NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

't Is een prachtige maar tevens een echt autocratische zomerdag. Zelfs

de machtigen der aarde houden met slappe hand de teugels van 't bewind,

en buigen het hoofd, want heden is het de zon, die haar macht doet

gevoelen en het aardrijk regeert met verblindende majesteit.

Alles zwijgt in het gloeiend middaguur.

De landman slaapt; het rundvee staat te lodderoogen in de schaduw

van wilg en hagedoorn; de schapen op de hei hebben den zoom van het

dennenbosch gezocht waar hun herder met opgetrokken knieën achterover

op den grond ligt, en Philax nevens hem met de amechtige tong uit

den ruigen bek.

Alles zwijgt. Geen vogel doet er zijn lied schallen of tjilpt op

bescheiden toon; geen blaadje is er dat ritselt. Slechts een enkele

bij, die zich op rappe wiek naar gindsche kamperfoelie spoedt,

snort suizend langs 't oor; of ook een zwerm bruinvliegen doet zich

hooren, wanneer een loome hoef of klauw den verschgevallen buit in

't weiland beroeren komt, en 't klein en azend gedierte daardoor al

gonzend uiteenschuift.

Het landgoed _De Zonsberg_ ligt daar almede zwijgend en dorstend in

de gloeiende stralen der Juni-zon.

Nochtans voor den mensch, die zich heden aan een wandeling op den

Romphuizer straatweg durft wagen, schijnt dat landgoed een oase te

zijn. Ja zie maar, achter die fonkelend roode en witte stamrozen aan

de linkerzij van het huis onder het lommer van het zwaar geboomte,

daar moet het wel overheerlijk koel en verkwikkelijk wezen.

Mijnheer Kippelaan, nog slechts weinige schreden van het groote

ijzeren hek van _De Zonsberg_ verwijderd, voelt nogmaals naar zijn

beide boordjes, die van de overmatige warmte in onmacht liggen;

doet een hopelooze poging om ze weer tot den "kelk te vormen waarin

zijn edelst lichaamsdeel--het hoofd--is gevat", en vraagt zich zelven

dan zeer ernstig af: of hij in zulk een toestand wel inderdaad zijn

plan kan volvoeren? 't Loopt hem--met permissie--onder den hoed uit,

en langs het aangezicht met straaltjes den hals in. Kon hij 't zelf

zien dan zou hij bespeuren: eenigszins bruinachtig gekleurd door de

pomade, waarmee hij straks aan zijn kapsel zulk een verhoogden glans

en zomergeur heeft gegeven.

Mijnheer Kippelaan begrijpt echter bij nader overwegen, dat

juist deze positie--_en jus, en nage_--moet meewerken in zijn

belang. Men trotseert! men braveert! men waagt een coup de soleil,

een hersenontsteking!

't Is verbeelding, maar Kippelaan verbeeldt zich dat hij het ijzeren

hek hoort sissen nu hij het met zijn eenigszins vochtige vingers

aanraakt. 't IJzer was letterlijk gloeiend. Enfin, zijn hart! Enfin,

alles was heden daarmee in harmonie!

En terwijl mijnheer Kippelaan nu zijn paille glacé handschoenen

gaat aantrekken, maar den laatste, bij een geweldige inspanning om

hem over de vochtige "muis" te krijgen, van onder tot boven ziet

openbersten, stapt hij--door het ongeluk zoo mogelijk nog meer _en

nage_ geraakt--het gazon om, en op de groote stoep toe, doch ziet

dan eensklaps terzij van het landhuis achter die prachtig fonkelende

rozen en onder het zwaar geboomte, iets.... wits; iets.... En....

Daar staat hij dan nu.... in _hare_ nabijheid!--Zoo pas uit de felle

zon in het dichte lommer gekomen, heeft hij niet dadelijk bemerkt

dat zij ter afwering van muggen en ander "onwellevend gevogelt" een

witzijden doek over 't hoofd heeft gehangen, en, door de drukkende

hitte overweldigd, in slaap is gevallen. Hoezeer ook _en nage_,

met de sierlijkste buigingen is hij haar genaderd. Doch, nu buigt

hij niet meer.

