Kartenglimp."

Het hinderde Eva wel dat Helmond alweder lachte en haar met de woorden:

"Wel wel, gravin Van Armeloo!" op eenigen afstand met zekere kluchtige

reverentie beschouwde; doch zij zou hem niet toonen dat de ontvangen

meedeeling haar borst met zulk een ongekende verrukking had vervuld.

"Wel kind, wat of er van den armen dokter zou geworden zijn, als

men eerder had geweten 'tgeen die zeer vindingrijke majoor nu zoo

eensklaps heeft uitgevonden!"

"Is dat het loon voor mijn openhartigheid? Meen je August, dat ik

niet reeds lang heb vermoed en geweten 'tgeen die man daar schreef?"

"Waarlijk, al lang?"

"Maar heb ik er ooit van gesproken of er zelfs ooit op gedoeld?"

"Nu, laten we er dan ook maar _te zamen_ om lachen mijn wijfje. Weet

je wat _ik_ geloof?--Ronduit gezegd, ik geloof hoe langer hoe meer dat

die majoor de rechte broeder niet is. Hij wil zich aangenaam maken;

en daarom dien gekunstelden brief."

"Genoeg van dien man August; zijn persoon staat mij tegen; maar hem om

het schrijven van dien brief te beschuldigen, dat is onheusch. Gesteld

eens dat hij waarheid had geschreven, dan zou hij voor 't allerminst

op onze erkentelijkheid aanspraak hebben. 't Is zeker dwaas zich

te verheffen bij de gedachte dat men zulk een adellijken titel zou

kunnen bezitten, maar, er om te _lachen_.... nee! Indien het inplaats

van de familie Armelo de familie Helmond gold, ik weet niet August

of je dan...."

"Ah ja, daar zeg je een goed woord, als het de familie Helmond

gold! Ja dan...."

"Welnu....?"

"Dan zou het voor die onderschrapte "nakomelingschap" tenminste nog

van eenige waarde kunnen worden; maar kindlief, vader Armelo heeft

twee dochters; de eene is het vrouwtje van je onderdanigen dienaar

Helmond, pur sang plebejer, en de andere, al trouwde ze met een prins,

de gravenkroon der Van Armeloo's zou toch nooit door haar edele telgjes

kunnen gedragen worden!" En weder lachend: "'t Is alleraardigst!"

"Helmond, extra verstandig vind ik dat lachen niet. Ik zeg je nóg eens,

als het zulk een titel voor de Helmonds gold....."

"En _ik_ herhaal Eva, dat dit, met het oog op het onderschrapte in

dien brief"--hij geeft haar een zoen--"ook heel iets anders zou

wezen. Maar over mijn adelbrieven behoeven we ons 't leven niet

moeielijk te maken. En nu, al is mijn lachen dan misschien niet

heelemaal verstandig, geloof me kind, waartoe zou men zich iets in

't hoofd, en vele moeiten en kosten op den hals halen, om--gesteld dat

alles dan waar was--een titel te verkrijgen waar men, zonder fortuin,

eigenlijk mee verlegen, en geen enkel naneefje mee gebaat zou zijn?"

Eva zweeg en zag naar den grond. 't Was wel te merken, zoo dacht ze,

dat Helmond plebejisch bloed in de aderen had. In háár is altijd iets

geweest 'twelk haar zeide dat ze eigenlijk niet thuis behoorde in "'t

knechtelijk gareel"--met welk beeld een _groot_ dichter de lagere en

middelstanden eens zoo juist had geteekend. Nochtans ze gevoelde het

ook: Mocht het al schoon zijn en weldadig voor 't hart, indien men

zeker wist uit zulk edel bloed te zijn gesproten; 't zou verkeerd

wezen om er voor de toekomst een te groote waarde aan te hechten,

dewijl papa geen zoons en geen fortuin bezat.... Maar.... ha! welk

een licht gaat daar plotseling voor haar op! Zie, uit eigenliefde,

uit trots heeft August zich zoo weinig ingenomen betoond met hetgeen

hij vernomen heeft. 't Moest voor een man ook stuitend wezen om zich

eensklaps ver beneden zijn vrouw te zien gesteld, vernederend om als

eenvoudig burger te staan naast een geboren.... gravin!

