Ja, de oude generaal--ofschoon hij ten deele op een dwaalspoor is
geraakt--hij gelooft nu alles zeer duidelijk te doorzien. Welzeker:
Hermine heeft gelijk. En al wil dan ook Coba zelve, de jonggehuwden,
maar vooral August bij zich ontvangen, dat mag en kan vooreerst niet
gebeuren. De zaak is van te teederen aard om er zelfs met Helmond
anders dan zeer _zeer_ vanverre over te spreken; en, zal Jacoba leven
en behouden worden, dan moet men gelijktijdig met het versterken van
haar zenuwgestel, alles vermijden, wat nieuw voedsel aan dien droeven
hartstocht zou kunnen geven.
Na Eva's laatsten uitval heeft Van Barneveld niet zonder groote
zelfbeheersching zijn kalmte bewaard. Zulk een toon verdraagt hij niet,
van niemand! Slechts de herinnering aan het gebeurde met den jongsten
pleegzoon, maar tevens een snel herdenken van 'tgeen hij sprak op den
trouwdag; het besef bovendien dat Eva wel inderdaad eenige reden had
om zijn ingenomenheid met haar te mistrouwen, en zich nu gekrenkt
te gevoelen; dit alles, gevoegd bij een aangeboren hoffelijkheid
tegenover de schoone sekse--en Eva was immers zeer schoon--deed den
generaal nu zich zelf met kracht beheerschen. Schijnbaar kalm, doch
niet zonder klem zegt hij:
"Wanneer ik verzeker dat er voor de vrouw, die mijn neef gelukkig wil
maken, een ruime plaats in mijn hart is, dan herhaal ik slechts wat
ik vroeger sprak, en zou wel gaarne op mijn woord geloofd worden. De
welgemeende zoen aan de vrouw van mijn pleegzoon op den dag van
haar huwelijk gegeven, moest haar het bewijs zijn geweest van
mijn.... welwillendheid."
"Waarlijk oom, Eva is geheel van uw liefde overtuigd. Alleen de hooge
prijs, dien zij op uw toegenegenheid stelt, deed haar zoo spreken,
en daarom...."
"En daarom wil ik haar dan ook alleen maar vragen August: of het
voortaan tusschen ons "mijnheer Van Barneveld en mevrouw Helmond" of
"oom en nicht" zal wezen?"
Voor Eva's muzikaal gehoor heeft de toon waarop de oude generaal
daar sprak, niets welluidends gehad noch iets dat haar roeren kon. De
laatste terechtwijzende vraag heeft haar zelfs tamelijk schril in de
ooren geklonken; nochtans voor dien uitdagenden blik, door de grauwe
en zwaar vooruitkomende wenkbrauwen verdonkerd, slaat zij de oogen
neer, en zegt:
"De ongewoonte.... _oom_; men kan zich vergissen."
"Ik begreep het Eva, en geloof dat we elkaar op den duur hoe langer
hoe beter begrijpen zullen." Eensklaps zich tot August wendend:
"Sedert gisteren heb ik besloten met Coba voor een paar maanden naar
_De Godesberg_ te gaan. Dat besluit zul je wel goedkeuren niewaar?"
"De koudwaterkuur heb ik zelf aanbevolen oom; maar...." August beziet
schijnbaar zeer aandachtig de toppen zijner vingeren: "maar, zult u
haar dáár zoo geheel kunnen isoleeren.... op een badplaats?"
Van Barneveld, die op raad van zuster Hermine dit besluit had genomen,
heeft niet berekend dat men hem aanstonds op deze inconsequentie
betrappen zou. Zich gevangen te gevoelen en door eigen schuld,
het maakt den ouden generaal korzelig--narrig! zooals hij het zelf
zou noemen:
"Ik meen dat men dáár zoowel als overal stil kan leven," zegt hij
tamelijk kortaf, en dan tot Eva wier donkere kijkers hem in deze
oogenblikken bepaald hinderen: "Wil je zoo goed zijn nichtje, de
honneurs van het theeblad op je te nemen? mijn zuster schijnt nog
wat boven te blijven."
"Zou mevrouw niet terugkomen.... oom?"
"Ik weet het niet; maar 't is acht uur geslagen."
Of deze opdracht Eva aangenaam is valt moeielijk te bepalen. Vluchtig
denkt ze nochtans aan den morgen en het gebeurde met mevrouw Van
Hake. De parelgrijze handschoenen trekt ze schielijk uit, en voldoet
aan ooms.... _bevel_.
"En denkt u al spoedig te vertrekken?" vraagt August.
"Dat zal van het antwoord afhangen. Dezen morgen heb ik erheen
geschreven." Tot Eva, wier bewegingen hij onwillekeurig heeft gevolgd:
"Ik geloof dat je de verkeerde bus hebt nichtje; in die grootere is
de gewone thee, van de fijne doet Coba er tenminste gewoonlijk maar
zeer weinig bij. We zijn onder ons."
Deze oogenschijnlijk onbeduidende aanmerking klonk inderdaad wat
vreemd uit den mond van den grijzen ex-generaal. August bracht
haar echter onmiddellijk in verband met ooms vroegere opvatting
omtrent Eva; en, heeft hij reeds gevoeld dat hun--of althans dat
háár bezoek den oom geen welkom bezoek was, hij meent nu in die
aanmerking een uit tegenzin geboren toeleg te zien om zijn Eva al
dadelijk wat huishouden en zuinigheid te leeren. 't Was ongepast;
't was.... Maar neen, met de jaren kon zelfs een ex-generaal wel
eens huishoudelijk worden. Oom meent het toch goed, al is hij door
het onverwachte en niet gewenschte bezoek, al is hij om redenen, die
August niet vermoeden kon, in een minder goede luim. Die aanmerking,
zoowel als dat verzoek om thee te schenken, getuigt dat hij Eva als
"eigen", als een lid zijner familie wil beschouwen.--Zijn vrouwtje
vriendelijk toelonkend, zegt hij nu met eenige zelfoverwinning:
"Je woudt oom zeker eens een heel lekker kopje schenken, niewaar Eva?"
"Ik heb daar niet aan gedacht;" antwoordt Eva, over wier wang een
snelle blos is gevlogen, en wat ze er zachter bijvoegt, gaat--gelukkig
misschien--voor den oom verloren, want, Hendrik die mede licht
binnenbrengt, heeft luide het bezoek aangekondigd van den majoor
Kartenglimp.
Van Barneveld fronst even de wenkbrauwen.