"'t Hem, kehem!" kucht hij eenige malen steeds luider en krachtiger,

ofschoon gedempt. Doch helaas, het baat hem niet!

--Zij slaapt! O zij slaapt!!--Edele spruit! droomt zij

wellicht, en ziet ze met haar zielvol geestesoog den man die

haar.... enfin.... aanbidt, die háár, en al wat het hare is, liefheeft

als zich zelf? Droomt ze van hém, en vermoedt ze onbewust dat hij in

haar nabijheid ademt? Zal hij haar nog een wijle bespieden, ofschoon

hij door dien vasten sluier, waarachter ze zich verborg, niets anders

kan waarnemen dan de plek, waar zich het topje van haar neus bevindt? O

die teedere! O dat uitstekende topje! hij zou het willen aanraken,

hij zou haar willen ontsluieren en dan op dat topje een zoen drukken,

en haar zeggen: Hier is hij die over u waakt als gij slaapt! Hier

is hij van wien gij "droomend waakt en wakend droomt"; die u "wil

omstrengelen met de teerheid van zijn hart". Maar--helaas! paf! daar

barst ook de tweede paille handschoen. Schrikt ze wakker? Nee! zie

maar.--Bah! 't is te warm voor handschoenen.

--Hij zal ze allebei uitdoen en los in de hand houden, dan ziet men

niet dat ze kapot zijn.

"Juffrouw! juffrouw Jacoba!"

De neustop klimt. De sluier valt:

"Goeje hemel!--phu!--wat? Wie....? phu! Pardon menheer.... wie heb ik

't plezier....?"

"Hé, ik dacht...." zegt Kippelaan, in den beginne eenigszins uit

het veld geslagen: "Ik meende dat u.... Maar enfin, ik heb de eer

mevrouw Mansburg te zien? Ontzaglijk veel genoegen! Altijd wèl geweest

mevrouw? En mijnheer de luitenant-generaal....?--Charmant mooi weer. Ik

dacht.... enfin.... la belle dormeuse au bois, enfin!...."

"O ik vraag wel om verschooning. Mijnheer.... re Kippelaan

nietwaar....?"

"Jules Janin, om u te dienen. Van mama's kant--de

Parladotti's--Italiaansche origine!--Recht aangenaam u hier te

ontmoeten. Fameuse warmte, maar als het hart niewaar....? Een dame,

eene vrouw gevoelt zoo spoedig wat men zeggen wil. Geen zonnehitte

is instaat om...."

Mevrouw Mansburg, die vreeselijk benauwd onder den zijden doek had

gedroomd, weet waarlijk niet of ze nog wel heel wakker is.

--Wat wil die man?!

"Waarschijnlijk zal uw bezoek mijn broeder gelden," valt ze haastig in:

"wanneer u zoo goed wilt zijn maar even te schellen dan zal de knecht

u aandienen."

"Pardon, o pardon mevrouw; het voorrecht u hier 't eerst te spreken! 't

Was ontzettend warm op den weg, en dáárom, indien ik mijn hart het

eerst voor u mocht ontlasten; indien...."

"Mijnheer, ik verzoek u niet verder te gaan.--Op mijne jaren...." En

dan terwijl een vuurrood haar aangezicht bedekt, staat mevrouw

Mansburg van de tuinbank op, en Kippelaan den rug toekeerend om

zich naar de achterzij van het huis te begeven, voegt ze er bij:

"Zooals ik u zeide, men laat zich aanmelden. Ginds is de voordeur."

De generaal Van Barneveld verkeerde 't allerminst in een stemming

om menschen als Kippelaan te ontvangen. Nochtans het strookte niet

met zijn karakter om onder eenig voorwendsel belet te geven; en,

om iemand, die in deze hitte een kwartier ver kwam loopen, eenvoudig

met de boodschap: mijnheer ontvangt niet, naar huis te zenden, dat

kon er in 't geheel niet door.

De merkbaar gedrukte stemming, waarin de generaal verkeert, werkt

eenigszins kalmeerend op den gloeienden Kippelaan, en doet hem voor

een goed deel zijn "joviale vrijmoedigheid" verliezen.

"En welke zaak is het menheer, waarover u mij zoo noodzakelijk

spreken moest?"