"Nee August, wacht nog even, ik wou je zeggen....!"

"Ja maar vrouwtje, ik moet noodzakelijk weg. 't Is al één geslagen;

je weet men wacht me in de stad, en om halfdrie komt het rijtuig van

Debecque. Circa vier uur hoop ik weer thuis te zijn, en we kunnen dan

't chapitre vervolgen; nu, bonjour kind!"

Haastig heeft Helmond haar omhelsd, en gaat dan snel naar de deur.

--Maar neen, zóó kan Eva hem niet zien vertrekken. Zij moet hem aleer

hij haar voor drie volle uren verlaat, dat nieuws doen _zien_ bij

't licht dat er voor haar is opgegaan.

"Even Helmond, luister even."

Helmond blijft met de hand aan den deurknop staan.

Zij komt hem zeer nabij:

"Maar August, als mijn familienaam dan uitsterft, en we toch weten

dat mannen dikwijls om zulk een reden den naam hunner vrouw er bij

aannemen; ik meen _als_ alles nu waar is, en dat het zoo uitkwam,

natuurlijk, dan zou jij--juist met het oog op 'tgeen de tijd _ons_

kan schenken...."--zij sloeg de oogen weer neer--"dan zou jij immers

best...."

"Pots selderementen Eva! wou je een graaf van me maken!? Nee maar nou

geloof ik waarachtig dat je eens zien wilt, of er hier bij me boven,

iets los of stuk is. Kom wijfje, maak geen gekheid, en kus me maar,

en noem me nóg eens zooals gisteravond je "trouwe"; die titel is

me wat meer waard dan andere, die bovendien wel wat heel hoog in de

lucht hangen. Bonjour!"

Een kwartier later was Eva gekleed om uit te gaan. Neen, ze ging niet,

zooals August altijd deed, die apotheek door en de achterdeur uit;

zij nam de voordeur aan den wal.

Binnen weinige minuten bevindt ze zich in de ouderlijke woning. Ze

moet papa en mama afzonderlijk spreken.

Mama Armelo was druk met dochter Louise aan 't rekken en vouwen

van de wasch, doch mama heeft voor dochter Helmond in allerijl een

mooie muts opgezet, en komt nu in de voorkamer waar Eva wachtte, en

verontschuldigt zich--tegen haar kind--over haar toilet. Niewaar,

Eva wist wel hoe het soms laat werd, en, zij had zich juist even

met een schoteltje bemoeid, een lekker schoteltje voor papa. Eva zou

het begrijpen.

Eva met haar Parijschen hoed en mantille, maakte in de voorkamer

van den zeer eenvoudigen oud-kapitein, en tegenover die mama in een

vieze zwarte jas, en de sterk met rood gemonteerde muts--een contrast,

waarmee ze zelve _bijna_ verlegen werd.

Papa was op 't oogenblik dat hij geroepen werd juist in zijn

achterschuurtje aan 't blokjes zagen. Hij deed gewoonlijk zoo iets;

en vooral om anderen eens wat te kunnen "overdoen".

"Je zegt mevrouw Helmond?" heeft hij aan 't dienstmeisje gevraagd

die hem roepen kwam: "wou die mij alleen hebben? Dadelijk hoor!--Gauw

'en bakje."

De kapitein behoefde geen nadere toelichting te geven. Als er voorname

lui waren om hem te spreken, dan moest het meisje--wanneer hij althans

aan eenige bezigheid was--terstond waschwater brengen.

Terwijl Armelo de zeep deed schuimen dat het een lust was, kan hij zich

maar geen denkbeeld maken van 'tgeen Eva hem in 't geheim--alleen aan

hem en mama--zou te zeggen hebben. Hoelang was ze getrouwd? Nee nee,

dát zou ze ook niet aan hém.... Nee, wát of het wezen mag!

Zeer verlangend naar de oplossing van 't raadsel, trad Armelo de kamer

in, juist op 't oogenblik dat mama Armelo reeds den voorsmaak van

't allerbelangrijkst geheim had genoten.

