't Is een prachtige maar tevens een echt autocratische zomerdag. Zelfs
de machtigen der aarde houden met slappe hand de teugels van 't bewind,
en buigen het hoofd, want heden is het de zon, die haar macht doet
gevoelen en het aardrijk regeert met verblindende majesteit.
Alles zwijgt in het gloeiend middaguur.
De landman slaapt; het rundvee staat te lodderoogen in de schaduw
van wilg en hagedoorn; de schapen op de hei hebben den zoom van het
dennenbosch gezocht waar hun herder met opgetrokken knieën achterover
op den grond ligt, en Philax nevens hem met de amechtige tong uit
den ruigen bek.
Alles zwijgt. Geen vogel doet er zijn lied schallen of tjilpt op
bescheiden toon; geen blaadje is er dat ritselt. Slechts een enkele
bij, die zich op rappe wiek naar gindsche kamperfoelie spoedt,
snort suizend langs 't oor; of ook een zwerm bruinvliegen doet zich
hooren, wanneer een loome hoef of klauw den verschgevallen buit in
't weiland beroeren komt, en 't klein en azend gedierte daardoor al
gonzend uiteenschuift.
Het landgoed _De Zonsberg_ ligt daar almede zwijgend en dorstend in
de gloeiende stralen der Juni-zon.
Nochtans voor den mensch, die zich heden aan een wandeling op den
Romphuizer straatweg durft wagen, schijnt dat landgoed een oase te
zijn. Ja zie maar, achter die fonkelend roode en witte stamrozen aan
de linkerzij van het huis onder het lommer van het zwaar geboomte,
daar moet het wel overheerlijk koel en verkwikkelijk wezen.
Mijnheer Kippelaan, nog slechts weinige schreden van het groote
ijzeren hek van _De Zonsberg_ verwijderd, voelt nogmaals naar zijn
beide boordjes, die van de overmatige warmte in onmacht liggen;
doet een hopelooze poging om ze weer tot den "kelk te vormen waarin
zijn edelst lichaamsdeel--het hoofd--is gevat", en vraagt zich zelven
dan zeer ernstig af: of hij in zulk een toestand wel inderdaad zijn
plan kan volvoeren? 't Loopt hem--met permissie--onder den hoed uit,
en langs het aangezicht met straaltjes den hals in. Kon hij 't zelf
zien dan zou hij bespeuren: eenigszins bruinachtig gekleurd door de
pomade, waarmee hij straks aan zijn kapsel zulk een verhoogden glans
en zomergeur heeft gegeven.
Mijnheer Kippelaan begrijpt echter bij nader overwegen, dat
juist deze positie--_en jus, en nage_--moet meewerken in zijn
belang. Men trotseert! men braveert! men waagt een coup de soleil,
een hersenontsteking!
't Is verbeelding, maar Kippelaan verbeeldt zich dat hij het ijzeren
hek hoort sissen nu hij het met zijn eenigszins vochtige vingers
aanraakt. 't IJzer was letterlijk gloeiend. Enfin, zijn hart! Enfin,
alles was heden daarmee in harmonie!
En terwijl mijnheer Kippelaan nu zijn paille glacé handschoenen
gaat aantrekken, maar den laatste, bij een geweldige inspanning om
hem over de vochtige "muis" te krijgen, van onder tot boven ziet
openbersten, stapt hij--door het ongeluk zoo mogelijk nog meer _en
nage_ geraakt--het gazon om, en op de groote stoep toe, doch ziet
dan eensklaps terzij van het landhuis achter die prachtig fonkelende
rozen en onder het zwaar geboomte, iets.... wits; iets.... En....
Daar staat hij dan nu.... in _hare_ nabijheid!--Zoo pas uit de felle
zon in het dichte lommer gekomen, heeft hij niet dadelijk bemerkt
dat zij ter afwering van muggen en ander "onwellevend gevogelt" een
witzijden doek over 't hoofd heeft gehangen, en, door de drukkende
hitte overweldigd, in slaap is gevallen. Hoezeer ook _en nage_,
met de sierlijkste buigingen is hij haar genaderd. Doch, nu buigt
hij niet meer.