Nog slechts weinige dagen geleden is hij heel toevallig met dien
majoor Kartenglimp in aanraking gekomen. Bij een wandeling in het
Hoenderveldsche bosch, op een afgelegen pad, heeft hij hem voor 't
eerst ontmoet, en het vallen van een dooden tak, die, volgens den
majoor, door het gevecht van een kraai en een lijster was afgebroken,
en juist tusschen de beide wandelaars is neergekomen, heeft hen
eenige woorden doen wisselen. Met de meeste belangstelling had de
majoor toen aanstonds naar juffrouw Van Barneveld geïnformeerd,
terwijl hij schier in één adem de bijzondere capaciteiten van Dokter
Helmond heeft geroemd, dewijl hij hem--Kartenglimp--van een ernstige
ongesteldheid zoo spoedig en radicaal genezen had.
Van Barneveld heeft bij die ontmoeting in stilte een zeker leedwezen
gevoeld dat een opvatting, een mindere sympathie voor 't uiterlijk
van dien man, hem lomp heeft doen zijn, dewijl hij hem--volgens
stadsgebruik--bij zijn komst in Romphuizen een visite had behooren
te brengen, 'tgeen hij niet heeft gedaan.
Dat Kartenglimp hem, zonder eenige gevoeligheid daarover te toonen,
in dat bosch zoo beleefd en respectueus heeft toegesproken, 't moest
den generaal wel aangenaam treffen. Immers hij werd toch te oud om zich
door vooroordeelen te laten regeeren, of naar praatjes te luisteren,
die waarschijnlijk in de kleinsteedsche sociëteit met de el waren
uitgemeten. Inderdaad, die majoor was heel vriendelijk, en dewijl
hij gezegd heeft dat hij bij zijn komst in de stad, als zooveel
jonger in jaren en lager in rang, zeerzeker den generaal het eerst
had behooren te complimenteeren, waaraan hij, beter laat dan nooit,
nog gevolg hoopte te geven--zoo heeft Van Barneveld wel niet anders
dan hoffelijk kunnen buigen, met de verzekering dat zijn bezoek hem
zeer aangenaam zou zijn.
Maar, nu kwam hij toch bijzonder ongelegen.... of neen, misschien had
die komst juist nú haar nuttige zijde. De majoor scheen spraakzaam,
en met Dokter Helmond is hij bijzonder ingenomen.
Van dit laatste was August in 't geheel niet overtuigd. Twee malen na
zijn terugkomst van de reis, heeft hij getracht den majoor te bezoeken,
maar telkens was de patiënt niet thuis, en 'tgeen Van Hake hem heeft
gezegd, en wat men later van Kartenglimps waardeering verhaald had,
't is niet geschikt geweest om hem van 's mans ingenomenheid met zijn
persoon een hoog denkbeeld te geven.
--Doch zie, 't bleek alweer dat men de woorden van een patiënt die wat
bang voor vriend Hein is, niet al te letterlijk moest opvatten, en,
dat de later uitgestrooide praatjes eenvoudig Kippelaanspraatjes zijn
geweest. Althans nadat Kartenglimp mevrouw Helmond en den generaal
begroet en naar de gezondheid van juffrouw Van Barneveld heeft
gevraagd, drukt hij zijn dokter met warmte de hand. Met een klein
excuus over "dat telegrafeeren", 'tgeen hij zegt volkomen juist door
dokter te zijn opgevat en beantwoord--buigt hij nogmaals voor Eva,
en terwijl hij haar, na een sierlijke geste, met de zeer belangrijke
lotsverwisseling van harte gelukwenscht--iets, waarin hij vroeger door
zijn ziekte is verhinderd geworden, en waarmee hij nu gemeend heeft te
moeten wachten totdat de familie geheel op orde zou zijn--neemt hij
toch alvast met veel genoegen deze bijzondere gelegenheid te baat,
om zich ook in mevrouw Helmonds vriendschap ten zeerste aan te bevelen.
Dat klonk heel anders dan Helmond verwacht heeft. Niet, dat al de
mooie woorden van den majoor bij hem als _bewijzen_ van hartelijke
belangstelling golden, terwijl Kartenglimps persoonlijkheid hem nooit
bijzonder heeft aangetrokken, zoo kon het hem toch niet anders dan
aangenaam zijn te mogen bemerken dat Kartenglimp niets tegen hem
had, en, wat men van zijn grieven verhaalde, slechts uitstrooisels
zijn geweest.
Nu de majoor zijn excusen heeft gemaakt dat dit eerste bezoek een
avondbezoek is, waarvoor hij echter verschoonende redenen bijbrengt,
wordt de ontmoeting in het Hoenderveldsche bosch als de aanleiding er
toe herdacht. De majoor beweert dat het waarlijk origineel is dat het
vallen van een dooden tak moest meewerken om hem een lang verzuimden
plicht te doen herstellen--althans voor zooveel dit mogelijk was--want
ja, "ja waarlijk generaal," zoo besloot hij: "'t was mijn plicht als
oud-militair om het eerst bij u mijn opwachting te maken.
Van Barneveld beantwoordde deze herhaling van Kartenglimps beleefdheid
met een welwillende geste, en wilde juist vragen of de majoor inderdaad
_goed_ had gezien dat een kraai, telkens het nest van den lijster
voorbijscherend, een sterken vleugelslag aan den wakkeren verdediger
gaf, waardoor in 't eind het doode stuk tak moest zijn afgebroken;
toen Eva, zich over het theeblad vooroverbuigend, zacht maar toch goed
verstaanbaar de vraag tot hem richtte: of oom verlangde dat ze ook
nu--met het bezoek van.... mijnheer!--maar alleen van de _goedkoope_
thee zou gebruiken?
Van Barneveld schijnt haar niet te verstaan, althans zonder te
antwoorden wendt hij zich met zijn vraag--welke hem echter eensklaps
geheel onverschillig is geworden--tot den majoor. Deze heeft met een
oogopslag een zeer verschillende uitdrukking op de drie aangezichten
gelezen, en tevens bemerkt dat Helmond, die zeer nabij zijn vrouw
was gezeten, haar snel maar zacht met de knie heeft aangestooten.
"Jawel je excellentie, ik heb dat zeer goed gezien. Door het breken
van den tak--zooals wij zagen juist een paar vingerbreed vóór het
nest--is de kraai zeer verschrikt weggevlogen, en niet teruggekomen,
tenminste zoolang wij er waren."