"Wat zeg je Eva, je pa een graaf Van Armeloo?" heeft mevrouw geaarzeld:

"WIJ zouden.... WIJ....?" En dan naar de deur ziende: "Goeje God,

Armelo! ben je gek; met je sloofje voor!"

Inderdaad de "graaf Van Armeloo" stond daar op den drempel der deur,

en zag, half verrast half verlegen, op het bekleedsel neer, waarvan

hij zich inderhaast vergat te ontdoen, geheel vervuld met de gedachte

aan het nieuws 'twelk hij hooren zou.

De oud-kapitein schaamde zich inderdaad een weinig voor zijn dochter;

maar, nadat het sloofje buiten de deur was geworpen, ging dat toch

spoedig voorbij. Eva wist wel dat hij niet leeg kon zitten; en, hij

heette haar hartelijk welkom, want waarlijk, hij zag haar niet al te

druk, en spoedig keek hij haar vragend aan, immers 't was wel iets

buitengewoons dat hij tegelijk met mama in de confidentie zou wezen.

Toen men zich reeds eenige oogenblikken in de grafelijke sferen

bewogen had, beweerde mevrouw Armelo met klem dat Armelo "zich zelf

altijd in den weg stond". Jawel, hij had geen oog voor de toekomst.

Maar Armelo bleef beweren dat het ook waarlijk te gek was. Hij heette

eenvoudig Armelo, en het _Van_ dat er vóór moest, dááraan haperde

het immers.

"Maar dat hebben je voorouders laten vallen;" verzekerde mevrouw:

"Begrijp je dat niet?"

"En als ik me niet bedrieg dan schreven de graven Van Armeloo zich

met twee _oo_'s."

"Maar die ó heeft je overgrootvader dan zeker óók laten vallen."

"Ja, zoo kun je alles laten vallen, Marie; maar ik zeg je dat m'n

vader en grootvader eenvoudige boeren in Hanover waren, en dat ze....."

"Nee maar man, zóó dwars als jij bent, daar staat m'n verstand

voor stil."

"Hoor eens pa," zegt Eva: "ik wist wel vooruit dat mijn nieuws met

bezwaren door u zou ontvangen worden; maar, ik bid u, waarom wilt u

je tegen zóó iets verzetten!"

"Mijn hemel, dat _vraag_ ik je!" valt mevrouw Armelo in: "Maar ik

herhaal het man, 't is je nooit recht ernst met de eer van je familie

geweest; zeker, men zou je nooit zoo vroeg gepensioneerd hebben als

je je niet....."

"Vrouw! moet je mij in presentie van mijn kind aan iets herinneren,

dat ik met Gods hulp bestreden en geheel overwonnen heb?"

"Ja, toen het te laat was Armelo. Ik blijf er bij, je hebt je zelf

altijd in den weg gestaan; je hadt generaal kunnen zijn als je dien

drank...."

"Nee ma," valt Eva in, nu ze den man strak voor zich heen zag staren,

en eensklaps berouw kreeg dat ze misschien eenige aanleiding tot dat

verwijt heeft gegeven: "nee ma, daar moet u niet van spreken." En dan,

terwijl ze haastig opgestaan haars vaders hand neemt, en hem op het

voorhoofd zoent: "Ma meende het niet kwaad pa'tje-lief; zij wilde

maar zeggen....."

"Nu, 't is niemendal kind, ik weet wel hoe jij het meent; 't is

niemendal!"

"Zeker, 't was de kolonel Dadel die u niet zetten kon; en die leelijke

Minister van Oorlog! Maar als anderen u dan hebben teruggestooten,

terwijl er zoovelen vooruitkomen, die 't vrij wat minder verdienen,

zoudt u dan--wanneer we toch _werkelijk_ van zoo hoogen adel zijn,

niet alles doen om u, door het herwinnen van dien rang, boven dien

Dadel en dergelijken te verheffen?"

"Maar waarachtig kind, het is niet mogelijk; ik weet immers zeker...."

