Op _De Poel_ werd dokter Helmond met blijde aangezichten
ontvangen. Archibald was veel beter. De ongesteldheid is niet
van zooveel beteekenis geweest als het zich in den beginne liet
aanzien. 't Viel ook Helmond mee dat hij den luitenant reeds buiten
't bed en bijna zonder pijn vond.
"Mijn waarde dokter, je bent al te menschlievend;" riep Archibald hem
bij 't binnenkomen toe: "'t Is immers geen gebruik om zijn patiënten
met één visite weer beter te maken. 'k Geloof waarachtig dat er
geen treurspel meer zou mogelijk zijn, als ze er ú in de laatste
akte maar even bijriepen. Mama wil me van pure blijdschap een glas
advocatenborrel maken, maar...."
"Guns Archibald, hoe kom je er aan?"
"Ja hóe ik er áánkom dat vraag ik ook; tenminste als ik u zulk een
bedenkelijk gezicht zie zetten. Enfin, dokter Helmond zal misschien
liever een glas port drinken."
Terwijl Debecque om den port schelt, zegt mevrouw met iets angstigs:
"Ja maar, jij lieve Archibald, jij moogt daar niet aan denken."
"'t Zou ook wat erg zijn luitenant, als u mijn wonderlikeur nu al
voor iets anders liet staan."
"Dat is een waar woord! Komaan dan mama'tje, versez à tasse
pleine!" Maar als de vroolijke patiënt reeds de medicijnflesch vat,
dan treedt de moeder haastig toe om hem die te ontnemen, want:
"Voorzichtig, voorzichtig! _Om de twee uren een lepel_ staat er op
het briefje, en 't is nu nog drie minuten te vroeg."
De vernieuwde kennismaking met den zoon der Debecque's heeft Helmond
een aangename afleiding bezorgd:
"'t Is een zeer opgeruimd, recht prettig mensch;" zegt hij tot den
ouden baron, die hem straks uitgeleide doet: "'t Gezelschap van den
jonker zal zeker voor mevrouw zeer heilzaam wezen."
"Ja zeker, Archibald weet best met haar om te springen."
"De jonker is de eenige zoon uit mevrouws eerste huwelijk nie-waar?"
"Juist! maar daarom nog geen _jonker_ dokter. 't Maakt niet uit,
natuurlijk; maar hij is niet van adel.--Ja waarachtig, ik heb wel
eens gedacht: als ik den snaak mijn naam liet aannemen dan konden we
hem misschien mettertijd nog baron maken ook. Je ziet me verwonderd
aan. Ja Helmond, ik weet wel dat een knappe burgerkrullebol met
fortuin, evengoed het mooiste meisje van 't land aan z'n hart zal
kunnen drukken als een baron; maar, wat zal ik je zeggen: we zijn
nu eenmaal wat bekrompen op dat punt; en lach dan binnenskamers om
titels en eerelinten zooveel je wilt, 't publiek ziet er iets in,
dat je niet weg kunt praten: Je hebt een pré.--Au fond sta jij, met je
wetenschap, hooger--jawel, sans compliments, oneindig veel hooger. En
Archibald--knappe jongen! een der eersten te Breda--hij beteekent
duizendmaal meer dan een massa adellijke non-valeurs. Maar toch,
au bout du compte, je blijft als baron altijd aan 't langste eind."
"Maar mijnheer Debecque," valt Helmond in, terwijl hij in de breede
vestibule stilstaande, met eenigszins saamgetrokken wenkbrauwen het
fijnbesneden gelaat van den kleinen ouden baron nauwkeurig schijnt
op te nemen: "u zegt, als ik wel versta, dat de luitenant uw naam
zou kunnen aannemen, en dat hij dan......."
"Welzeker!... Maar kom binnen. Hier.... hier asjeblieft.--Zieje, ik
heb geen eigen zoons; en de naam Hardenborg-Debecque van _De Poel_
en _Hoeversathe_, klinkt niet onaardig."
"En zal hij dan uw adellijken titel daarbij kunnen krijgen? Ik dacht
dat zoo iets onmogelijk was."
"Onmogelijk! Parbleu, wàt is onmogelijk! Sedert het koningschap
m'n vrind, doe je met geld en goede woorden een heelen boel in ons
land. Vanwaar anders je nieuwe adel?"
