in een
levensverzekering gestoken. Als de goeje ziel morgen sterft: La bonne
nuit ses écus!"
"Nee Eva, je bedriegt je; ik heb geen...."
Eva legt hem snel de hand op den mond: "Stil, niet jokken. Foei,
die guldens- en stuiversberekeningen á la Zonsberg, zouden den
besten en verstandigsten mensch van de wereld ten laatste in de
war brengen. Wat je me verbergt, je doet het op aanraden van het
gepensionneerd reliek...."
"Eva! zóó niet!"
"Pardon, op aanraden van Rechtsomkeert met de leege tasch,
marsch! Volgens het mooie systeem: Eet alle dagen beschimmeld
roggebrood zoo hard als een keisteen, dan zal beschimmeld wittebrood
zoo hard als een baksteen, taart of pastei voor je wezen."
"Eva, Eva!"
"Heb ik er iets aan miszegd, lieve August, dat ik je voor den besten
verstandigsten man van de wereld houd--met een klein deukje door
een schriele opvoeding misschien?--Toen we op de catechisatie eens
den tekst behandelden: "Geldgierigheid is de wortel van alle kwaad,"
toen heb _ik_ er tegenover-gesteld: "Royaliteit is de moeder van alle
deugd," en, dominee en al de meisjes hebben er toen met sympathie
om gelachen. Jij bent au fond royaal mijn beste man, ik weet het
bij ondervinding; maar zeg dan nu ook ronduit dat je die dubbeltjes-
en centen-uitzuinigings-manie zult zien af te leeren; dat past niet
wanneer men...."
"Maar Eva, ik bezweer je...."
"Tuterletuterletu!" roept Eva zoo hard mogelijk, als wilde zij een
valschen eed voorkomen. En dan vleiend: "August, als je me nu waarlijk
liefhebt, veins dan niet langer. Of je arm of rijk bent, ik heb er je
even lief om, dat weet je; maar, nu je het _bent_, toon me nu ook, door
het te erkennen, dat je me heelemaal vertrouwt. Als je het _niet_ waart
dan zou je immers wel de domste man van de wereld moeten zijn. Welk
verstandig mensch zou er huizen koopen zooals dit, en het meubileeren
zooals wij deden, wanneer hij er niet zeer warmpjes inzat. O, ik heb
het al begrepen toen je in Parijs, voor mijn toilet en diamanten,
zooveel meer kondt uitgeven dan het totaal van je reisgeld bedroeg!"
't Was Helmond bij Eva's laatste woorden alsof hij door een wesp werd
gestoken.--Dát was te veel!
Alleen ter wille van háár wier oog hem liefdevol moet toelachen,
aan wier boezem hij zoo gaarne rust, en van wier heerlijk mondje
hij zoo graag een zoeten kus ontvangt, slechts om haar gelukkig en
tevreden te zien, heeft hij dat fatale woord gehouden, en, toegegeven,
telkens meer. En nu zegt hem diezelfde mond dat hij een dwaas zou
zijn geweest indien hij, zonder de middelen ertoe te bezitten, dat
alles had ingewilligd; Een onverstandig, een _dom_, een _zeer dom_ man!
--Maar was hij dat inderdaad? Heeft hij dan niet werkelijk een kleinen,
spaarpot gehad, waarmee hij nooit heeft willen pralen, maar die
hem instaat zou stellen om het dierbare wezen, dat hem geheel wilde
toebehooren, als op rozen te doen gaan in de zoetste levensdagen--de
eerste van een zaligen echt?--Toen was hij dan toch geen dwaas en
onverstandig man, al heeft hij in die luttele dagen wat heel veel
geld uitgegeven.--En later?--Ja ja Helmond! fluistert het vanbinnen:
Ja, later!
--Maar, neen! nog eens _neen_! Hij is er immers gerust op
geworden. Voor zooveel de notaris mocht laten blijken, is er sedert het
gebeurde met Philip geen wijziging in het testament van den pleegvader
gebracht. En heeft men dan inderdaad geen fortuin, wanneer men het
later met eenige zekerheid verwachten mag? En bovendien al moest dat
uitzicht in damp vervliegen--en zoo waar als er een God is, en zoo
waar als hij den grijzen pleegvader altijd zal.... achten, zoo waar
zal hij niet speculeeren op een vermogen, waarop hij inderdaad geen
recht heeft--neen, al moest dat uitzicht geheel verdwijnen, indien
hem 't leven en de kracht gespaard worden, dan kan hij, na een zestal
jaren, die tot heden gemaakte schulden reeds hebben ingehaald.
--Een man als hij: een dokter wiens praktijk dagelijks toeneemt en
zeer winstgevend mag heeten, hij kan waarachtig zeggen: _fortuin
te bezitten_. En zie dan Helmond, hoe die schrandere zielvolle
oogen je aanstaren. Zal hij voortaan een _onverstandig_ man zijn
in _zulke_ heerlijke oogen!--Zou hij niet door te bekennen, de
achting waarop hij aanspraak heeft verliezen, en bovendien zijn
zedelijk overwicht.... 'twelk hij voortaan wat meer zal weten te
handhaven! Inderdaad, met het oog op dit alles, mag bij immers zijn
Eva toestemmen, dat hij niet de domme onverstandige man is, die een
huis koopt en het prachtig meubileert zonder het te kunnen betalen.
Na een korte weifeling zegt Helmond:
"Nu ja kindlief, 't spreekt vanzelf. Zou ik zoo iets gedaan hebben
indien ik 't niet doen kon! Maar toch...."