"De zaak uw excellentie, de.... eigenlijke zaak.... Enfin, mijn

naam is u bekend: Kippelaan, patricische familie; mama een geboren

Parladotti.--Allebei overleden; papa en mama, aan de mazelen op een

reisje, in den bloei van 't leven. Enfin! de eenige spruit, Julus

Janin, naar een Fransch bisschop uit de veertiende of vijftiende

eeuw--daar wil ik afwezen. Al vroeg...."

"De hoofdzaak, menheer Kippelaan?"

Kippelaan wischt zich nogmaals eenige bruinachtige zweetdroppels van

't gelaat. De donkergrijze oogen van den ouden generaal zien hem zoo

"dolks en sabels" aan.

"De zaak uw excellentie, de zaak, enfin...." Eensklaps opstaande

terwijl hij een snelle buiging maakt: "Mijn bijzonder compliment

generaal. 't Prouveert voor zijn kunde, voor zijn praktijk. 't Zal

uw gloriole zijn; ik wensch u van harte...." Kippelaan is er bijna

toe gekomen om weder een aanval op Van Barnevelds hand te wagen,

doch dat scherpziende oog dringt hem terug.

"Wàt meen je menheer?"

De generaal wendt straks het hoofd naar de raamzijde. 't Heeft hem

de grootste moeite gekost om zijn verbazing voor dien babbelaar te

verbergen, toen hij hem met een zonderling gekozen woordenvloed hoorde

verhalen, dat dokter Helmond onderhands het oud-burgemeestershuis op

de markt gekocht had.

Mijnheer Kippelaan gevoelde zich meer op zijn gemak toen hij mocht

bespeuren de eerste boodschapper van dat goede nieuws te zijn

geweest. De zaak, ohee, was anders in Romphuizen reeds "publiek

domein". Op een avondpartij bij den notaris in 't laatst van de

vorige week--waar o. a. ook getruffeerde kapoen uit Utrecht was

geweest--daar moet die zaak tusschen thee en wijn reeds haar beslag

hebben gekregen. Piet de aanspreker, die er 's-avonds met witte

handschoenen heeft gediend, maar volgens de waschvrouw z'n duim

in de chocolade-vla had gehouden, Piet heeft hem 's-anderendaags

bij 't scheren, stellig verzekerd dat de zaak haar beslag had. Er

waren onder de gasten heel wat glaasjes op den nieuwen koop en de

aanstaande bewoners gedronken. De kleinste freule Blankenberge met

den wipneus, had zachtjes tegen den majoor Kartenglimp gezegd: "Voor

achttienduizend! Spotprijs!" en de majoor heeft toen geheimzinnig

met de oogen geknipt alsof hij er alles van wist.

Dokter Helmond en zijn vrouw hadden de hoogste plaatsen aan tafel

moeten innemen. Piet kon dat precies weten met de tafelpooten en de

fauteuils--hij lette op alles, en de notaris had een "toost geslagen"

zei Piet, over "de schoonere toekomst van de goede stad Romphuizen,

wanneer degelijke kundige mannen zooals dokter Helmond, blijk gaven

dat zij zich hoe langer hoe meer aan de spits stelden der burgerij;

wanneer vrouwen, zoo schoon en beminnelijk als zijn gade, wilden post

vatten op het hoogste, zeerzeker het moeielijkste standpunt, om van

daar beschermend en zegenend de handen over de plaats harer inwoning

uit te strekken." De majoor Kartenglimp had toen ook een "toost

geslagen", en gezegd: dat de man die in het stadje Romphuizen zoo

hoog werd gewaardeerd, die tot zulk een bevoorrechten stand behoorde,

en wellicht eenmaal niet slechts onder de meestvermogenden in deze

gemeente, maar tevens--hij mocht met eenige zekerheid spreken--dank

zij het bezit van eene zoo uitstekend schoone en talentvolle gade,

den schitterendsten titel zou kunnen verwerven, dat zulk een man

dan ook voorzeker zijn edelste krachten zou blijven wijden aan het

heil van het lieve stedeke waarvan _hij_, gave het God!--de majoor

had toen den blik naar boven geslagen--eenmaal de vader, en zij, die

teedere gade, de beschermvrouw, neen, de _moeder_ zou worden genoemd.