"Ahzoo, ja juist; 't deed me plezier dat het nest niet mee naar omlaag
kwam;" zegt de generaal, en kan zich niet weerhouden om tegelijkertijd
een zijdelingschen blik op Eva te werpen.
"Zeker generaal, recht gelukkig!" zegt Kartenglimp, en dan, zich tot
Eva wendend, terwijl hij zijn donkere oogen slechts bij tusschenpoozen
op haar bekoorlijke trekken gevestigd houdt:
"De eerste maal dat ik u vluchtig mocht ontmoeten, waart u zeer
ongesteld mevrouw. Zeker had de Haagsche lucht u geen goed gedaan. Er
is, als ik 't zeggen mag, bepaald eenige sympathie tusschen ons:
die kille temperatuur in den Haag was mij--vooral omdat ik uit
Indië kwam--mede zeer onaangenaam, en, dat wij beiden onze spoedige
herstelling aan denzelfden vriend te danken hebben, nietwaar....?"
"Dan toch altijd naast God," zegt Van Barneveld, die in geen stemming
verkeert om "menschenvergoding" te dulden, en nog twee malen als
tersluiks een blik langs de groote moderateurlamp op Eva geworpen
heeft.
"Natuurlijk, natuurlijk je excellentie, we erkennen dat
stilzwijgend.--En wat ziet mevrouw er geheel anders uit dan toen. Dat
was in Maart als ik me niet bedrieg. Men scheen destijds eenigszins
bevreesd te zijn..... nietwaar? Tenminste onze goede vriend Donerie
sprak er, indien ik mij wel herinner, met de meeste belangstelling
over. Ja waarlijk, ik moet zeggen, dokter heeft er alle eer
van.... althans _naast God_."
De laatste woorden klonken den generaal, uit dien mond, zeer zonderling
gemaakt in de ooren.
Helmond zegt dat Eva inderdaad tegenwoordig gezonder is dan ooit,
en te hopen dat het doktersvrouwtje een uithangbord voor de affaire
zal blijven.
De majoor merkt met bescheidenheid aan dat dit beeld van den dokter,
voor zijn jonge vrouw niet al te flatteus is; maar hij gelooft niet dat
dokter Helmond inderdaad een zoo schitterend uithangbord zal behoeven;
men beweert immers met recht dat het den neef van den generaal Van
Barneveld niet zoo bijzonder ernst met een al te uitgebreide praktijk
kan wezen; zijn jonge vrouw en de geëerde familie van _De Zonsberg_
zouden daar zeker nog al op tegen hebben.
"In 't geheel niet!" zegt Van Barneveld snel en met klem: "Het kan
de vrouw en de familie van mijn neef niet anders dan aangenaam wezen
wanneer de zieken die er zijn en geneeskundige hulp verlangen, hem,
zooveel mogelijk, hun vertrouwen schenken. De schoorsteen zal ervan
moeten rooken."
De majoor Kartenglimp lacht bescheiden met ongeloovig ophalen der
wenkbrauwen; en, heeft hij al straks bemerkt dat de jonge vrouw den
blik van haar oom zocht te ontwijken, nu zag hij bij diens laatste
woorden een donkere blos haar gelaat overtrekken.
Helmond weet met tact het gesprek een andere wending te geven. Zelfs
Eva, door de spraakzaamheid van den galanten majoor daartoe uitgelokt,
mengt er zich een enkele maal in, en was op het punt haar bittere
grieven te vergeten--want de "hatelijke woorden" van Helmonds
pleegvader en "de verregaande schrielheid van dien nabob in zijn
somber paleis" hebben haar als een doorn in het hart gestoken--toen
Kartenglimp de eenvoudige vraag tot haar richtte: of zij zich in haar
nieuwe woning reeds wat thuis gevoelde.
Eva aarzelde een oogenblik, maar toen, bemerkend dat Helmond het
antwoord wilde geven, zegt ze snel met kwalijk verborgen wrevel:
"Ik zou onoprecht zijn majoor, wanneer ik zei dat het huis mij
bevalt. 't Is er somber en gedrukt. Aan de voorzij zit men achter
een dijk, en aan de....."
"Ja, aan de straatzijde valt zeker niet veel te zien;" zegt Kartenglimp
hoofdknikkend.
"Maar we zien er elkaar, niewaar wijfjelief?" valt Helmond in: "en
dat is ons 't voornaamste. Aan een huis moet men wennen evenals aan
een nieuw kleedingstuk."
"Als het kleed niet past August, dan zendt men het terug."
Kartenglimp geeft hoofdknikkend het teeken dat hij de opmerking der
jonge mevrouw zeer ad-rem vindt.
"Men had al gezegd dat u de woning aan den wal zoudt verlaten om
het leegstaande huis op de markt ervoor in plaats te nemen. Ik geloof
generaal, dat de jonge mevrouw in het zoogenaamde oud-burgemeestershuis
meer haar aisances zou gevonden hebben.--Nog altijd te koop je
excellentie."
Op Eva's gelaat was--voor wie in haar ziel had gelezen--een oogenblik
van triumf te bespeuren.
Van Barneveld die bij het hooren van den majoor, telkens sterker den
tegenzin voelde herleven, welke vroeger door dat brutale donkere oog
en de vreemde plooi om dien mond bij hem was opgewekt, meende, ondanks
den strijd, dien hij inwendig moest voeren, dat het zijn plicht was
om vis-à-vis dien man door geen enkel woord meer te verraden dat de
harmonie tusschen hem en de jonge echtgenooten nog iets te wenschen
overliet.
"Ja juist majoor, dat huis is nog te koop, maar ik geloof niet dat
mijn neef er plan op heeft. Is 't wel August?"
Nadat Helmond ontkend, en Kartonglimp Eva's vraag betreffende
zijn verkiezing van suiker en melk in de thee met een bijzondere
hoffelijkheid heeft beantwoord--waarbij hij haar voor 't eerst
rechtstreeks in de schoone oogen zag; na een snellen blik dien de
generaal zijn neef heeft toegeworpen en waarmee hij dien bezoeker
als geenszins van zijn gading, zocht te teekenen, zegt Eva tamelijk
zacht maar toch met nadruk:
"U gebruikt zeker _geen_ suiker in de thee.... oom?"
Kartenglimps oogen waren naar het fraai gestukadoorde plafond gekeerd,
maar toch heeft hij op het hooge voorhoofd van den oom een trilling
gezien als die van den effen vloed, wanneer een geworpen steen hem
beroert, terwijl hem evenmin de half angstige half verwijtende blik
van den jongen man is ontgaan, de blik waarmee hij als 't ware zijn
Eva smeekte om toch niet roekeloos vonken naar buskruit te werpen.