"Zeker!" valt mevrouw uit: "je weet niets niemendal! Die majoor

Kartenglimp zal toch niet gek wezen. Wat hij schrijft, is zoo klaar als

de dag; we hebben Goddank ons verstand nog; en als ik dien brief niet

driemaal had gelezen, dan zou ik twijfelen kunnen; maar driemaal heb

ik hem gelezen; en met Eva ben ik het volkomen eens dat er gehandeld

dient te worden in ons aller belang."

"Maar mijn hemel Marie, we komen met de grootste moeite rond,

en hoe wil je dan dat we ons nog opofferingen zouden getroosten

om--gesteld dan.... _gesteld dan_.... dien titel te krijgen; maar

vooral om als graaf en gravin....." schielijk opstaande: "Nee nee,

't is onzinnig, we zijn gek! We droomen! _Ik_, _ik_ een graaf.... jij

een gravin!" Zenuwachtig lachend: "'t Is om te lachen! Waar heb je

den brief, geef nog eens hier; maar 't is om te lachen!"

Eva begrijpt nu dat lachen zeer goed. 't Was bij papa een repetitie van

'tgeen ze van Helmond hoorde, maar toen niet begreep. Zenuwachtigheid;

jawel, anders niet. Dames vallen flauw zoodra ze bloed zien; maar de

zenuwen van heeren worden 't eerst geprikkeld, wanneer hun iets van

eer of rang in de oogen blinkt. Wie 't hardst heeft gelachen om een

ridderlint, draagt het zelf als ridder op overjas en chambercloak. Dat

ongeloovig lachen, ja zeker 't is de dekmantel voor een inwendige

blijdschap die zich anders te ras zou verraden. Wie zoekt, of althans

wie wil er geen eer! Ja! zelfs de domsten en zotsten, die nooit

eenige eer kunnen behalen, ze dringen vooruit als er _eerewijn_

wordt aangeboden.

--Ja zie maar: bij 't nogmaals doorloopen van Kartenglimps brief,

gaat dat lachen van papa al over in een glimlachje, waaruit iets

anders te lezen is.

Armelo las: "Wanneer zijn nakroost echter, zooals mijnheer uw

vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf waarop zijn stam

is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden

hergeven."

"Nu pa, dat is toch zoo heel onverstandig niet;" zegt Eva, terwijl

ze met haar vinger in parelgrijs glacé, op den genoemden volzin wijst.

"Nee te donder, wat dat betreft; na Hasselt zei de kolonel Bik,

in presentie van de sergeants Leeuwendaal en Wagenaar en een heele

boel anderen tegen me: "Luitenant, je hebt je als een braaf officier

gehouden." Zieje, dat vergeet ik niet; maar verdord dat hebben ze

aan Oorlog vergeten, zoo'n Dadel! zoo'n Minister, die..."

"Och Armelo, als je nu hier bent gekomen om je ouwe litanie te zingen,

dan zou ik liever...."

"Nee ma, 't is begrijpelijk dat pa zoo iets nu juist moet hinderen;

als je dan bijna zeker weet dat je zoo heel veel hooger dan die nare

menschen staat."

"O ja, juist Eva, wat dat betreft.--Voel je dat Armelo? Nee, ik geloof

je voelt dat nog niet; jij voelt zoowat niemendal."

"Marie, nóg eens: 't is niet gepast dat je zoo in tegenwoordigheid van

onze dochter spreekt. Als er iemand gevoel heeft dan ben ik het. Heb

ik jou armen neef den schoolmeester niet laatst nog m'n ouwe polonaise

en vijf en twintig stuivers gegeven, den armen drommel!"

"Och, laat nu in 's-hemelsnaam mijn familie en je ouwe polonaise

rusten bij zaken als deze. Wat anders de Lieders betreft, die konden

best--zei neef eens--van 't oude Lydië in Klein-Azië afkomstig en

van vorstelijken oorsprong zijn; maar van zulk een oudheid is dat

niet eens meer na te sporen. Ik zeg Armelo, we zijn voor God en onze

kinderen verplicht de handen aan 't werk te slaan."