"'t Is waar;" zegt Helmond.
"Nu ja, hij beteekent niet veel; maar het "juger les choses", en
dus ook "les _titres_ d'aprés leurs dates", is nog geen algemeen
gebruik. En wat Archibald betreft, hij zou als een Debecque aanstonds
tot den goeden adel behooren.--Maar parbleu, hoe komen we op dit
chapitre? Mijn beste dokter moet wel denken dat de oude man aan
't verkindschen raakt, daar hij zich zoo vermeidt in den glans van
't wereldsche klatergoud."
"Nee, ik begrijp me zeer goed dat het niet onverschillig is of men
zijn naam...."
"Niewaar, dat is de zaak! Je wilt dat je naam zal in stand
blijven. Mijn beide vrouwen hebben het hare er niet toe
gedaan. Archibald houdt van me alsof ik z'n eigen vader was. Enfin,
enfin, 't zijn van die opwellingen, van die passe-temps. Pardon, dat
ik je zoo lang er mee lastig viel. Wat jou betreft Helmond, jij moet
een boek schrijven, waarachtig! over pokken of mazelen, 't doet er
niet toe. 'k Bezorg je "de Leeuw!" 'k Heb connecties in overvloed,
en, met capaciteiten als de uwe is er geen quaestie van! A propos,
ik hoop dat je toch nog eens naar m'n woelwater zult komen zien? 't
Spijt me dat we daardoor je charmant lief vrouwtje wat veel van je
gezelschap berooven, maar, als we haar onze opwachting gemaakt hebben,
dan breng je haar later eens mee niewaar? Hoe meer hoe liever."
Nog vóórdat Helmond zijn bezoek op _De Poel_ bracht, heeft hij
gelegenheid gevonden om Jacoba's brief te lezen, die hem na langen
tijd zwervens, dezen morgen door Eva geworden is.
De inhoud van dien brief heeft hem krachtig in zijn vermoeden
versterkt. Jacoba's dringende bede aan haar geliefden pleegbroeder,
om toch zoo spoedig mogelijk uit Parijs terug te komen, moest een
anderen grond gehad hebben dan vrees voor eigen gezondheid. De altijd
zich zelf beheerschende, zich zelf verloochenende Coba, hoe! zou ze
alleen uit angst voor eigen welzijn, een gelukkig echtpaar, reeds bij
hun eerste schreden op het huwelijkspad, den voet hebben dwarsgezet? 't
Was onmogelijk!--Maar ook, de dwaze onderstelling van tante Hermine,
als zou Jacoba's zenuwlijden het gevolg zijn van een, door hém
teleurgestelde liefde....? August meent juist in dezen brief het bewijs
van de ongerijmdheid dier onderstelling te vinden. Immers, gesteld
eens dat Coba zulk een liefde had bestreden en geheel onderdrukt,
zou dan het meisje, dat nooit door woord of blik haar hartsgeheim
verried; dat zelfs den vriend als bruidegom haar bloemruikers heeft
gemaakt, en hem aan de zij van zijn jonge vrouw een hartelijken
heilwensch heeft toegebracht,--zou datzelfde meisje zich dermate
kunnen vergeten dat zij hem reeds een paar dagen later, onder 't
voorwendsel eener ernstige ongesteldheid, tot een terugkeeren in haar
nabijheid te bewegen zocht? Neen, dat is volstrekt onmogelijk en geheel
onbestaanbaar met Coba's karakter. August verstaat dien brief. De
luchtige toon waarop zij over "den armen sukkel" Donerie schrijft;
't verzoek, dat Helmond als reden van zijn vervroegde terugkomst
de ziekte van "den waarlijk niet ontalentvollen muziekmeester"
zal opgeven, "den stumper die in de kerk nog zoo zijn best deed;"
dat alles in verband gebracht met het gebeurde in de woning van den
timmerman Krul, maar ook vooral met Coba's hevige zenuwaandoening
toen ze gisterenavond zoo geheel onverwacht de melodie hoorde spelen,
welke Herman Donerie bij de woorden van een Duitsch lied componeerde,
dit alles versterkt hem in de overtuiging, dat Coba dien brief had
geschreven en zich daarin zoo ernstig ziek heeft gemeld, teneinde hem
tot een onverwijlde terugkomst te noodzaken, opdat hij den jongeling
dien ze in stilte beminde, zoo mogelijk nog in 't leven behouden mocht.