"Maar ik begrijp volstrekt niet tante, waarom ik niet naar beneden zou
gaan; we weten nu immers dat het August en Eva zijn die zich lieten
aandienen," zegt Jacoba terwijl ze mevrouw Mansburg met haar zachte
oogen vriendelijk aanziet: "Wat zou mij nu meer goed kunnen doen dan
eens met mijn besten August te praten, al moet ik hem ook beknorren
dat hij de geheele week nog niet naar mij omzag."
"Papa vindt het beter dat je alle mogelijke drukte vermijdt Coba,
je weet het, en daarom...."
"Als papa geweten had wie het waren, die door Hendrik werden
binnengelaten, dan had hij mij zeker niet verzocht naar boven te gaan."
"Ik geloof het wel Coba; maar we zitten hier immers ook heel prettig
en gezellig op je lieve kamer. Tante zal heel graag bij je blijven."
--O die vermoeiende goedheid! zucht Coba bij zich zelve. Ja,
tante Hermine is inderdaad een voorbeeld van deelnemende liefde;
maar deelneming kan ook zoo bitter drukkend worden, en inzonderheid
wanneer men telkens middelen ter genezing komt aanwenden, terwijl de
wonde niet meer te heelen is.
--Neen, de wonde aan het hart is niet meer te heelen; maar Gode zij
dank, indien men haar nu rustig liet, en niet zoo telkens pijnigde
door haar aan zich zelve te herinneren, en af te houden van hen,
die haar nog lief zijn op de wereld, ja, dan gevoelt ze wel dat het
zwakke lichaam langzamerhand zijn vroegere veerkracht zal hernemen,
en dat ze weer zal kunnen leven, geheel en al, voor den beminden
vader. O voorzeker, nu God zelf met den dood is tusschenbeiden
getreden, nu moest ze het wel verstaan dat ze een dwaas, misschien
een zondig kind is geweest. Het voegt immers een meisje niet om in
stilte lief te hebben; om in stilte te wenschen--te bidden aan God
misschien--dat de edele jongeling haar zal kiezen tot de gezellin van
zijn leven....? Maar immers nooit, neen nooit, door woord noch blik,
heeft zij verraden wat daar woelde en soms zoo pijnlijk brandde in de
borst. God is haar getuige hoe zij fel heeft gestreden, en reeds den
strijd had gewonnen; hoe ze Herman Donerie in 't eind heeft beschouwd
als een vriend, en de tijd reeds gekomen was dat ze hem naderen zag en
gaan, niet slechts met een kalmen blik, maar ook met een rustig hart.
--Toen is de dreigende wolk komen opzetten.
--Herman Donerie--zoo luidde het--was ongesteld. Ja toch, hij kwam
nog les geven; maar hij zag zeer bleek; en toen, toen is hij niet
teruggekomen; en, nú eens heeft men gezegd dat hij zeer ziek, en dan
weer dat hij geheel beter was. En zij is in een vreemde spanning en
tweestrijd geraakt. Somwijlen was het alsof de borst haar te eng werd,
alsof hoofd en hart werden saamgenepen.
--Maar Goddank! op dien morgen van regen en storm, toen heeft ze in de
kerk toch gehoord dat Donerie's kracht niet was gebroken. Heerlijke
dag van Helmonds trouwverbond: Hermans volle orgeltonen zijn als
koele droppelen gevallen op den dorstenden bodem van haar hart. Ja,
die dag was haar een dag van zegen: ze kon haar vrienden een blij
gelaat toonen.
--Maar ach! kort daarna is het _zeer_ duister geworden.--En toen;
neen 't is haar niet mogelijk geweest om haar goeden vader, hoe innig
lief ze hem had, een blik in haar hart te laten slaan, zelfs niet nu
de dood voor altijd een scheiding heeft gemaakt tusschen dien jongen
"muziekmeester" en Jacoba Van Barneveld. Immers het geringste woord
van verwijt of zelfs een enkele uitdrukking in tegenspraak met de
stille vereering, die zij den geliefden doode bleef toewijden, zou
haar een wreede dolksteek zijn geweest, en had een scheidsmuur kunnen
opwerpen tusschen haar en den lieven, haar zoo innig dierbaren vader.
En, als ze dan zelfs aan dien beminden grijsaard de oorzaak van
haar zenuwlijden niet openbaren kan, hoe zal ze dan tot iemand
anders--bijvoorbeeld tot een tante Hermine--daarover spreken! Maar
dit laatste is haar ook geen oogenblik met ernst in de gedachte
gekomen. Wat ze gewenscht en gedroomd heeft met een schuldeloos hart,
zij zal het met zich nemen in het zwijgende graf. Neen, zelfs August,
voor wien ze in die dagen van hevige spanning, bijna haar hart had
uitgestort, of die, zoo Herman nog langer met den dood had moeten
worstelen, de waarheid wel in haar oog zou hebben gelezen, ook hij
zal nimmer vernemen wat haar heeft beroerd. Maar tóch, ze zou hem nu
zoo graag eens spreken, haar lieven broeder!
"Ben ie nu weer verdrietig goede Coba, omdat ik je tot je bestwil raad,
geheel in overeenstemming met je pa? Jawel, ik zie het aan je oogen,
je bent er verdrietig om."
"Wel mogelijk tante, maar ofschoon ik herhaal dat ik 't veel beter voor
mij zou vinden, indien ik nu bijvoorbeeld beneden kon wezen, zoo moet
ik mij onderwerpen. 't Is vreemd dat pa het zoo geheel met u eens is."
"Nee, niet vreemd Coba, in 't geheel niet...."
"En waarom dan toch tante?"
"Waarom....? Wel lieve kind, weet je dan niet dat je na dien
schrik--nee nee, ik spreek er niet van, ik wil alleen maar zeggen
dat menheer Van Hake toen al dadelijk rust en vermijding van alle
drukte heeft aanbevolen. Helmonds vrouw is bijzonder levendig, en
je zoudt zeker een slechten nacht hebben indien je zoo van allerlei
moest hooren, en over alles zoudt meespreken misschien."
Jacoba antwoord niet meer.
