Slechts met haar doel voor oogen bemerkte Eva bij haar binnentreden
de plotselinge verwarring niet, die er op Kartenglimps gelaat was
te lezen.
Alsof ze zich straks inderdaad met het voornemen had verwijderd om
aanstonds terug te keeren, begeeft ze zich nu, met den snellen tred
die zulks bewijzen moet, naar hare plaats, en ofschoon het haar de
grootste moeite kost, vraagt ze tevens beleefd om verschooning dat
ze mijnheer een oogenblik heeft alleen gelaten.
De overgang zijner zwarte of roodvlammende visioenen tot de onverwachte
werkelijkheid van Eva's verschijning, had Kartenglimp zoodanig verrast
dat hij niet aanstonds een antwoord gereed heeft, maar nochtans in
hetzelfde oogenblik een zeer sterk sprekenden trek van hoffelijkheid
op zijn gelaat kan te voorschijn roepen.
En Eva zal nu trachten goed te maken wat ze met het oog op dien
vreemde misdeed.
Ze zegt te hopen dat mijnheer Kartenglimp de afwezigheid der heeren
toch zal ten goede houden.--Neen, er is volstrekt geen gevaar; maar de
lichte ongesteldheid van nicht Jacoba maakt oom Van Barneveld dikwijls
zeer onrustig. Zeker zou hij echter zoo aanstonds terugkomen. Oom
Van Barneveld en zijn dochter--zoo luidde het verder--ze waren met de
innigste liefde aan elkander gehecht, en geen wonder, Jacoba was een
goed zachtaardig meisje, terwijl oom--men behoefde er Helmond slechts
naar te vragen--een door en door rechtschapen en edel mensch was,
dien men zeerzeker liefkreeg op den duur.
Kartenglimp meende, met een goedwillig lachje, dat het altijd aangenaam
was wanneer die _duur_ niet te _lang duurde_. Er waren ook menschen,
die men lief en beminnelijk vond van het eerste oogenblik dat men ze
kennen leerde.
Juist omdat Eva de bedoeling zijner woorden giste, klonken ze haar
in dezen stond zeer onaangenaam. Haar verheffing ten koste van den
oom in diens _afwezigheid_, tooverde haar zijn beeld in waardiger
trekken voor den geest dan het er tot nu toe gestaan had. Zonder haar
overtuiging geweld aan te doen, voelde zij zich eensklaps gedrongen om
den heer van _De Zonsberg_ in het schoonste daglicht te plaatsen, en,
met den lof van vrienden en vereerders op de lippen, haar geliefden
August als 't ware sprekend in te voeren, terwijl ze met de weinig
doordachte verklaring besloot, dat haar schermutselingen met den oom
op rekening moesten gesteld worden van haar ondeugende zucht om oude
heeren te plagen, waarbij ze dan altijd de slechte gewoonte had om
de zaken zoo sterk te kleuren als haar mogelijk was.
En mijnheer Kartenglimp begreep dat alles zeer goed, en was uitermate
beleefd.
't Is nog luttele minuten geleden dat Eva in de kamer terugkwam, maar
ze duurden haar reeds verbazend lang. Nu ze haar schuld had geboet,
nu kost het haar groote moeite om het gesprek met dien majoor te
vervolgen. Toch zal ze volhouden, al dreigt ook de wrevel haar weer
te overweldigen, dewijl de man wiens eer ze nu ophoudt, nog steeds
op zich wachten laat.
Kartenglimp zoekt naar den juisten toon. Hij wenscht een goeden
indruk bij het zonderlinge vrouwtje achter te laten, en, gevoelig voor
zijn kleine hoffelijkheden is ze niet, ook dán niet wanneer hij haar
buitengewone muziek- en zanggaven roemt, waarvan hij "zoo dikwijls met
bewondering hoorde spreken".--En--naar zijn lof over dokter Helmond
hoort ze met zichtbaar welgevallen. Maar zie, een blosje kleurt haar
gelaat, nu hij eensklaps, half vragend zegt: dat mijnheer haar vader
immers nog een afstammeling is van het oud Hollandsch geslacht der
graven Van Armeloo? Hij had tot nog toe verzuimd den kapitein er eens
naar te vragen.
Ofschoon Eva van die grafelijke familie niets anders wist dan dat
ze moest bestaan hebben, zoo was het toch alsof een schok, maar vol
zoete bedwelming haar getroffen had. Merkbaar in verwarring, geeft
ze ten antwoord dat ze.... ja.... gelooft, maar toch niet zeker durft
zeggen;--en ze gevoelt terzelfdertijd den blos steeds hooger stijgen,
en 't wordt alsof vonken vuurs haar uit de oogen spatten. Dewijl
verlegenheid bij Eva inderdaad een zeldzaam verschijnsel is, kwelt en
drukt ze haar nu te sterker. Ze zou zich onzichtbaar willen maken in
dezen stond. Ofschoon ze heimelijk hoopt dat men 't minder aan haar
zal kunnen bespeuren dan zij 't zelve gevoelt, zoo zoekt ze nochtans
naar een middel om zich voor een verdere bespieding te vrijwaren,
en, ijlings opstaande wendt ze zich naar een pianino, die op eenigen
afstand schuin achter haar staat.