Armelo krijgt eensklaps een "akelig prozaïsch gevoel". Hij kon het

niet helpen; maar.... 't spijt hem dat hij niet stilletjes buiten

de confidentie is gebleven. Hij was straks juist zoo plezierig aan

't blokjes zagen; en 't bruine pijpje smaakte zoo lekker, en.... Och

goeje God! hij was toch niet voor een graaf in de wieg gelegd.

--Wel hemel, waarom niet! Geen fortuin! wat doet het er toe. Luister,

mevrouw zal 't hem herinneren: Graven _met graafschappen_ zijn er

geen drie meer in de heele wereld. De graaf Van Tiel is stationschef

ergens op een klein tusschenstation. Baron Hars is gemeente-ontvanger

te Limmen. De twee freules Van Winteren maken in stilte hoedjes voor

de lui; en de drie magere freules Blankenberge met haar groote oogen,

eten te zamen vijf ons vleesch in de week; hebben één fluweelen mantel

met 'er drieën, en niet anders dan 'en loopmeisje van 's-morgens acht

tot licht en donker!

"Maar dat is dan ook erbarmelijk;" zegt Armelo.

"Maar.... ze zijn van adel!" antwoordt mevrouw op tooneeltoon: "en,

dat doet haar de wereld gemakkelijk trotseeren. De adel geeft een

verhooging, een glans. Je kunt het dadelijk zien dat iemand van adel

is, zelfs de freules Blankenberge...."

"Och omdat je 't weet Marie! maar anders, waarachtig...."

"Weten! weten!! Nee, ook zonder dát zou men 't zien. Maar als ze het

dan van _óns_ zullen hooren, dan moeten ze 't immers toch ook _zien_

niewaar?"

Eva was stil geworden: ze wist niet wat haar eigenlijk méér hinderde,

de burgerlijke toon, waarop mama den goeden papa gedurig beknorde,

of de burgerlijkheid waarmee papa--een oud-officier--zich telkens de

eer die hem toekwam van den hals zocht te schuiven. Inderdaad moet Eva

voor zich zelve bekennen dat de graaf en gravin Van Armeloo-Lieder

een tamelijk mal figuur in de wereld--ja zelfs in de Romphuizer

wereld--zouden maken. Mama had meer dan papa dat gepaste gevoel

van eigenwaarde, dat zekere, om zich te willen verheffen boven het

mindere, het gemeene; doch, hoe goed zij mocht wezen, mama miste door

haar opvoeding in den hoogsteenvoudigen stand, ten eenenmale dien

fijneren toon en goeden smaak waaraan de aristocratie zoo gemakkelijk

te herkennen is. Honderden malen bijvoorbeeld is Eva tegen de bonte

kleuren die mama gewoonlijk droeg te veld getrokken, doch zonder een

blijvende verbetering van smaak te kunnen bewerken. Neen, ware het

slechts om dien titel voor haar _ouders_ te doen, Eva zelve zou het

bij nader inzien verstandiger oordeelen om de goede menschen verder

maar stilletjes ongemoeid te laten. 't Zal toch inderdaad ook nog

al werk hebben om dit huishouden, waar alles oud en versleten is--de

weinige smakelooze meubels in deze pronkkamer getuigen ervan--slechts

eenigszins in harmonie met dien nieuwen stand te brengen. Neen,

had Eva geen andere plannen gehad--en zij twijfelt niet of ze zullen

gemakkelijk te verwezenlijken zijn--dan zou ze zeker met haar vader

hebben ingestemd, dat het waarlijk _te dwaas_ is. Nu echter, nu moet

er gehandeld worden! En, onder het diepst geheim, ontvouwde Eva nu de

reden waarom zij, voor zich zelve, er hoogen prijs op stelde dat papa

gevolg wilde geven aan de zaak, en zoo spoedig mogelijk den majoor

Kartenglimp zou gaan spreken.