"Bravo, bravo!" valt Eva in: "dat heet nu waarlijk lief hebben,
en zijn vrouw als zijn ander ik beschouwen. Zie, dát moest ik maar
zeker, _heel zeker_ weten: mijn beste man deed niets wat hij niet doen
kon. 't Blijft me even onverschillig August, _hoeveel_ we hebben in
de wereld. Ik weet genoeg, en ben recht tevreden. Maar mannetjelief,
tob dan ook over geen gulden meer, als je om mij genoegen te doen,
die visite wat later per vigilante kunt maken. Zeg, zul je blijven
August? De zaak is immers belangrijk genoeg?"
August stond met den rug naar Eva gekeerd in een boek te bladeren.--Hij
heeft haar bedrogen, hij heeft haar gezegd dat hij.... als een
verstandig man handelde, toen hij inderdaad maar al te dikwijls aan
haar dwaze wenschen het oor leende. Zal hij haar nu een vermaning
geven; haar nog eens het oude lied herhalen....? Neen! Maar toch:
"Eva, al is het dan waar dat ik vóór ons trouwen misschien iets
terzij had gelegd, vergeet niet dat zelfs de verstandigste man door
de omstandigheden zijn verstand kan verliezen, en.... dat na alles wat
we reeds uitgaven, ijver en zuinigheid _waarachtig boven alles plicht
is_.--Nu ja, wat de conferentie betreft, ik zal ze bijwonen. 't Zou
niet aardig voor je zijn wanneer ik al dadelijk heenging; maar zoo
spoedig mogelijk zal ik dan toch naar mijn zieke wandelen. Ja zeker
_wandelen_ Eva, al wordt het wat laat."
"Och mijn lieve beste August!" vleit Eva met een zoen; en dan
vroolijk: "Wacht, om je te toonen hoe lief ik je vind, zal
ik je nog maar eens dadelijk laten hooren dat mijn Erard hier
uitmuntend voldoet.--Zingen? Ja zeker, zingen zal ik erbij, als je dat
wilt. Wacht! een aardig lied, dat mij juist zooeven uit vroeger tijd te
binnen viel. Zieje wel manlief, dat ik waarheid sprak toen ik je zei,
dat ik hier in ons ruimer huis weer heel veel spelen en zingen zou?"
Eva's slanke gestalte zweeft naar haar kostbaar instrument;
en, nadat ze al ras met groote kunstvaardigheid en kracht een
wegsleepend praeludium deed hooren, zingt ze nu met haar overheerlijk
sopraangeluid:
Vraag aan den nachtegaal toch niet,
Als hij zijn plechtig avondlied
Zoo rein welluidend klinken doet:
"Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon
"Een stem zoo schoon,
"Zoo wonderzoet?"
Laat toch het vogeltje ongestoord
Maar jubelen met vol accoord,
Wat ook natuur ten loon u biedt,
Haar _eêlste_ gaven schenkt ze om niet!
Vraag aan het bloeiend roosje niet,
Als gij haar lieflijk blozen ziet,
En ze u bekoort door zachten gloed:
"Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon
"Een kleed zoo schoon,
"Een geur zoo zoet?"
Laat toch het roosjen ongestoord;
Van arbeid heeft net nooit gehoord.
Wat ook natuur ten loon u biedt
Haar _eêlste_ gaven schenkt ze om niet!
Nu Eva zwijgt en de slotaccoorden reeds wegsterven, nu staat Helmond
daar nog sprakeloos, doch met een glans van verrukking op zijn
mannelijk schoon gelaat. Hij denkt er niet aan dat Eva misschien
als tegenhanger van 'tgeen hij daar straks had gesproken, dit bijna
vergeten lied gezongen heeft, 't Sloeg ook wat al te weinig op 'tgeen
hij bedoelde. Maar ja, ja zeker: "Natuur schenkt haar eêlste gaven om
niet!"--Groote God, is het werkelijk zijn vrouw, zijn _eigen_ vrouw,
die daar zoo heerlijk, zoo betooverend schoon heeft gezongen? Ze heeft
woord gehouden; hier, waar het ruim hoog en niet vochtig is, hier
zingt en speelt ze; hier leeft ze weer op; hier wil en zal ze gelukkig
zijn met hem, en met haar prachtig talent. Reeds vier malen zong ze in
deze zaal, maar zóó heerlijk, zóó onuitsprekelijk betooverend schoon,
neen, zóó kan ze zelfs voorheen nooit hebben gezongen:
"Eva.... nóg eens, ik bid je, engel! nóg eens!" dringt Helmond met
denzelfden blik vol verrukking, terwijl hij schier aarzelend zijn
hand op haar schouder drukt: "Ja waarachtig: Natuur schenkt haar
eêlste gaven om niet!"
"Bevalt het je lieve man? Komaan!" En weder zingt Eva het eerste
couplet, waarin men nu werkelijk den reinen nachtegaalstoon kan
herkennen.
En August, hij voelt een heeten gloed naar het voorhoofd stijgen.--Een
talent als het hare, waarvan misschien de gansche wereld als van een
Jenny Lind of een Patti kon hebben gewaagd, zulk een talent heeft
zich aan hém, een eenvoudigen stadsdokter, overgegeven, geheel en al,
met hart en ziel! En zulk eene heeft hij willen kerkeren in bedompte
lage naargeestige vertrekken. En dan--deze eenige onder de Romphuizer
vrouwen, zou men miskennen en beleedigen durven! Zulk eene zou niet
de eerste en eenige blijven! Ja, zoo waar als God leeft, zweert August
bij zich zelven, terwijl nogmaals de laatste tonen wegsterven van die
wonderschoone melodie: ik zal haar in eere houden zooals ze _verdient_!