Tante Hermine is er blij om. Op uitdrukkelijk verlangen van broeder
Alexander, mag zij zelfs in de verste verte niet laten doorschemeren
dat men de allerdroevigste oorzaak van Coba's toestand heeft
ontdekt. 't Zou voor het arme kind, dat zich tot zelfs op den dag van
Helmonds huwelijk zoo boven alle beschrijving krachtig heeft gehouden,
misschien de noodlottigste gevolgen kunnen hebben. De zwaarste strijd
was nu zonder twijfel gestreden. 't Zal haar triumf wezen dat ze
geheel alleen haar smart heeft gedragen, en, moest men dus alles in
't werk stellen om te voorkomen dat de wond, die vermoedelijk reeds
aan 't heelen was, telkens weer door een vertrouwelijken omgang met
den vriend werd opengereten; in geen geval moest men die wonde nog
geweldiger aandoen door Coba te toonen, dat het bitter geheim van
haar schuldeloos hart geen geheim was gebleven.
Met zulke overleggingen uit een valsch vermoeden ontstaan, moest
Coba's zwijgen der goede dame wel genoegen doen.
--Het lieve kind gevoelt in stilte dat we haar ten beste raden, denkt
ze, terwijl ze Coba vriendelijk toeknikt, om vervolgens alvorens
de honderd en elfde rozet van haar sprei-deken te haken, een streng
katoen, die erg in de war zat, te gaan afhaspelen.... Heel "prettig
en gezellig" voor Coba.
Jacoba zweeg; de herinnering aan dien "schrik" heeft haar feller
getroffen dan zij 't zich zelve bekennen wil. Ja, dat was het laatste
geweest; een schrikkelijk einde. Nóg ziet ze hem daar van verre; de
zwarte krulharen woest golvend om dat doodsbleek gelaat; de holle van
koortsgloed vlammende oogen eensklaps strak, angstig strak op haar
gericht, terwijl hij met angstige bijna schreiende stem de woorden
gilde: "Laat los! hoort ge niet! Zij is de mijne!"
--De _zijne_....?
Jacoba voelt een inwendig beven.--Dat is niet goed; dat mag niet! Zij
moet en wil immers krachtig zijn. Maar, hoe is dat mogelijk op
den duur, wanneer men haar uit kwalijk begrepen voorzorg, niet als
vroeger haar natuurlijken vrijen gang laat gaan; indien men haar hier
van iedereen, zelfs van den lieven broeder terughoudt om nochtans--o
zonderlinge tegenstrijdigheid--haar straks voor te spiegelen dat het
leven aan een woelige badplaats haar weldadig zal zijn!
Inweerwil van tantes beweren dat papa het alles zoo goedvindt ja
nadrukkelijk verkiest, gelooft Coba dat het inderdaad tante Hermine
is die, ofschoon met de beste bedoelingen, haar physiek en moreel te
kerkeren zoekt.
In dit oogenblik heeft Coba een onweerstaanbare behoefte om uit dien
kerker bevrijd te worden.
En, de goede papa zal er niet tegen zijn.
"De lust om August eens weer te zien tante, bekruipt me zóó sterk dat
ik ze beneden nu toch maar eens even verrassen wilde;" zegt Jacoba
terwijl ze eensklaps opstaat.
"Jacoba-lief, dat kan niet; heusch dat zou onverstandig wezen;"
antwoord mevrouw Mansburg ontsteld.
"Ieder mensch heeft wel eens zijn onverstandige buien tante. Nee,
weerhoud mij niet. Mocht het minder goed voor me zijn, welnu dan moet
ik er zelve de gevolgen van ondervinden. Maar, geen nood lieve tante."
De belangstellende dame, die haar nichtje op hartelijken toon tot
andere gedachte zoekt te brengen, terwijl ze haar zachtkens met papa's
misnoegen dreigt, vreest reeds dat ze op die wijze niets winnen zal,
toen het klinken der huisschel haar eensklaps een krachtiger wapen
in handen gaf.
--Nietwaar, dat bezoek van een vreemde zou Jacoba nu wel van besluit
doen veranderen?
"Dat is te zeggen tante; als het dan waarlijk beter zal zijn dat ik
niet naar binnen ga, dan wilde ik August laten vragen of hij bij _mij_
wil komen. Ik verlang zoo naar August."
--Arm kind! zucht de oude dame bij zich zelve. Maar nú vooral moet
tante zich kranig toonen, en het klinkt schier bevelend:
"Jacoba, je doodelijke bleekheid en je opgewonden stemming ontraden
je bepaald om iemand te zien van avond."
"Maar als ik nu gevoel dat juist een gesprek met August mij weldadig
zal wezen, omdat hij mij goeden raad zal geven lieve tante, zoudt
u mij dan nog ontraden of verhinderen een _consult met mijn dokter_
te nemen?"
Haar dokter! dat arme kind!
"Maar Coba, Alexander..... je pa.... hij zal...."
"U voelt toch wel tante, dat niets ter wereld mijn gestel zoo nadeelig
moet zijn als het gemis van mijn vrijheid. Ik heb nu een gevoel alsof
ik een onschuldig-gevangene ben.... en dat ú...."
"En dat ik...."
"Nee tante, zoo bedoel ik het niet. U bij een gevangenbewaarder te
vergelijken dat zou toch wat al te dwaas en onvriendelijk zijn. Ik weet
wel dat u alleen uit belangstellende liefde handelt"--Op zoeten toon:
"Maar beste tante, ik wilde August zoo heel heel graag eens even
spreken; iets vragen....?"
--Arm, arm kind! denkt de dame. Wat bitter zielelijden moet dat
toch wezen! Niet slechts den geliefde gelukkig te weten aan de zij
eener andere; maar, nu zoo nabij hem in dezelfde woning te zijn,
en hem niet te kunnen zien of spreken; weerhouden te worden door een
tante die.... Maar neen, zij is geen gevangenbewaarster, dat is een
ondraaglijk denkbeeld! Heeft zij dan geen medelijden met zulk een
lief en teeder, maar ongelukkig kind....?
Ofschoon mevrouw Mansburg zelve aan haar broeder den goeden
raad--en zonder eenig voorbehoud--heeft gegeven, dat men Coba toch
alle gelegenheid zou benemen om August, en vooral afzonderlijk,
te ontmoeten, zoo hebben Coba's laatste woorden een zonderlinge
gevoeligheid bij haar opgewekt. Zij, _zij_ wordt beschouwd als een
gevangenbewaarster, als iemand met een sleutelbos en handboeien,
en dat, ter bewaking--niet van een schuldig wezen, maar van een
lieve arme lijderes, wier eenige misdaad het is geweest dat ze heeft
bemind zonder wederbemind te worden. Een gevangenbewaarster! nog eens,
dat denkbeeld is mevrouw Mansburg onverdraaglijk!