De oud-kapitein, ofschoon weinig bekend met de rechten van heraldiek of

genealogie, betwijfelde het echter zeer of het wel mogelijk zou wezen

dat Helmond--gesteld dan.... _gesteld dan_--met den naam zijner vrouw

bij den zijnen te nemen, ook den titel van haar geslacht zou bekomen;

doch, moeder en dochter vonden dat "zóó doodeenvoudig natuurlijk",

dat hij zichzelf al voor heel onnoozel en dom had moeten houden,

indien hij het zou gewaagd hebben daartegen nog bedenkingen in 't

midden te brengen. Ten slotte beloofde de kapitein dan ook aan zijn

dochter--ofschoon juist niet zoo geheel van harte--dat hij werk van de

zaak zou maken, en, ja zeker, nog heden den majoor te zullen opzoeken

om van hem te vernemen op welke wijze men dan zou moeten handelen.

Alvorens Eva naar huis zal terugkeeren, heeft ze nóg een vertrouwelijke

meedeeling.--Nee, papa moest niet weggaan, 't gold hém in de eerste

plaats.

Eva geeft een kort verslag van het gebeurde op _De Zonsberg_, en van de

"infame houding die de generaal tegenover haar heeft aangenomen."--"Ter

wille van Helmond," zoo vervolgt Eva, "zal ik mijn best doen om den

man, die uit trots en schrielheid de jonge vrouw van zijn pleegzoon met

onheuschheden overlaadt, niet al te zeer te.... verachten. Ik ben van

plan zijn hostile houding met de grootstmogelijke onverschilligheid

te beantwoorden. Het kan me soms hinderen dat we zijn zoogenaamde

weldaden nog moeten aannemen, en ik zag die prachtige bewijzen

van zijn schrielheid liever aan een arme gegeven. Maar ik moet ze

dulden. August is voor de helft zijn erfgenaam; en hoewel ik voor

mijzelve in staat zou zijn om die heele erfenis er aan te wagen, en

mij stoutweg met hem te brouilleeren, indien hij 't nog eens te bont

maakte, ik mag de toekomst van August, die nu werkt en draaft als

een paard, niet roekeloos op 't spel zetten. Ik zal me om zijnentwil

beheerschen. Maar papa, wat _ik_ dulden moet als Helmonds vrouw,

dat moogt u als de kapitein Van Armeloo--ik zeg _Van_ Armeloo...."

"Hoor je wel Armelo; ze zegt _Van_ Armeloo...."

"En wát mag ik niet dulden?" valt Armelo in: "de generaal heeft

me niets niemendal gedaan; integendeel, hij was compleet frère

en compagnon; kameraad, alles wat je wilt. Verduiveld, hij heeft

immers nog zelfs het heele diner van je trouwen in _De Arend_

betaald.--Schriel! Nee Eva, neem me niet kwalijk, dat is....."

"Maar goeje hemel papa, dát, dat is het juist! Me dunkt uw

militair.... uw.... uw.... ja uw gevoel van rang enfin, alles in u

moet daartegen opkomen. Toen ik er straks over nadacht, toen brandde

mij de gedachte letterlijk als vuur op de borst, dat die mijnheer

Van Barneveld mee het diner heeft betaald, 't welk de kapitein Van

Armeloo ter eere van 't huwelijk zijner dochter gaf. Bah! 't is

vernederend! 't is...."

"Maar kind, Helmond heeft me gezegd dat dat heelemaal onder ons

zou blijven."

"Ja dat kan wel waar zijn papa, maar waar blijft het ook, dat de

generaal vijftig gulden heeft gegeven voor uw diner."

"Vijftig gulden!" roept mevrouw: "voor een diner van twintig

personen à vier gulden buiten den wijn! Goeje hemel, wat een schriele

kompeer! Heeft Helmond dan de rest betaald?"

"Zeker! en ik wou dat hij 't heelemaal betaald had; maar nu, die

vijftig gulden ze compromitteeren u en mij; onze heele familie;

verschrikkelijk! Vandaar die trotsche minachting. Welzeker, ik ben

de dochter van een officier, die zich het bruidsmaal voor zijn kind

laat betalen!"

"Maar wat duivel, als een ander het niet betaald had dan zou het

ding niet gegeven zijn! Je weet wel Eva dat wij geen geld voor zulke

foeven hebben."

"'t Spijt me papa, dat u niet aanstonds gevoelt dat die schuld aan

mijnheer Van Barneveld _moet_ worden afgedaan. 't Komt me zoo heel

natuurlijk voor."