Piet de aanspreker had dit alles zoo duidelijk gehoord dat mijnheer

Kippelaan zich recht gelukkig gevoelde om nu de détails even precies

te kunnen teruggeven. 't Was zeker voor den ouden generaal, die er

nog niets van wist, aller.... aller.... interessantst!

"Welzeker, om u te dienen je excellentie; welzeker, tenminste

gisterenavond hoorde ik nog dat uw lieve familie reeds met Augustus

't nieuwe huis zou betrekken.... en...."

"Genoeg menheer....!"

"Ben ik onbescheiden geweest? O pardon! Ja ik was

onbescheiden. Misschien moest het een surprise, een.... pardon,

pardon! Ik heb niets gezegd, niemendal. Wat weet ik ook anders dan wat

iedereen weet. Meubels uit Utrecht; enfin, apotheek afgeschaft; 't huis

aan den wal cadeau aan mevrouw Van Hake. Genereus, allerliefst....!"

De generaal, die een paar malen terwijl hij weer naar buiten zag, op

't punt is geweest om dien wauwelaar den mond te snoeren, zegt bedaard:

"Heeft men u verzocht mij die boodschap te brengen? Was dát de zaak

waarover...."

"Waarover ik u spreken kwam? O pardon, pardon excellentie. Ik....,

ik ben...., que voulez-vous; ik.... Charmant lief weertje vandaag,

charmant! Maar de warmte.... ziet-u, de hitte." Opstaande:

"Phu! enfin...."

"Je zult het een oud soldaat ten goede houden menheer, dat hij je den

raad geeft om te denken voordat je spreekt; en, neem me verder niet

kwalijk dat ik je niet langer te woord sta; ik heb hoofdpijn vandaag."

"Hoofdpijn? Tic? tic douloureux? Ah! een martelaar van! Een...."

Van Barneveld staat op:

"Wanneer u beneden een glas wijn met water of wat vruchten wilt

gebruiken, menheer Kippelaan, 't zal me aangenaam zijn, maar wil me

ten goede houden...."

"En toch, ik...., ik bid uw excellentie: als de zon dan mijn hart

en mijn hart dan de zon is, verterend....! O! pardon, ik spreek

te luid, enfin, indien dan een ander, een winkelbediende, zich

verstout een blikslag te werpen op wat mijn ziel bekoort. Generaal,

de liefde.... O, de liefde drijft mij en zal mij drijven. Ik ben, ik

heb.... Mama was een Parladotti; ik ben in den bloei van 't leven; niet

onwelgemaakt!--De teedere ziel onder uw dak generaal, heeft mij als aan

mijzelven ontvoerd, en, dat een pharmaceut, een pillendraaier--pardon,

een kruidenier mijn zaligste hoop en verwachting zou doen vervloeien

tot nietig slijk, dit alles...."

Misschien zou er zich op Van Barnevelds gelaat een glimlach hebben

vertoond, indien niet zooveel grievends zijn borst had vervuld, en

die babbelaar hem geen zaken meegedeeld en vermoedens bij hem had

opgewekt, waardoor hij nog meer in een bittere stemming geraakte.

Sedert den fatalen avond, toen dat "ijdele overmoedige ding" zulk

een diepe kloof tusschen hem en zijn meestgeliefden pleegzoon heeft

gedolven, is Van Barneveld zichtbaar afgetrokken en stil geworden. Ja

zelfs, hoezeer het hem verheugde een merkbare beterschap bij Jacoba

waar te nemen, zijn bijzonder gedrukte stemming--ofschoon hij haar

zooveel mogelijk bestreed en voor Coba te verbergen zocht--was er niet

door verminderd. Toen August zich veertien dagen later deed aanmelden,

toen heeft Hendrik de boodschap aan dokter gebracht, dat de generaal

niemand ontving; en zoo heeft Helmond, zonder nadere verklaring,

kunnen begrijpen waaraan hij zich te houden had.