"'t Hem, kehem!" kucht hij eenige malen steeds luider en krachtiger,
ofschoon gedempt. Doch helaas, het baat hem niet!
--Zij slaapt! O zij slaapt!!--Edele spruit! droomt zij
wellicht, en ziet ze met haar zielvol geestesoog den man die
haar.... enfin.... aanbidt, die háár, en al wat het hare is, liefheeft
als zich zelf? Droomt ze van hém, en vermoedt ze onbewust dat hij in
haar nabijheid ademt? Zal hij haar nog een wijle bespieden, ofschoon
hij door dien vasten sluier, waarachter ze zich verborg, niets anders
kan waarnemen dan de plek, waar zich het topje van haar neus bevindt? O
die teedere! O dat uitstekende topje! hij zou het willen aanraken,
hij zou haar willen ontsluieren en dan op dat topje een zoen drukken,
en haar zeggen: Hier is hij die over u waakt als gij slaapt! Hier
is hij van wien gij "droomend waakt en wakend droomt"; die u "wil
omstrengelen met de teerheid van zijn hart". Maar--helaas! paf! daar
barst ook de tweede paille handschoen. Schrikt ze wakker? Nee! zie
maar.--Bah! 't is te warm voor handschoenen.
--Hij zal ze allebei uitdoen en los in de hand houden, dan ziet men
niet dat ze kapot zijn.
"Juffrouw! juffrouw Jacoba!"
De neustop klimt. De sluier valt:
"Goeje hemel!--phu!--wat? Wie....? phu! Pardon menheer.... wie heb ik
't plezier....?"
"Hé, ik dacht...." zegt Kippelaan, in den beginne eenigszins uit
het veld geslagen: "Ik meende dat u.... Maar enfin, ik heb de eer
mevrouw Mansburg te zien? Ontzaglijk veel genoegen! Altijd wèl geweest
mevrouw? En mijnheer de luitenant-generaal....?--Charmant mooi weer. Ik
dacht.... enfin.... la belle dormeuse au bois, enfin!...."
"O ik vraag wel om verschooning. Mijnheer.... re Kippelaan
nietwaar....?"
"Jules Janin, om u te dienen. Van mama's kant--de
Parladotti's--Italiaansche origine!--Recht aangenaam u hier te
ontmoeten. Fameuse warmte, maar als het hart niewaar....? Een dame,
eene vrouw gevoelt zoo spoedig wat men zeggen wil. Geen zonnehitte
is instaat om...."
Mevrouw Mansburg, die vreeselijk benauwd onder den zijden doek had
gedroomd, weet waarlijk niet of ze nog wel heel wakker is.
--Wat wil die man?!
"Waarschijnlijk zal uw bezoek mijn broeder gelden," valt ze haastig in:
"wanneer u zoo goed wilt zijn maar even te schellen dan zal de knecht
u aandienen."
"Pardon, o pardon mevrouw; het voorrecht u hier 't eerst te spreken! 't
Was ontzettend warm op den weg, en dáárom, indien ik mijn hart het
eerst voor u mocht ontlasten; indien...."
"Mijnheer, ik verzoek u niet verder te gaan.--Op mijne jaren...." En
dan terwijl een vuurrood haar aangezicht bedekt, staat mevrouw
Mansburg van de tuinbank op, en Kippelaan den rug toekeerend om
zich naar de achterzij van het huis te begeven, voegt ze er bij:
"Zooals ik u zeide, men laat zich aanmelden. Ginds is de voordeur."
De generaal Van Barneveld verkeerde 't allerminst in een stemming
om menschen als Kippelaan te ontvangen. Nochtans het strookte niet
met zijn karakter om onder eenig voorwendsel belet te geven; en,
om iemand, die in deze hitte een kwartier ver kwam loopen, eenvoudig
met de boodschap: mijnheer ontvangt niet, naar huis te zenden, dat
kon er in 't geheel niet door.
De merkbaar gedrukte stemming, waarin de generaal verkeert, werkt
eenigszins kalmeerend op den gloeienden Kippelaan, en doet hem voor
een goed deel zijn "joviale vrijmoedigheid" verliezen.
"En welke zaak is het menheer, waarover u mij zoo noodzakelijk
spreken moest?"