En Herman Donerie is gestorven, en Coba treurt en lijdt in stilte. Maar
Gode zij dank! nu is er nog genezing voor haar mogelijk: nu immers zal
de tijd haar wonde--ofschoon dan langzaam misschien--toch heelen in
't eind.
--En ook, de tijd moet de verbroken harmonie tusschen het doktershuis
en _De Zonsberg_ herstellen! Ja voorzeker, wanneer de oom zal erkend
hebben dat de pleegzoon, Jacoba nooit van iets onedels betichtte;
maar nog veel minder dat hij haar ooit reden heeft gegeven om iets meer
van hem te verwachten dan trouwe broederliefde. En wanneer die oom dan
bovendien in 't eind zal bemerken dat August met zijn Eva gelukkig is;
dat zij inderdaad zoo oneindig veel goeds heeft, en begint in te zien
dat hij ten opzichte van zijn beminden pleegzoon _niet_ zoo royaal
en niet zoo heusch is geweest als passend zou wezen voor iemand van
_zijn_ stand en fortuin, dan....
Eensklaps tikt Helmond vrij hard tegen het voorglas der coupee,
waarmede men hem naar de stad terugrijdt. De koetsier ziet om. Een
oogenblik later staat het rijtuig stil, en de dokter springt er
uit. Zooeven was men twee dames voorbijgereden. Helmond had ze herkend,
en terwijl nu de coupee naar _De Poel_ terugkeert, wandelt August
met tante Hermine en Jacoba Van Barneveld naar den kant van het stadje.
Aan mevrouw Mansburg is het blosje niet ontgaan, 'twelk bij Helmonds
onverwachte verschijning vluchtig de bleeke wang van Jacoba heeft
gekleurd, en tante vindt er alweder de bevestiging in van haar
"diep treurig" vermoeden.--Helmond echter heeft in het blosje van
een zenuwachtig meisje, en vooral na 'tgeen er gisteren gebeurde,
niets vreemds gevonden. Hij wenschte van Coba te hooren of ze zich
beter gevoelde, en hoe oom het maakte. Straks was hij in tweestrijd
met zich zelf geweest of hij even enpassant _De Zonsberg_ zou aandoen,
maar, had ervan afgezien.
Op zachten toon is mevrouw Mansburg toen met de opmerking ingevallen,
dat Helmond maar goed heeft gedaan met nog niet zoo spoedig te
komen. Alexander was een beetje ontstemd. Men kon niet alles zeggen
zonder spreken; maar Helmond zou wel begrijpen waarom.
Welzeker, Helmond begreep het; en hij begrijpt ook dat tante al
spoedig den voorslag aan nicht Coba doet, om nu maar terug te keeren:
't was wel wat warm op den weg, en Coba moest zich ontzien.
Maar tante kreeg haar zin niet. Jacoba heeft haar pleegbroeder te lief,
dan dat ze hem geen deelgenoot zou maken van 'tgeen ze weet dat hem
om harentwil zal verheugen. Maar ook, terwijl de vrees haar heeft
gekweld, of Helmond, na 't gebeurde gisterenavond op _De Zonsberg_,
misschien iets van haar hartsgeheim geraden had, zoo acht ze nu deze
ontmoeting te schoon dan dat ze er geen partij van zou trekken teneinde
hem dat vermoeden geheel te benemen.
"Nee tante, ik wil veel liever nog een eindje meewandelen;" zegt ze zoo
levendig als haar mogelijk is: "August moet het goede nieuws hooren."
"Ei, goed nieuws Coba?"
"Zeker. Toen ik van morgen wakker werd en de zon zoo vriendelijk zag
schijnen, toen voelde ik mij eensklaps zoo verruimd en gesterkt, alsof
mij in den laatsten tijd volstrekt niets gedeerd had. Niewaar tante?"
"Ja, je hebt het tenminste dadelijk gezegd Coba."
"Nog vóór het ontbijt was ik al beneden, en vroeg aan pa of hij dat
plan van _De Godesberg_ niet zou willen opgeven, wanneer hij werkelijk
zag dat ik beter werd. En--papa heeft het dadelijk toegestaan!"