"Ja maar...." aarzelt mevrouw: "ik moet toch ook bekennen Eva,

dat.... vijftig gulden.... in onze omstandigheden...."

"Ik zou op m'n woord niet weten waar ik ze vandaan moest halen,"

herneemt Armelo: "en mij dunkt kind, dat diner is nu gepasseerd en,

bij m'n ziel, de generaal heeft als oud-kameraad gehandeld; ik zou

hetzelfde gedaan hebben wanneer ik in zijn schoenen stond.--Waar ga

je heen Marie?"

Mevrouw gaf geen antwoord. Ze was reeds de kamer uit. Een overheerlijk

denkbeeld was haar ingevallen.

Louise--Eva's jongere zuster--stond nog in de kleine tuinkamer

aan het vouwen van de wasch, toen mevrouw Armelo haar om raad is

komen vragen. Louise kent hare moeder. De goede vrouw heeft in alle

opzichten een bijzondere liefde voor _kleuren_. Honderdduizendmaal

geldt bij haar voor _eens_ of hoogstens _tweemaal_. De rest laat zich

gemakkelijk begrijpen. Moeder Armelo zou verder met wat opleiding

een uitmuntende tooneelspeelster zijn geweest. Zie maar, ook nu is

er in haar blik een soort van vertwijfeling te lezen terwijl ze,

het gesprek vervolgende, zegt:

"Maar mijn hemel kind, denk je dan niet dat je arme vader er in stilte

onder lijdt?"

"Ik heb er niets van gemerkt ma."

"Daarom zeg ik _in stilte_.--En wanneer nu de heele stad hem bespot

en belacht, moet dan het hart van een oud-officier die--ik zeg het

je--van den oudsten Nederlandschen adel is--ja, ik zeg het je--moet

dan dat hart onder zijn ridderkruisen niet breken!"

"Maar weet dan de heele stad dat papa vijftig gulden van...."

"De heele stad Louise? Ja helaas! Wij kregen een brief van den majoor

Kartenglimp. Papa is den titel van officier niet meer waardig....."

"Schreef dat die leelijke oud-majoor?"

"Nu ja, ten naastenbij.--Men zal hem van de sociëteit weren; men

zal....."

"Wat! zal men papa van de sociëteit....?"

Mevrouw haalt schouders en wenkbrauwen op; werpt een blik naar den

groen geverfden zolder, en zegt:

"Ik hoop mijn kind, dat ons zoo iets zal gespaard worden."

Louise ziet eenige oogenblikken strak voor zich heen.--Ruim éénhonderd

en tachtig gulden heeft ze sedert vijf jaren bespaard; want evenals die

straks genoemde adellijke dames, had ze met de naald in de behoeften

van haar toilet zoeken te voorzien, en haar overgroote bedrevenheid

in 't maken van handwerken is oorzaak dat zij nog bovendien zulk

een som heeft kunnen overhouden. Louise is er altijd zeer geheim mee

geweest, en waarschijnlijk had ze er gegronde redenen voor. Maar nu,

na een ontmoeten van den heer Kippelaan, in wiens bijzijn men haar,

onvoorzichtig genoeg, een gekleede muts heeft besteld, sedert die

ontmoeting, waarbij zoo schrikkelijk veel gesproken was, wisten papa

en mama Armelo ook al spoedig dat hun jongste dochter "fortuin" had;

en, ofschoon eerst een weinig gevoelig over Louises achterhoudendheid,

hebben ze hun dochter toch bewonderd en geprezen, 't geen mama anders

volstrekt niet gewoon was.

En 't is heden nu reeds de derde maal dat mevrouw Armelo aan haar

dochter een plekje van de gloeiende plaat wijst, waarop Louise een

deel van haar zuur verworven spaargeld kan zien verdwijnen.

--Haars vaders eer!!

Louise zal er met papa over spreken.

Maar mevrouw Armelo zegt plechtig met de hand op den boezem:

"Met papa!--Louise! in Godsnaam, met hém _geen woord_!"

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 39 / 85 题