"De zaak uw excellentie, de.... eigenlijke zaak.... Enfin, mijn
naam is u bekend: Kippelaan, patricische familie; mama een geboren
Parladotti.--Allebei overleden; papa en mama, aan de mazelen op een
reisje, in den bloei van 't leven. Enfin! de eenige spruit, Julus
Janin, naar een Fransch bisschop uit de veertiende of vijftiende
eeuw--daar wil ik afwezen. Al vroeg...."
"De hoofdzaak, menheer Kippelaan?"
Kippelaan wischt zich nogmaals eenige bruinachtige zweetdroppels van
't gelaat. De donkergrijze oogen van den ouden generaal zien hem zoo
"dolks en sabels" aan.
"De zaak uw excellentie, de zaak, enfin...." Eensklaps opstaande
terwijl hij een snelle buiging maakt: "Mijn bijzonder compliment
generaal. 't Prouveert voor zijn kunde, voor zijn praktijk. 't Zal
uw gloriole zijn; ik wensch u van harte...." Kippelaan is er bijna
toe gekomen om weder een aanval op Van Barnevelds hand te wagen,
doch dat scherpziende oog dringt hem terug.
"Wàt meen je menheer?"
De generaal wendt straks het hoofd naar de raamzijde. 't Heeft hem
de grootste moeite gekost om zijn verbazing voor dien babbelaar te
verbergen, toen hij hem met een zonderling gekozen woordenvloed hoorde
verhalen, dat dokter Helmond onderhands het oud-burgemeestershuis op
de markt gekocht had.
Mijnheer Kippelaan gevoelde zich meer op zijn gemak toen hij mocht
bespeuren de eerste boodschapper van dat goede nieuws te zijn
geweest. De zaak, ohee, was anders in Romphuizen reeds "publiek
domein". Op een avondpartij bij den notaris in 't laatst van de
vorige week--waar o. a. ook getruffeerde kapoen uit Utrecht was
geweest--daar moet die zaak tusschen thee en wijn reeds haar beslag
hebben gekregen. Piet de aanspreker, die er 's-avonds met witte
handschoenen heeft gediend, maar volgens de waschvrouw z'n duim
in de chocolade-vla had gehouden, Piet heeft hem 's-anderendaags
bij 't scheren, stellig verzekerd dat de zaak haar beslag had. Er
waren onder de gasten heel wat glaasjes op den nieuwen koop en de
aanstaande bewoners gedronken. De kleinste freule Blankenberge met
den wipneus, had zachtjes tegen den majoor Kartenglimp gezegd: "Voor
achttienduizend! Spotprijs!" en de majoor heeft toen geheimzinnig
met de oogen geknipt alsof hij er alles van wist.
Dokter Helmond en zijn vrouw hadden de hoogste plaatsen aan tafel
moeten innemen. Piet kon dat precies weten met de tafelpooten en de
fauteuils--hij lette op alles, en de notaris had een "toost geslagen"
zei Piet, over "de schoonere toekomst van de goede stad Romphuizen,
wanneer degelijke kundige mannen zooals dokter Helmond, blijk gaven
dat zij zich hoe langer hoe meer aan de spits stelden der burgerij;
wanneer vrouwen, zoo schoon en beminnelijk als zijn gade, wilden post
vatten op het hoogste, zeerzeker het moeielijkste standpunt, om van
daar beschermend en zegenend de handen over de plaats harer inwoning
uit te strekken." De majoor Kartenglimp had toen ook een "toost
geslagen", en gezegd: dat de man die in het stadje Romphuizen zoo
hoog werd gewaardeerd, die tot zulk een bevoorrechten stand behoorde,
en wellicht eenmaal niet slechts onder de meestvermogenden in deze
gemeente, maar tevens--hij mocht met eenige zekerheid spreken--dank
zij het bezit van eene zoo uitstekend schoone en talentvolle gade,
den schitterendsten titel zou kunnen verwerven, dat zulk een man
dan ook voorzeker zijn edelste krachten zou blijven wijden aan het
heil van het lieve stedeke waarvan _hij_, gave het God!--de majoor
had toen den blik naar boven geslagen--eenmaal de vader, en zij, die
teedere gade, de beschermvrouw, neen, de _moeder_ zou worden genoemd.