"Ja lieve Coba," valt de tante in: "dat was een beetje heel zwak van
papa. Wanneer Alexander niet zoo slecht geslapen en zich zoo moe had
gevoeld, dan zou hij ook zeker niet zoo spoedig hebben toegegeven. 't
Was onverstandig."
"Onverstandig? Ik betwijfel dat tante;" zegt Helmond.
Mevrouw Mansburg prevelt weer onhoorbaar dat men helaas zonder spreken
niet alles zeggen kan.
"Om papa maar dadelijk te toonen dat ik mij zoo veel sterker
gevoelde," herneemt Coba: "ging ik terstond naar de piano en zong
het stuk van.... Donerie--je weet wel dat erg sentimenteele--als een
lijster. Niewaar tante?"
"Ja bespottelijk, terwijl ze gisterenavond alleen bij 't hooren van
eenige piano-accoorden uit de verte, reeds geheel van streek raakte."
"Nee tante, dat is volstrekt niet vreemd," zegt August die, toen Coba
den naam van Donerie noemde, een vluchtig zenuwtrekje op haar gelaat
heeft bemerkt: "Een zenuwaandoening laat zich niet zoo gemakkelijk
verklaren. De kleinste schrik, ja zelfs iets lachverwekends zou Coba
gisteravond evengoed van streek hebben gebracht als nu het hooren
van die piano-accoorden."
"Ziet u wel tante!" roept Coba levendig; en Helmond bespeurt met
stille blijdschap een door tante niet begrepen verrukking op haar
bleek gelaat: "ziet u wel, als men mij maar vrij laat dan zal ik
beter worden. U hoort het nu zelve: mijn ongesteldheid kwam niet van
die muziek, maar dáárdoor dat u...."
"Welzeker kindlief, tante is er vast weer de oorzaak van geweest. Och
ja, en als je nu straks misschien wéér niet wel wordt, dan zal het
óók weer tante zijn die er de schuld van heeft, ofschoon ze--al wie
weet hoe dikwijls heeft aangeraden om niet verder te gaan."
"Nú moet ik tante gelijk geven Coba. Zie, we hebben daar de Romphuizer
brug al; kijk, over den wal heen zie je 't hotel Helmond tusschen
't lindengroen. Komaan, rechtsomkeert! Een klein eindje ga ik mee
terug. Ik geneer u niet tante?"
"O nee, wat dat betreft, maar 't is al laat, en je vrouw...."
"Eva is heel wel; dank u."
"Zij wacht je misschien met 't eten."
"Een doktersvrouw eet zoodra haar man thuiskomt tante."
"Zeer onderdanig!"
"Ik hoop Eva eens gauw te komen bezoeken, want ik moet je toch
spreken;" zegt Jacoba.
"Ja maar Coba, vooreerst...."
"Hé tante, en uw eigen plan; uw eigen idee...."
"_Mijn_ plan? _mijn_ idee? Wat meen je Coba-lief?"
Tante Hermine voelde zich gestreeld; ze wist wel wat Coba bedoelde. 't
Was haar zoo losweg uit den mond gevallen; maar waarlijk, het
denkbeeld is toch van _háár_. Niemand heeft er te voren aan
gedacht. Toen Jacoba van morgen zoo dolzinnig aan 't zingen is
gegaan, en haar gevraagd heeft of ze die compositie, als het werk
van een eenvoudig muziekmeestertje, niet heel mooi vond, toen heeft
ze--eigenlijk boos, omdat Coba zoo overmoedig zoo.... luidruchtig was,
en zonder dat het haar kwaad scheen te doen--toen heeft ze gezegd:
"O prachtig, 't is jammer dat ze die menheer Donerie geen monument
op zijn graf maken."
Neen zeker, tante heeft het zóó niet bedoeld; maar, toen Coba dat
denkbeeld niet geheel verwerpelijk had gevonden, toen heeft tante het
recht van uitvinding met kracht gehandhaafd. De muziekmeester scheen
nog al een enfant chéri van de Romphuizers te zijn geweest. Ze hadden
tenminste bij zijn begrafenis gezongen. Wie weet welk een opgang het
denkbeeld van een monument, of iets van dien aard, zou maken, en,
wanneer dan "zoo iets" verrees, dan was mevrouw de wed. Mansburg,
geboren Van Barneveld, de operatrice ervan; misschien kwam haar
naam dan nog wel op het voetstuk. Maar.... nee dát was wat al te
gek. Hoewel....