Straks, terloops over muziek sprekend, had Kartenglimp gevraagd, of dat
stuk een Erard was, waarop Eva het antwoord is schuldig gebleven. Nu,
in haar verwarring, kwam het haar niet te gezocht voor om fluks het
instrument te openen, en, met een blik op het étiquet den naam van den
fabrikant te noemen; maar ook, ze gevoelt zich daarna nog te weinig
hersteld om nu reeds voor 't oog van dien man in 't volle licht
terug te keeren, zoodat ze haar toevlucht neemt tot het aanslaan
van eenige zeer krachtige accoorden, de introductie van een lied,
waaraan ze vluchtig was herinnerd door het vignet van een muziekstuk
dat op de piano lag.
Fiks! het aanslaan van die accoorden doet reeds goed.
Zoo aanstonds zal hij niets meer aan haar bemerken.--Hier begint
het lied.--Dat lied te _zingen_.... voor dien vreemde! Ze zal wel
wijzer wezen. Toch kan ze nog even voortspelen; de melodie met de
rechterhand.--Forto:
"Ach lieber Gott, mein krankes Herz
Wird brechen bald vom Liebesschmerz."
--Maar straks, ja dan moet zij van dien vreemde méér vernemen.... De
graven Van Armeloo.... _Van Armeloo_! In stilte heeft zij wel
eens aan zoo iets gedacht.... Ha! een verarmde tak der graven
Van.... Diminuendo:
Und bricht es in der tiefen Noth;
Schau' denn mein' Augen weinens roth,
Und tausch' mich in dein Armen, Tod!
"Nicht Eva, wil je alsjeblieft niet meer piano spelen? Je weet dat
Coba ongesteld is;" zegt Van Barneveld, die bij het klinken der
laatste accoorden in de kamer trad.
Ondanks den kalmen toon, waarop de generaal zijn verzoek heeft gedaan,
was er toch een bijzondere trilling in zijn stem te bemerken, en
spreken zijn oogen het stil verwijt: Als men dan den ouden man niet
wil sparen, dan moest men althans zijn lijdend kind ontzien.
De majoor, die Eva reeds tot op zeer korten afstand was genaderd,
heeft bij het binnenkomen van den generaal, onwillekeurig een schrede
zijwaarts teruggedaan. Zich spoedig van zekeren schok herstellend,
maakt hij nu een beweging met de hand die moet uitdrukken, dat men--hij
en zij--daaraan had moeten denken, maar....!
"'t Is mijn gewoonte niet mijnheer," vervolgt Van Barneveld terwijl hij
zich tot den majoor wendt, "om menschen die de beleefdheid hebben mij
te bezoeken alleen te laten, de ongesteldheid mijner dochter was er nu
de oorzaak van. Om u de waarheid te zeggen, liever had ik dezen avond
_niet_ ontvangen. U zult me deze openhartigheid ten goede houden."
"O generaal, indien ik had geweten....."
"U kondt dat niet weten majoor. Maar....." en uit den nadruk, dien
Van Barneveld op dit laatste woord heeft gelegd, valt gemakkelijk
te besluiten dat hij er zou willen bijvoegen; maar--'t zal mij nú
aangenaam zijn indien gij _vertrekt_.
Weinige seconden later heeft Kartenglimp het landhuis verlaten. Na
een ongezellige wandeling, waarbij hem gedurig zeer zwarte beelden
voor den geest zijn gekomen, terwijl niet zelden een geritsel in 't
akkermaalshout of eenig ander geluid hem tot grooteren spoed heeft
aangezet; na dien gejaagden tocht is de majoor eindelijk met zekere
verruiming het oude stadje binnengestapt, om al spoedig zijn woning
te bereiken waar hij zich op zijn kamer met wat grog zal kalmeeren,
en eens geregelder zal kunnen nadenken over......
Een "Ha!" op vreemden toon, rolt hem straks van de lippen terwijl
hij, geheel in zich zelven gekeerd, juffrouw Ketels ronde dienstbode,
kokend water in zijn glas ziet schenken, 't welk ten halve met rum
is gevuld. Een gemeenzame lofrede op den klaargemaakten drank, die
de deerne, na dat "ha!" meende verschuldigd te zijn, wordt echter
door den majoor met een voor haar zeer ongewone ruwheid beantwoord,
want, ofschoon door walmen en roode vlammen heen, ziet Kartenglimp
nu slechts de slanke en fiere gestalte der beeldschoone doktersvrouw.
En in diezelfde oogenblikken staat Eva Helmond, gereed tot vertrekken,
vol ongeduld op haar August te wachten.