Juist op het oogenblik dat Eva van haar echtgenoot den half angstigen
half verwijtenden blik ontving--nadat zij, toegevend aan haar
kwade luim, den generaal nogmaals op zoo weinig bedekte wijze deed
gevoelen, dat ze hem van schrielheid verdacht, trad mevrouw Mansburg
de kamer binnen.--Haar komst geeft een weldadige afleiding. Terwijl
Kartenglimp en de jongelieden opstaan om haar te groeten, en Van
Barneveld vluchtig den majoor aan zijn zuster voorstelt, vergeet
hij--althans voor eenige oogenblikken--de "zonderling kwetsende
maar toch waarschijnlijk verkeerd begrepen woorden van dat mooie
duiveltje"--zooals hij Eva reeds bij zich zelven heeft genoemd--om
aanstonds Hermines komst met Coba's welstand in verband te brengen,
en met inwendige onrust doch schijnbaar kalm te zeggen:
"Toch wél boven, Hermine?"
Mevrouw Mansburg geeft een zeer bevredigend antwoord. Zij heeft neef
Helmond iets te vragen.
De vraag werd zacht gedaan.
Om niet onbescheiden te zijn, knoopt Kartenglimp een gesprek met Eva
aan, over Parijs en muziek en zang.
Van Barneveld begrijpt niet welk een bijzondere vraag zijn zuster aan
Helmond heeft te doen, en terwijl hij zijdelings het oog op haar mond
houdt gevestigd, als wilde hij zien wat ze sprak, zegt hij nog eens:
"Is er misschien iets.... dat....?"
"Volstrekt niet Alexander. 't Geldt mij zelve." Zij wijst op haar
hoofd.
--Hermine zal weer last van hoofdpijn hebben, en geen rust aleer ze
met neef de heele apotheek is doorgewandeld, denkt de generaal: à la
bonne heure!--Ei zie, daar schijnen nog meer confidenties te moeten
plaats hebben.--Helmond zegt dat men hem even zal excuseeren.--Mevrouw
Hermine groet het gezelschap--wel wat vreemd, enpassant, meent Van
Barneveld--en beiden verlaten de kamer.
De herinnering aan Parijs heeft Eva's kwade luim in een soort van
overmoed doen ontaarden. Nu August de kamer verlaten had, nu was het
alsof zij het geschikte oogenblik gekomen zag om den oom--al moest het
in presentie van dien vreemde wezen--eens nadrukkelijk te doen gevoelen
dat zij als Helmonds vrouw, ja zelfs als de nicht van den generaal
Van Barneveld, zich op den duur niet ongestraft zal laten beleedigen.
Bij het luide roemen der genietingen in "die heerlijke stad", moest het
telkens uitkomen dat men dáár zooveel breeder en gezonder opvatting
van het leven had dan hier in het "achterlijke Nederland". 't Was
daar aan alles te zien dat men er het dwaze stelsel niet huldigde:
om door ontbering of gemis te leeren waardeeren. Neen, men genoot
er wat betamelijk was. _Potters_ en _schrapers_ vond men dan ook in
Parijs, ja zelfs in geheel Frankrijk niet.--Monsieur De Musard had
het zelf gezegd: Men leefde er, en liet er leven! De minste werkman
dronk er zijn flesch wijn en niemand bespaarde er een vijffrankstuk
tot na zijn dood, indien hij er de levenden mee vroolijk kon maken.
Kartenglimp lachte gedurig zeer hoffelijk om de dikwijls niet onaardig
klinkende phrasen van het jonge mooie vrouwtje, doch was tevens zoo
vrij--met het oog op dien zwijgenden, meestal ernstig voor zich heen
zienden generaal--om een paar malen beminnelijk met den vinger te
dreigen, en iets van "Hollandsche degelijkheid" of "rijperen leeftijd"
in 't midden te brengen, terwijl hij zelfs ten slotte den generaal
met een: "nietwaar je excellentie?" tot de bevestiging zijner meer
degelijke gevoelens te bewegen zocht.
"O ja majoor! men kan dat alles uit een zeer verschillend oogpunt
beschouwen;" heeft de generaal geantwoord, en de toon, waarop hij dat
antwoord gaf, verried niets, of althans zeer weinig van hetgeen er
omging in zijne borst. De man met een open rondborstig karakter heeft
zeker den zwaarsten strijd om zijn toorn te bedwingen. En nochtans
beheerschte Van Barneveld zich op waardige wijze.
Neen, die majoor, wiens gemaakte manieren, wiens vreemde hoffelijkheid
en dikwijls zonderling vleiende toon hem hoe langer hoe meer
tegenstonden, de man wiens bezoeken op _De Zonsberg niet zullen
herhaald worden_,--hij zou geen getuige zijn van een scène de famille!
De oude generaal zal de waardigheid van zijn rang tegenover dien
inférieur niet te grabbelen gooien, en zelfs in zijn tegenwoordigheid
dat dartele kind een vernederende terechtwijzing besparen, hoewel ze
die zeer noodzakelijk verdient.
Of Van Barnevelds opstaan, zijn vluchtig rechts en links zien alsof
hij iets zocht, en daarop een tamelijk snel verlaten van de kamer,
zonder hierover eenige verontschuldiging te hebben gemaakt, alleen op
rekening van den inwendigen strijd moesten gesteld worden, of ook dat
het lange wegblijven van August nogmaals zijn heimelijke onrust over
Jacoba had opgewekt, zeker was het dat Eva, in het heengaan van dien
oom, alweder geenszins het bewijs vond dat haar persoon en gezelschap
hem zoo bijzonder lief waren, maar wel--en met heimelijk genoegen--dat
zij het "inhalige van zijn karakter juist heeft beoordeeld, en dat
haar zijdelings afgeschoten pijlen raak zijn geweest".
Kartenglimp, die in een ondeelbaar oogenblik een flikkering van triumf
in dat schoone oog heeft gezien, werpt nog een blik naar de nu weder
gesloten deur, en maakt dan op bijzonder hoffelijken toon een half
beschuldigende half verschoonende opmerking over het heengaan "der
heeren", maar zegt ten slotte, dat hij zich niet te beklagen heeft
zoolang het lief gezelschap van mevrouw Helmond hem voor dat gemis
blijft schadeloos stellen.
Eva had er nog niet aan gedacht, dat zij als 't ware alleen is gelaten
om dien vreemden majoor gezelschap te houden. Ze ziet hem na zijne
vleiende woorden vluchtig doch met zekeren weerzin aan.