"O, je meent van een gedenkteeken op het graf van.... ne.... dien
talentvollen muziekmeester?" valt tante zich zelve in de rede.
"Ja, wat zal ik zeggen, 't is me onverklaarbaar dat niemand vóór mij
daaraan gedacht heeft. Zelfs jij Coba, die toch les van hem kreegt
en bekennen moest dat hij knap was, je zou nooit op zoo'n idee zijn
gekomen. 't Goede wordt spoedig vergeten in de wereld!"
Helmond vernam nu, dat "het denkbeeld van tante Mansburg" door Coba
niet geheel verwerpelijk was geacht, ofschoon Coba toch bedenkingen had
gemaakt--welke tante echter volstrekt niet gedeeld heeft. Jacoba had
ten slotte gezegd, dat zij "tantes denkbeeld" aan Helmonds oordeel
zou onderwerpen; zijn Eva behoorde tot de muzikale wereld, en van
zulk een kant diende een dergelijk voorstel uit te gaan.
Toen de dokter straks de dames heeft vaarwel gezegd, en zijn woning
naderde, toen bestond er bij hem geen twijfel meer: Jacoba heeft
dien jongeling liefgehad, en zijn nagedachtenis zal haar heilig
blijven; maar ook, nu ze haar geliefden vader, na het voorgevallene
van den vorigen avond, zoo bitter ontstemd heeft gezien zonder
de rechte oorzaak ervan te weten, nu heeft ze--mede dorstend naar
vrijheid voor zich zelve--zich krachtig aangegord om haar zwakheid
te bestrijden. Leven moet ze en gezond zijn om den geliefden vader
het voorhoofd effen te doen houden, en, was de eerste proeve reeds
wel geslaagd, August houdt zich overtuigd dat Coba ook voor zich
zelve het beste geneesmiddel gevonden heeft. Neen, zij zal niet
langer staren op het nevelachtig beeld van een geliefde, die haar
door den dood werd ontrukt. Ze zal nu slechts het oog hebben op een
werkelijkheid. Een _monument_ zal er voor hem verrijzen, en _zij_ zal
zorgen dat het tot stand komt, ofschoon men niet mag bemerken _wie_
het roer in handen heeft.
Goed zoo Jacoba! broeder Helmond zal u terzijde staan.
Eva ontvangt haar August met een opgeruimden blik, ofschoon hij bijna
een half uur te laat komt. Alleen wil ze graag weten met welke dames
hij zoo doodbedaard den straatweg op en neer heeft gewandeld?
Of het kwam omdat August heden liefst geen namen van _De Zonsberg_
noemde, en de dwaze onderstelling van tante Hermine hem voor den
geest sprong, of vreezend misschien dat Eva weer over den brief
zal beginnen die van morgen vergeten werd, zeker is het dat hij een
oogenblik aarzelt aleer hij eenvoudig de waarheid zegt.
Eva's gelaat betrok. Zou het mogelijk zijn dat Helmond en
Coba...? Neen, 't was te dwaas.... Maar toch, indien ze alles goed
in verband beschouwt....
"Ik zou haast zeggen August, dat je in de laatste vier en twintig uren
meer het gezelschap van Coba dan het bijzijn van je "lieve vrouw"
hebt gezocht. Men heeft mij vroeger wel eens gezegd August, dat
Coba.... veel van je hield.--Hé, à propos.... we zijn nog niet quitte."
"Wat meen je....?"
"Den brief van Kartenglimp heb ik je terstond laten meelezen: maar
die andere.....? Zit hij nog in dien jaszak August?"
"Welke? O! je bedoelt den brief die me uit Parijs is
nagezonden? Eva-lief, je moest je nu eens voornemen om niet
nieuwsgierig te zijn, wanneer ik je in de zaken van mijn praktijk
niet altijd geheel op de hoogte houd. Wat een biechtvader is voor
de ziel, dat is de dokter voor het lichaam, en de biecht ligt onder
't zegel der geheimhouding, dat weet je wel."