Uit een vertrouwelijk gesprek met Jacoba, waartoe de vader na rijp

beraad besloten heeft, was het hem tot zijn groote blijdschap

duidelijk gebleken, dat tante Hermines onderstelling, alsof een

geheime liefde voor August haar zenuwgestel zou ondermijnd hebben,

ten eenenmale ongegrond is geweest; en evenzeer had de luchtige wijze

waarop Jacoba, bij dat gesprek, over Donerie's dood is heengegleden,

hem wel het bewijs gegeven dat Helmonds vermoeden, waarmee hij zijn

vaderhart zoozeer heeft gekwetst, niet minder ongerijmd mocht heeten;

maar, of de vrees voor Jacoba's welzijn--nu hij haar werkelijk wat

opgeruimder zag worden, ja zelfs nu hij haar weer telkens hoorde

zingen zonder dat het haar kwaad scheen te doen--ach, of die vrees,

die onrust over zijn kind, hem dan door Gods goedheid voor 't oogenblik

is benomen, er was een diepe, een steeds dieper grijpende smart die

_niet_ zou voorbijgaan.

--Ja, t zal zeker wijs en goed zijn dat hij nog leeft, voor zijn

eenig kind, maar anders....! Wanneer hij bedenkt wat het had kunnen

zijn!--O God, die lieve jongens, die stoeiende knapen! Moest hij

ze dan grootbrengen om ze beiden te verliezen, en zonder dat ze

gestorven waren! Daar zijn oogenblikken die hij niet vergeet: Op elke

knie zat er een. August rechts; _de ander_ links. Wat staarden die

tintelende oogjes hem aan wanneer hij hun van Waterloo, en Hasselt

en Leuven, of van Neerlands helden en groote mannen vertelde,

van De Ruyter vooral, den godvruchtigen zeeheld.--Ha, hij ziet die

zielvolle kijkers nog glinsteren wanneer hij zoo verhaalt. En dan,

't was winter; druipnat werden ze thuis gebracht; de doodskleur lag op

beider gelaat.--"Gerust maar," had _de ander_ tot den oudsten broeder

gezegd: "het ijs is sterk genoeg; als je er doorzakt dan zal _ik_

er je uithalen, op m'n woord van eer."--En August was er doorgezakt,

en _de ander_, trouw aan zijn woord, is hem nagesprongen; maar,

als vreemden hen niet gered hadden dan zouden ze beiden verdronken

zijn. De arme jongens! En wat schreide kleine Coba toen ze hen daar

zoo koud en zoo bleek zag; en hij--de pleegvader--hij voelt nog dat

inwendig beven, 'twelk hij nooit te voren gevoelde; en 't is hem

nog als biggelt de traan langs zijn wang terwijl hij bad: "O God,

laat het rood terugkomen op die kaken en de ziel weer in die oogen

blinken; ik heb die jongens _zoo lief_!"--Ja, dat zijn oogenblikken

die men nooit vergeet. Maar weg, weg met deze herinneringen! Zwakheid

is laagheid! Toegeeflijkheid is spelen met de zonde! Een adder,

die de borst waaraan hij werd gekoesterd vergiftigt, wordt in het

vuur geworpen. En ook, de man die een ijdel schepsel terzij staat

terwijl ze een grijzen weldoener lastert en smaadt; die, zonder haar

te gebieden dat ze zich aan zijn voeten zal verootmoedigen, ja zelfs,

die zonder genade voor haar te vragen, heengaat en eerst veertien volle

dagen later terugkomt, om, ijskoud bij de geringste tegenkanting,

zich voorgoed verwijderd te houden, zulk een man is...... Ha! en de

maat was nog niet volgemeten. 't Moest August bekend zijn hoe de dwaze

familie zijner vrouw--zonder twijfel door _haar_ gedreven--den ouden

luitenant-generaal heeft durven krenken! Het libel ligt daar nog in

den lessenaar om tegen dat vermetele volk te getuigen:

"Hiernevens zendt de familie Van Armeloo aan den

Hoogedelgestrengen heer A. Van Barneveld de vijftig gulden

terug, die ZEd.--haars ondanks' en onbewust--voor het diner

had geschonken, 't welk zij ter eere van het huwelijk harer

dochter, mejonkvrouwe E. Van Armeloo, met den heere dokter

A. Helmond heeft gegeven.

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 41 / 85 题