Straks heeft ze dien man een enkele maal gebruikt als.... den
telegraafdraad, waarlangs men zijn gedachten aan het bedoelde adres
zendt, als den biljartband, om van terzij een carambole te kunnen
maken. Maar nu, nú heeft hij uitgediend! Zijn hoffelijkheid op dien
gemaakt fatsoenlijken toon, stuit haar tegen de borst. Ofschoon zij
het heengaan van den oom--ook met het oog op dien vreemde--lomp en
hatelijk vindt, het komt echter niet te pas dat die man er zoo op
zinspelen durft; 't voegt hem niet dat hij August, een der heeren
noemt die het aan háár overlaten, om hem--dien man--"met haar lief
gezelschap voor dat gemis schadeloos te stellen".--Wat verbeeldt zich
die oude dwaas! En mijnheer Van Barneveld? Denkt hij misschien dat
Helmonds vrouw, omdat ze aanstonds toegaf en zich gewillig voor het
theeblad plaatste, dat ze hier juffrouw van gezelschap of huishoudster
is geworden?
Indien de heele familie, uit welke oorzaak dan ook, er geen bezwaar
in ziet om de kamer te verlaten, en mijnheer Van Barneveld het zelfs
niet noodzakelijk acht in 't gezelschap van menschen te blijven,
die hem bezoeken, dan voelt Eva zich wel 't allerminst geroepen om de
honneurs van zijn huis waar te nemen, en zal die majoor haar althans
geen beletsel zijn om mede heen te gaan wanneer zij zulks verkiest.
"Oom begrijpt zeker niet waar Helmond blijft," zegt ze snel, en dan,
opstaande: "Ik vrees dat mijn nichtje weer minder is geworden.--U
zult mij permitteeren....?"
Niet zonder verbazing en een vreemde plooi om den mond, ziet nu
Kartenglimp die jonge schoone vrouw insgelijks en met haastigen tred
de kamer verlaten. Ternauwernood smoort hij een verwensching terwijl
hij haar naoogt; doch, niet zoodra is de deur achter haar gesloten en
bevindt hij zich in die groote kamer geheel alleen, of hij weerhoudt
den vloek niet, die hem op de lippen brandt, en balt hij zijn vuist,
en verwenscht bij zich zelven een familie die zich niet ontziet om
hem--den majoor Kartenglimp--als een kwajongen te behandelen....als
een _niets_, als een _nul_!
Eensklaps--alsof een pijnlijke herinnering hem treft, fronst
Kartenglimp de zwartgeverfde wenkbrauwen.--Ja.... indien men had
vernomen....? Maar dat is onmogelijk.--Bij die toevallige ontmoeting
in 't bosch is het hem duidelijk gebleken dat ook de generaal met die
zaak geheel onbekend was. En, _hoe_ kon 't hem, of iemand anders ook
ter oore zijn gekomen! Hebben de vier officieren, die te Soerabaya
in de zaak waren betrokken niet hun woord gegeven dat ze zwijgen
zouden, en, althans zooveel mogelijk, de zaak geheim te houden of
te smoren, indien hij terstond zijn ontslag uit den dienst wilde
nemen, naar 't moederland vertrekken en er zich nimmer in eenige
garnizoensplaats vestigen zou? Neen, 't is niet mogelijk dat die
oud-kameraden hun woord hebben gebroken.--Dat zij hem steeds met hun
dwazen haat vervolgen, en zelfs nog over den wijden oceaan het oog
op hem gevestigd houden, 't is hem gebleken toen hij te 'sGravenhage
vóór zijn vertrek naar Romphuizen, dien scherpen brief ontving, met
bevel om zich onmiddellijk uit de residentie te verwijderen, indien
hij wenschte dat het voorgevallene onbekend bleef. Maar juist deze
bedreiging is hem weder het bewijs geweest dat men, zonder aanleiding
van zijn kant, het gegeven woord niet zou breken, en, dewijl hij nu het
kleine Romphuizen--waar volstrekt geen garnizoen was--tot zijn vaste
woonplaats had gekozen, zoo is er immers van die zijde geen de minste
reden tot vrees. Neen, zelfs hier heeft hij uit alle voorzichtigheid de
conversatie met den oud-kapitein Armelo maar weinig gezocht, en er tot
heden geen werk van gemaakt om den generaal te ontmoeten, ofschoon een
verkeer met oud-officieren buiten een garnizoensplaats hem geenszins
verboden was.--_Verboden_! ha! Zal hij zich dan nooit kunnen wreken
op dat viertal, op dat ellendig eedgespan? Neen, elke poging ertoe
zou slechts uitloopen op zijn eigen vernedering. 't Ware het zekere
middel om hem bekend te doen worden voor de geheele wereld, en zich
gebannen te zien uit elken kring waar hij nu zijn genoegen vindt.
En toch, soms kookt en bruist het met geweld in zijn borst, en schept
zijn wrekende verbeelding zich een schitterende zegepraal. Dan, dan
ziet hij ze ginder.... dáár in een kleine ontredderde boot, meegesleurd
door den woest opgezweepten oceaan, kampen met de schuimende golven.
En met den storm van zijn haat stuwt hij het zwakke vaartuig voort,
door de felle branding naar gindsche klip, en ha! het stoot er in
splinters vaneen, en--vier verminkte lijken, gebeukt tegen de naakte
rots, ze worden door 't schuim bedolven.
Of ook:
Zie, daar ginder snellen ze voort, met opgeblazen moed; ze zullen
een vijandelijke benting bestormen. Maar stil, stil! een hinderlaag,
kunstig met bamboes en palm en aarde bedekt, ze schuilt daar weg op
hun pad als een adder onder 't gras. En zie, daar stormen ze heen;
ze bereiken de plek. Ha! met dreunenden doffen klank storten er vier
neder op de spiesen en palissaden, en, gillende kreten stijgen er op
uit de diepten waar 't bloed spat in 't ronde.
--Doch, wat baat hem zulk een gewaande wraak? Staat hij niet machteloos
tegenover hun geweld?
--Maar _hier_, waar men Kartenglimp slechts kent als den
gepensioneerden majoor; waar men hem de eer aan zijn rang is
verschuldigd, hier kan en zal hij zich wreken zoo men beleedigen durft!