Piet de aanspreker had dit alles zoo duidelijk gehoord dat mijnheer
Kippelaan zich recht gelukkig gevoelde om nu de détails even precies
te kunnen teruggeven. 't Was zeker voor den ouden generaal, die er
nog niets van wist, aller.... aller.... interessantst!
"Welzeker, om u te dienen je excellentie; welzeker, tenminste
gisterenavond hoorde ik nog dat uw lieve familie reeds met Augustus
't nieuwe huis zou betrekken.... en...."
"Genoeg menheer....!"
"Ben ik onbescheiden geweest? O pardon! Ja ik was
onbescheiden. Misschien moest het een surprise, een.... pardon,
pardon! Ik heb niets gezegd, niemendal. Wat weet ik ook anders dan wat
iedereen weet. Meubels uit Utrecht; enfin, apotheek afgeschaft; 't huis
aan den wal cadeau aan mevrouw Van Hake. Genereus, allerliefst....!"
De generaal, die een paar malen terwijl hij weer naar buiten zag, op
't punt is geweest om dien wauwelaar den mond te snoeren, zegt bedaard:
"Heeft men u verzocht mij die boodschap te brengen? Was dát de zaak
waarover...."
"Waarover ik u spreken kwam? O pardon, pardon excellentie. Ik....,
ik ben...., que voulez-vous; ik.... Charmant lief weertje vandaag,
charmant! Maar de warmte.... ziet-u, de hitte." Opstaande:
"Phu! enfin...."
"Je zult het een oud soldaat ten goede houden menheer, dat hij je den
raad geeft om te denken voordat je spreekt; en, neem me verder niet
kwalijk dat ik je niet langer te woord sta; ik heb hoofdpijn vandaag."
"Hoofdpijn? Tic? tic douloureux? Ah! een martelaar van! Een...."
Van Barneveld staat op:
"Wanneer u beneden een glas wijn met water of wat vruchten wilt
gebruiken, menheer Kippelaan, 't zal me aangenaam zijn, maar wil me
ten goede houden...."
"En toch, ik...., ik bid uw excellentie: als de zon dan mijn hart
en mijn hart dan de zon is, verterend....! O! pardon, ik spreek
te luid, enfin, indien dan een ander, een winkelbediende, zich
verstout een blikslag te werpen op wat mijn ziel bekoort. Generaal,
de liefde.... O, de liefde drijft mij en zal mij drijven. Ik ben, ik
heb.... Mama was een Parladotti; ik ben in den bloei van 't leven; niet
onwelgemaakt!--De teedere ziel onder uw dak generaal, heeft mij als aan
mijzelven ontvoerd, en, dat een pharmaceut, een pillendraaier--pardon,
een kruidenier mijn zaligste hoop en verwachting zou doen vervloeien
tot nietig slijk, dit alles...."
Misschien zou er zich op Van Barnevelds gelaat een glimlach hebben
vertoond, indien niet zooveel grievends zijn borst had vervuld, en
die babbelaar hem geen zaken meegedeeld en vermoedens bij hem had
opgewekt, waardoor hij nog meer in een bittere stemming geraakte.
Sedert den fatalen avond, toen dat "ijdele overmoedige ding" zulk
een diepe kloof tusschen hem en zijn meestgeliefden pleegzoon heeft
gedolven, is Van Barneveld zichtbaar afgetrokken en stil geworden. Ja
zelfs, hoezeer het hem verheugde een merkbare beterschap bij Jacoba
waar te nemen, zijn bijzonder gedrukte stemming--ofschoon hij haar
zooveel mogelijk bestreed en voor Coba te verbergen zocht--was er niet
door verminderd. Toen August zich veertien dagen later deed aanmelden,
toen heeft Hendrik de boodschap aan dokter gebracht, dat de generaal
niemand ontving; en zoo heeft Helmond, zonder nadere verklaring,
kunnen begrijpen waaraan hij zich te houden had.
