Den volgenden morgen nadat Eva zich voor 't koffiedrinken gekleed had,
ontstelde ze een weinig toen ze, beneden gekomen, in den zak van haar
japon nog den brief vond, dien ze den vorigen avond voor August van _De
Zonsberg_ had meegenomen. Maar immers haar lieve man zou wel begrijpen
dat zij, door 'tgeen er is voorgevallen, dien brief vergeten moest.
En August heeft het begrepen. Doch, niet zoodra had hij het adres van
den veel gestempelden brief bezien, en in het schrift de hand van
Jacoba Van Barneveld herkend, of hij stak hem snel in zijn jaszak,
om echter losweg te zeggen:
"O van..... ne dinges, dat was niets; al gesproken."
"Dinges, een patiënt?"
"Ja, 't heeft niets te beduiden."
"Wil je eens weten August, wat ik dacht toen ik dien brief voor
je kreeg?"'
"Welnu?"
"Ei, dacht ik, is mijn lieve man zoo met dames aan 't
correspondeeren. Ja, 't kan niet missen, 't adres is van een
vrouwenhand, en...."
"Is dat zoo duidelijk? Waaraan zou dat te zien zijn? Ik ken dames
genoeg die een fiksche heerenhand schrijven, en heeren in legio die
krabbelen als een keukenmeid. Ik verzeker je....."
"Hé August, hoe vat je daar ineens zoo verschrikkelijk vuur op? Zóó
zou je iemand waarlijk op gedachten brengen die...."
"Die....? Wat meen je Eva?"
Er werd aan de deur geklopt.
Een oogenblik later overhandigde Thomas Van Hake aan de doktersvrouw
een brief waarvan het adres luidde:
Madame E. Helmond.
née Van Armeloo,
en ville."
Eva bloosde niet, maar, het adres beziende, ging ze toch naar
het venster om een kleine ontroering te verbergen. 't Was dwaas,
bespottelijk; maar 't kon ook niet zotter treffen: juist op het
oogenblik dat de brief, dien August zoo haastig had geborgen,
haar inderdaad begon te intrigeeren en--zij moest het zich zelve
bekennen--terwijl Helmonds vreemde houding haar onaangenaam
heeft getroffen, bracht men haar een brief van een.... onbekende
_mannenhand_.
Eva zal echter van _haar_ brief _geen_ geheim maken. Dat behoort en
dat behoeft ook volstrekt niet.
Helmond ziet haar zwijgend aan. Eva opent den brief en leest voor
zich zelve:
"Mevrouw!
Gisteravond, na een hoogstaangename kennismaking met de echtgenoote
van mijn hooggeëerden dokter, thuis gekomen, heeft het mij tot een
waar genoegen verstrekt om--voor zooveel de bronnen er mij toe in
staat stelden--na te sporen of mijn vermoeden zekerheid zou blijken
te zijn....."
"Wat scheelt je Eva? Je wordt bleek. Van wien is die brief?"
Eva heeft zich spoedig hersteld; ze weet nu waarover die brief
handelt. Een paar seconden ziet ze August zwijgend aan, en dan zegt
ze met nadruk, ofschoon vriendelijk zacht:
"Ik denk op dit oogenblik, in verband met een brief die straks
zoo spoedig in een jaszak werd geborgen, aan een laatsten avond in
't Hotel du Helder. Als dokter Helmond telkens redenen heeft om wat
men hem schrijft voor zijn vrouw te verbergen, zou dat niet een zeer
slecht voorbeeld kunnen zijn.....? Maar nee, nee August, zoo wil ik
het niet. Ziehier, wij zullen samen lezen."
"Zou je denken Eva, dat een zweem van.... jaloezie..... of.....?"
"Ssst ssst beste man, wie zou aan zóó iets denken! Kom lees nu mee;
't betreft....."
"Is het je wensch; is het noodig? goed! maar zoo niet.... als men
mijn lieve kind slechts den eerbied betoont, dien men haar als vrouw
is verschuldigd, dan ben ik tevreden."
"O wat dát betreft; zie maar, de laatste regels ze vloeien over
van eerbied."
Een oogenblik later lezen Eva en Helmond te zamen:
".... thuis gekomen heeft het mij tot een waar genoegen
verstrekt om, voor zooveel de bronnen er mij toe in staat
stelden, na te sporen, of mijn vermoeden zekerheid zou
blijken te zijn, dat n. l. mijnheer uw vader inderdaad een
afstammeling is van het bekende oud-Hollandsch geslacht der
graven Van Armeloo."
"Wat, duivel, is die Kartenglimp gek!"
"Hé, vinje?"
Men leest verder:
"Met het familiewapen van Mijnheer uw vader bekend, mocht ik
inderdaad de overeenkomst treffend bevinden."
Hier volgde een beschrijving van het bedoelde wapen.
"Mijne vroegere relaties"--zoo luidde het verder
in den brief--"brachten mij in kennis met een onzer
eerste genealogen. Door hem werd het mij duidelijk hoe
niet zelden--tijdens de Hervorming vooral--zonen uit de
aanzienlijkste geslachten hun adellijke titels prijsgaven om
ze, bij het omhelzen van de Calvinistische leerstellingen,
met die van herder en leeraar te verwisselen. Bedrieg ik mij
niet, zeer geachte Mevrouw, dan heeft Mijnheer uw vader mij
eens meegedeeld dat hij van Duitsche afkomst was, maar, dat
zijn genealogie niet verder reikte dan tot zijn grootvader
genaamd Peter Harmen Armelo, die in 1787 te Birchheim in
Hanover gestorven was. De treffende overeenkomst der wapens
doet mij schier met volkomen zekerheid beweren, dat een der
voorvaders van Mijnheer uw vader, om geloofs- of andere redenen
uitgeweken, zijn Hollandschen graventitel heeft prijsgegeven om
te zijn een dienaar in den wijngaard des Heeren.--Wanneer zijn
nakroost echter, zooals Mijnheer uw vader deed, opnieuw het
zwaard voerde voor het erf, waarop zijn stam is geworteld, dan,
dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven...."
"Welzeker!" lacht Helmond: "alleraardigst!" En hardop lezend:
"Den ondergeteekende zal het een waar genoegen zijn, indien
hij nader mag vernemen of de familie Van Armeloo hem zal
vergunnen, naar zijn beste vermogen mee te werken tot het
herwinnen van een zoo schitterenden titel, dien zij--naar zijn
bescheiden meening--niet aan haar _nakomelingen_ mag onthouden,
en waarvoor zij zich slechts een geringe financieele opoffering
zal te getroosten hebben.
"Met de meeste onderscheiding en respectsverzekering, zoowel
aan dokter Helmond als aan de geëerde familie Van Armeloo,
heb ik de eer te zijn,
Mevrouw!
Uw zeer bijzonder gehoorzame en dv. Dr.