--Opgestaan, met de linkerhand op den stoelknop gedrukt, balt de majoor
nu nogmaals de vuist, en vlamt zijn oog de kamer in 't rond. Zie,
een bijna levensgroot portret van den generaal treft eensklaps zijn
blik, en uit den halfdonkeren toon aan den wand ziet het hem met wijd
geopende oogen gestreng en onbeweeglijk aan.
Dat oog, zoo doordringend op hem gericht, hij weerstaat het
niet. Wanneer zulk een blik hem in de werkelijkheid trof, het zou hem
zijn alsof men hem had doorgrond, alsof men hem kende als den man,
"onwaardig den degen te dragen, onwaardig zelfs den naam uit te
spreken van een _fatsoenlijke_ vrouw".
--Maar dat is gelogen! Indien er werkelijk vrouwen zijn die zulk een
schoonen naam verdienen, die eerzamen, ze hebben zich nooit over hem
te beklagen gehad. En wat het eerste betreft, heeft hij dan in den
Bandjermassinschen krijg den dood niet onder de oogen gezien? 't is
waar, steeds goed gedekt, met de rumflesch terzij en de zweetdroppels
op het aangezicht, maar "'t gaat er immers duizenden zóó"!--Wie wil
sterven!? Niemand! De krankzinnige alleen, omdat hij.... krankzinnig
is; of de grijsaard misschien omdat zijn levenslust vervloog en hij
niet meer genieten kan.
--Maar hij--Kartenglimp--hij wil leven en genieten zoolang het hem
mogelijk is. En daarom ook, ofschoon dokter Helmond zijn wrok heeft
gewekt, hij zal hem nu te vriend houden. Immers dat niet terugkomen na
het ontvangen van het telegram, 't heeft juist bij de uitkomst bewezen
hoe goed hij zijn gestel reeds kende, en dat hij een uitmuntend dokter
is.--Ja hij, wil leven en genieten!--De ontdekking dat er door zijn
verre vijanden geen scheidsmuur was geworpen tusschen hém en dien
vermogenden luitenant-generaal; de zekerheid dat hij nu welwillend
op _De Zonsberg_ zou worden ontvangen; de hoop in 't eind dat men
hem in dien kring zou waardeeren en trekken; dat hij er dikwijls de
schoone doktersvrouw ontmoeten, en met de jonge teedere erfgename
op een goeden voet zal komen, dat alles heeft hem met zonderlingen
glans in 't oog geblonken. Ha, nu zou hij voortaan den rechten toon
wel treffen. Ofschoon nog jong van hart en van kracht, men werd toch
wat kalmer met de jaren. Welzeker, die _Zonsberg_ zou voor hem een
bron worden van genot, en de vriendschap van den generaal wel mogelijk
meteen het bolwerk tegen "valsche geruchten".
Schuin terzij ziende, ontmoet Kartenglimp nu nogmaals dien strengen
blik aan den wand.
--En moet die blik nu de bevestiging zijn dat hij heeft misgerekend;
de bevestiging van 'tgeen hij inderdaad inweerwil van zijn gekoesterde
verwachting, sedert het eerste oogenblik zijner komst in dit sombere
vertrek, als onwillekeurig gevoelde, namelijk: dat zijn bezoek een
onwelkom bezoek, en zijn hoop op de vriendschap in dit huis een
illusie was?
--'t Zij zoo; de tijd moet het leeren; men kan zich bedriegen;
maar, indien dát waar is, dan--en een zware vervloeking knoerpt er
tusschen zijn blank gebit--dan, ja, dan heeft de duivel reeds zelf
voor brandstof gezorgd.--De wauwelaar van het stadje had ditmaal
toch waarheid gesproken. Kartenglimp heeft het nu zelf gezien: het
vuur ligt te smeulen; soms spat het al vonken, en--langs de palm van
zijn hand behoeft hij onbespied slechts zachtkens te blazen om den
breeden vuurstroom te doen opgaan. Ha, dat zou een lust zijn om te
aanschouwen; en in 't eind zal hij van verre zich zelf nog kunnen
koesteren aan den fellen gloed! Ha!
Kartenglimp schrikt.--Eensklaps werd de deur geopend en de vrouw aan
wie hij daar juist heeft gedacht, trad onverzeld de kamer weer binnen.
Straks in de marmeren gang gekomen, heeft Eva--die zich in de woning
van haar nieuwen oom nog op vreemd terrein bevond--inderdaad niet
geweten waarheen ze zich begeven zou. Ze heeft rechts en links gezien,
even aan de trap geluisterd, in de hoop dat August komen mocht, en,
terwijl ze nog luisterend op het koele marmer staarde, is het haar
eensklaps geworden alsof een looden druk, een pijnlijk vuur haar van
den boezem werd weggenomen. Ook nu heeft het betere in haar gesproken,
ofschoon met zachte zoet-vleiende stem.--Zij is te ver gegaan!--Ja,
maar veinzen dát kon ze ook niet, en dáárom heeft ze den oom moeten
toonen wie hij aan Eva hebben zou en hoe ze hem beoordeelt. Doch
wanneer zijn plotseling heengaan, en zonder dat hij een enkel woord
heeft gesproken, dan eens het bewijs mocht zijn dat ze haar doel
had getroffen; wanneer de rijke oom nu inderdaad gevoeld heeft wat
hij aan den geliefden neef is verschuldigd, en hoe de aangenomen
houding tegenover Helmonds jonge vrouw hun aller leven niet anders
dan verbitteren kon; _indien_ het dan waar is dat hij door haar
"overtuigende redenen" reeds zoo spoedig tot een mildere zienswijze
geraakte, dan moest zij bij kalmer beschouwing wel leed gevoelen dat
ze zich zoo weinig beheerschte. In tegenwoordigheid van _een vreemde_,
vierde ze immers haar onwil den vrijen teugel; in het bijzijn van hem,
die met zijn vorschend oog ongetwijfeld geheel haar toeleg doorzag,
heeft ze Helmonds oom moedwillig vernederd.
Een vuurrood bedekte Eva's gelaat.--Zij is te ver gegaan, veel te
ver! Wát er mag wezen, de generaal Van Barneveld is ook _haar_ oom.--En
zal nu die vreemde--gekrenkt, dewijl men hem geheel alleen heeft
gelaten--met den ontvangen indruk van hier gaan, om naar goedvinden
te verhalen van 'tgeen hij ter kwader ure heeft opgevangen? Neen, dat
kan en mag niet wezen; de gemaakte indruk moet worden uitgewischt;
ze is het verplicht; en bovendien, de eer der familie is ook háár
eer. Terug dan Eva, terug naar dien vreemde!