Uit een vertrouwelijk gesprek met Jacoba, waartoe de vader na rijp
beraad besloten heeft, was het hem tot zijn groote blijdschap
duidelijk gebleken, dat tante Hermines onderstelling, alsof een
geheime liefde voor August haar zenuwgestel zou ondermijnd hebben,
ten eenenmale ongegrond is geweest; en evenzeer had de luchtige wijze
waarop Jacoba, bij dat gesprek, over Donerie's dood is heengegleden,
hem wel het bewijs gegeven dat Helmonds vermoeden, waarmee hij zijn
vaderhart zoozeer heeft gekwetst, niet minder ongerijmd mocht heeten;
maar, of de vrees voor Jacoba's welzijn--nu hij haar werkelijk wat
opgeruimder zag worden, ja zelfs nu hij haar weer telkens hoorde
zingen zonder dat het haar kwaad scheen te doen--ach, of die vrees,
die onrust over zijn kind, hem dan door Gods goedheid voor 't oogenblik
is benomen, er was een diepe, een steeds dieper grijpende smart die
_niet_ zou voorbijgaan.
--Ja, t zal zeker wijs en goed zijn dat hij nog leeft, voor zijn
eenig kind, maar anders....! Wanneer hij bedenkt wat het had kunnen
zijn!--O God, die lieve jongens, die stoeiende knapen! Moest hij
ze dan grootbrengen om ze beiden te verliezen, en zonder dat ze
gestorven waren! Daar zijn oogenblikken die hij niet vergeet: Op elke
knie zat er een. August rechts; _de ander_ links. Wat staarden die
tintelende oogjes hem aan wanneer hij hun van Waterloo, en Hasselt
en Leuven, of van Neerlands helden en groote mannen vertelde,
van De Ruyter vooral, den godvruchtigen zeeheld.--Ha, hij ziet die
zielvolle kijkers nog glinsteren wanneer hij zoo verhaalt. En dan,
't was winter; druipnat werden ze thuis gebracht; de doodskleur lag op
beider gelaat.--"Gerust maar," had _de ander_ tot den oudsten broeder
gezegd: "het ijs is sterk genoeg; als je er doorzakt dan zal _ik_
er je uithalen, op m'n woord van eer."--En August was er doorgezakt,
en _de ander_, trouw aan zijn woord, is hem nagesprongen; maar,
als vreemden hen niet gered hadden dan zouden ze beiden verdronken
zijn. De arme jongens! En wat schreide kleine Coba toen ze hen daar
zoo koud en zoo bleek zag; en hij--de pleegvader--hij voelt nog dat
inwendig beven, 'twelk hij nooit te voren gevoelde; en 't is hem
nog als biggelt de traan langs zijn wang terwijl hij bad: "O God,
laat het rood terugkomen op die kaken en de ziel weer in die oogen
blinken; ik heb die jongens _zoo lief_!"--Ja, dat zijn oogenblikken
die men nooit vergeet. Maar weg, weg met deze herinneringen! Zwakheid
is laagheid! Toegeeflijkheid is spelen met de zonde! Een adder,
die de borst waaraan hij werd gekoesterd vergiftigt, wordt in het
vuur geworpen. En ook, de man die een ijdel schepsel terzij staat
terwijl ze een grijzen weldoener lastert en smaadt; die, zonder haar
te gebieden dat ze zich aan zijn voeten zal verootmoedigen, ja zelfs,
die zonder genade voor haar te vragen, heengaat en eerst veertien volle
dagen later terugkomt, om, ijskoud bij de geringste tegenkanting,
zich voorgoed verwijderd te houden, zulk een man is...... Ha! en de
maat was nog niet volgemeten. 't Moest August bekend zijn hoe de dwaze
familie zijner vrouw--zonder twijfel door _haar_ gedreven--den ouden
luitenant-generaal heeft durven krenken! Het libel ligt daar nog in
den lessenaar om tegen dat vermetele volk te getuigen:
"Hiernevens zendt de familie Van Armeloo aan den
Hoogedelgestrengen heer A. Van Barneveld de vijftig gulden
terug, die ZEd.--haars ondanks' en onbewust--voor het diner
had geschonken, 't welk zij ter eere van het huwelijk harer
dochter, mejonkvrouwe E. Van Armeloo, met den heere dokter
A. Helmond heeft gegeven.