"Nieuwsgierig!" zegt Eva fier; en dan met klem: "Mij dunkt August,
dat er van zóó iets geen sprake kan zijn, wanneer ik je zeg te
gelooven..... dat die brief van Jacoba was."
Helmond zwijgt. Bedriegen wil hij haar niet; en ofschoon ze den brief
_niet_ lezen mag, toch zal hij haar dien zotten argwaan benemen.
"En zoo hij dan werkelijk van Jacoba was, Eva, is _zij_ mijn patiënt
dan niet?"
Een vuurrood overdekt Eva's gelaat.
"Dus de brief _was_ van Jacoba!?"
"Ja."
Een oogenblik blijft het stil. Dan zegt Eva snel als tot zich zelve:
"Dus _bestaat_ er een inclinatie!"
"Maar lieve hemel Eva, hoe kun je nu zulk een gevolgtrekking maken. Ik
zeg....."
"Vandáár dan een avond zooals gisteren op _De Zonsberg_," valt
Eva in, met den blik strak voor zich heen: "Vandáár al die onwil,
die liefdeloosheid, die vernederingen..... O 't is genoeg, nu weet
ik alles. Dat bleeke kind kwijnt en treurt om den geliefde, en hij,
hij hinkt op twee gedachten. O God! welk een ontwaken uit den korten
dommel van geluk!"
"Eva, wees verstandig. Je bedriegt je waarachtig!"
Zij ziet hem fier in de oogen.
"_Waarachtig_ Helmond!?--Laat mij den brief dan lezen?"
"Ik heb.... hem verscheurd."
"Dat is onwaar; geef hem, als ik mij dan _waarachtig_
bedrieg. Niet!!?"--Zij stampt met den voet: "_Goed zoo_!.... goed! dan
houd ik je voor 'tgeen ik nooit heb _kunnen_ denken; ja, voor een....."
"Nu niet verder Eva, de scène behoeft niet tragisch te worden. Van
morgen heb ik om Kartenglimps brief gelachen; maar, geloof me in
vollen ernst, meer reden tot lachen is er nú om je ijverzucht, dan
toen om je plannen voor onze verheffing in den gravenstand."
"Bewijs het me Helmond! Ik zeg _bewijs_ het me! O God, ben ik dáárvoor
geboren, ben ik dáárvoor getrouwd om nu reeds vernederd en verwaarloosd
te worden ter wille van..... O!"
"Zie me eens aan Eva.--Nee goed! flink, heelemaal, zooals straks, maar
nu als een zachte vrouw, die haar man vertrouwt en leed gevoelt dat
ze hém, die haar geheel behoort en alles voor haar zijn wil, zonder
grond en onrechtvaardig van ontrouw en misleiding verdenkt.--Geloof
je me niet Eva?"
"Waarom mag ik dan dien brief niet lezen? Je hebt hem _niet_
verscheurd, dat kon ik aan je antwoord hooren."
"En al ware dat zoo, je zult hem niet lezen. De brief is van een
patiënt in _vertrouwen_ geschreven."
"Je zult hem niet lezen!" herhaalt Eva: "je ZULT NIET! en zóó wordt
de tirannie in de eerste huwelijksweken dan reeds grooter van dag tot
dag. Is er geen reden dat de vrouw begint te twijfelen aan de volle
liefde van haar man, wanneer hij instaat is haar argwaan te benemen,
maar dat weigert onder een nietig voorwendsel, met een: je _zult_
hem niet lezen!"
"Eva, geloof me....!"
"Ik geloof nu August, dat je ter wille van Jacoba, wie niets mankeerde,
zoo spoedig naar Romphuizen bent teruggekeerd, zonder je om 't genot
van je vrouw te bekreunen; ik geloof nu dat al die vernederingen
van mijnheer den generaal, haar oorsprong namen in de misrekening op
je onverdeelde liefde voor zijn kind, die zich in den beginne heeft
goedgehouden, maar zich nu niet langer beheerschen kan; ik geloof...."
"En ik zeg je Eva, dat je je bedriegt. Wat geeft je dan toch het
recht om aan het woord van een man, aan _mijn_ woord te twijfelen?"
Eva aarzelt:
"Je achterhoudendheid!"
"Maar wanneer ik dan herhaal dat mijn plicht mij gebiedt om het
vertrouwelijk schrijven van patiënten geheim te houden, zelfs voor mijn
vrouw? Wanneer ik.... Nee Eva, keer je niet weer van mij af. God weet
dat ik niemand liever heb dan mijn eigen, mijn eenige vrouw!--Kind,
zie mij dan aan.... Moest ik dit, in zoo'n luttel tal huwelijksdagen,
reeds zoo dikwijls herhalen? Eva, weet en geloof je dan niet dat
ik alles _alles_ voor je overheb; dat ik--wanneer het maar _niet in
strijd met mijn plicht is--aan je kleinste, ja zelfs aan je grootste
wenschen met liefde zou voldoen?--Eva_....!"
Terwijl Helmond de laatste woorden sprak heeft Eva hem aangezien, en
't was alsof plotseling de zon weer door de nevelen brak. Zij weet
niet dat August haar weigert den brief te lezen, omdat het haar,
óf in hare dwaze opvatting versterken, óf zoo hij haar den waren
zin van dat schrijven verklaarde, Jacoba's zielsgeheim verraden
zou: neen, maar de zachte toon waarop hij daareven sprak heeft haar
getroffen. Heeft ze dan werkelijk recht om aan de waarheid van zijn
mannenwoord te twijfelen? 't Was immers mogelijk dat een dokter de
confidenties omtrent ziekteverschijnselen van een jong meisje, zelfs
voor zijn vrouw moest verbergen. Maar ook.... nog andere woorden had
Eva gehoord; hij heeft haar gezegd: dat God het wist hoe hij niemand
meer dan haar beminde, en.... _dat hij aan haar kleinste, ja zelfs
aan haar grootste wenschen met liefde zou voldoen, indien het niet
in strijd was met zijn plicht_.
En zie, slechts weinige seconden later slaat ze haar beide armen
om Helmonds hals, en zoent ze den man harer liefde met innigheid
verscheidene malen op den blij glimlachenden mond. Ja, ze zegt, nu te
gevoelen dat ze slecht deed haar edelen vriend zoo liefdeloos te hebben
bejegend. En dan, wanneer de eerste reine uiting van het berouwhebbend
gemoed voorbijgegaan, en vurige kussen van den echtgenoot het verbond
van trouw hebben vernieuwd en bezegeld, dan.... helaas! dan komt de
vijand die vanbinnen woelt zich weer met het zoetste lachje aan den
gelukkigen echtvriend vertoonen. Nietwaar....? Als Eva haar besten
man dan _altijd op zijn woord wil gelooven_, dan zal hij zeker ook
het woord gestand doen 'twelk hij daareven sprak.
"Kom nu August, het eten zal wel koud zijn geworden, kom....!" En
fluisterend met zoete stem: "Een mijner kleinste wenschen is,
beste August, dat je niet meer lachen zult om het verkrijgen van
dien titel voor papa, maar dat jij zelf zooveel je kunt daartoe zult
meewerken: en, wat de grootere wenschen betreft, o ik weet het, mijn
lieve man zal nu die eenig eenige gelegenheid niet laten voorbijgaan
om me, door 't koopen van het oud-burgemeestershuis, te verlossen
uit den vreeselijken druk dezer lage zolders en benauwende muren;
maar ook, hij zal getrouw blijven aan zijn woord, en nooit meer den
handschoen oprapen voor wie zijn wijfje--zijn ander _ik_, niewaar
August?--onridderlijk minachten en beleedigen durft?"
En Helmond, nu hij zijne schoone Eva weer vast in de armen sluit,
nu gedenkt hij wel vluchtig het woord der wijsheid van den grijzen
pleegvader, en gevoelt hij wel--bij de blijde overtuiging Eva's argwaan
voorgoed te hebben overwonnen--dat hij zijn triumf wat te duur heeft
gekocht; maar nochtans, bij het smaken der zoete liefdeteugen kan hij,
na zulk een overwinning, de stem niet meer hooren die waarschuwend
klinkt:
--Voorzichtig, met bedwelming is de beker gevuld, en een doodelijk
venijn ligt op den bodem!