't Is haar bekend geworden dat Helmond bij Jacoba is geweest, en
dat Coba--wier zenuwgestel immers zoo buitengewoon zwak was--op het
hooren van het gespeelde lied, waarvan de tonen, ofschoon door het
plafond gedempt, toch duidelijk tot haar kamer zijn doorgedrongen,
eensklaps klappertandend en straks ook snakkend naar den adem, in
Helmonds armen is neergezegen.
Meer weet Eva niet. Doch zij heeft genoeg vernomen. 't Verwijt heeft
haar getroffen dat ze door haar _onnadenkendheid_--jawel, niets meer
en niets minder--het zwakke kind, zoo al niet in levensgevaar gebracht,
haar dan toch zeker een gevoeligen schok had gegeven. Oom Van Barneveld
meende dat Eva nu wel begrijpen zou, wáárom het ontvangen van menschen
hem minder raadzaam voorkwam, terwijl hij haar uitdrukkelijk heeft
verzocht, om haar bezoeken liefst niet te herhalen voordat Coba geheel
en al hersteld zou zijn.
De oude generaal, die straks te laat was gekomen om nog een onderhoud
van Coba met August--waarvoor hij gevreesd heeft--te kunnen
verhinderen, had zuster Hermines redenen, ofschoon met droevig
hoofdschudden, moeten aanhooren, terwijl men reeds zoo spoedig de
treurige gevolgen van haar onvoorzichtigheid aanschouwen zou. Maar,
nú ook bestond er geen schijn van twijfel meer dat Jacoba inderdaad
een andere liefde dan zusterliefde voor haar pleegbroeder koesterde, en
dat zijn huwelijk met Eva Armelo haar een _diepe_ wond had geslagen. En
Van Barneveld aarzelt niet langer, maar voelt zich krachtig gedrongen
om in 't einde rondborstig met zijn pleegzoon te spreken. Helmond, met
de oorzaak van Coba's zielelijden bekend, zal hem raden en steunen in
't belang van zijn geliefd kind. Ja, wat zou hij, de oude krijgsman,
bij zulk een toestand ook langer alleen staan en schijnbaar zorgeloos
zijn, zonder den raad en de medewerking in te roepen van hem, die in
deze teedere zaak zoo nauw betrokken is!
En terwijl Eva vol ongeduld wacht, staan Van Barneveld en August
tegenover elkander op de kamer van den generaal.
De laatste woelt met de hand in de witte haren, en herhaalt:
"Heeft ze niets.... _niets_ anders gezegd?"
"Nee oom! Coba heeft me alleen over dat reisplan gesproken, waarbij
ze mij dringend verzocht om u daarvan af te brengen, en ik moest haar
toestemmen oom, dat ze evengoed op _De Zonsberg_ als op _De Godesberg_
herstellen kan; tenminste...."
"Ten minste....? Nu spreek dan Helmond."
"Wanneer oom zoo goed wil zijn te begrijpen, dat tante Hermine het
veld voor Jacoba's dokter moet ruimen."
"Er zijn kwalen Helmond, die een vrouw van jaren misschien eerder en
juister zal inzien dan een jong dokter, hoe knap hij ook wezen mag."
Van Barneveld neemt een boek van de tafel, en terwijl hij schijnbaar
aandachtig den titel beziet, vervolgt hij: "Coba's zenuwkwaal moet
een geheime oorzaak hebben."
"Dat heb ik sedert lang begrepen oom."
Van Barneveld opziende:
"Jij, begrepen? Sedert _lang_? Sedert wanneer August?"
"Het eerst op den avond vóór mijn trouwen oom, toen ik na ons gesprek
over Coba haar eens nauwkeurig heb ondervraagd."
--Vóór zijn trouwen! August heeft het dan geweten nog eer hij zich en
voor immer aan dat ijdele kind verbond! Hij heeft den oorsprong van
Coba's zielelijden gekend, en is geen stap teruggetreden in 't belang
van háár, die hij altijd zijn lieve zusje heeft genoemd. Eigen zin en
hartstocht heeft hij gevolgd zonder te bedenken dat hij zijn weldoener
met dien moord aan zijn kind een vreeselijken slag ging toebrengen,
vreeselijker nog dan die, waarmee Helmonds jongere broeder hem vroeger
getroffen had!
De oude generaal heeft weder door het opnemen van het boek een
afleiding voor zijn ontroering gezocht. Nu is 't voorbij.--Ben ik
dan kindsch geworden of wel een blind egoist, zoo peinst hij voort
gedurende de luttele seconden, waarin het na Helmonds verklaring
stil bleef. Kon ik dan verlangen dat August zijn liefde, zijn
hart zou dwingen uit dankbaarheid; ter genezing....!? _Wie_ zou de
krankzinnigheid hebben om zoo iets te eischen? Maar zeker, altijd
heeft August Jacoba liefgehad; zijn bewijzen van teederheid hebben
wortels geschoten in haar schuldeloos hart; en toen, toen is een
Delila met haar Sirenenzang gekomen, en ze heeft hem bedwelmd, zoodat
hij blind voor Coba's liefde en voortreffelijkheden geworden is. Die
vermetele! Smaden en trotseeren durft ze nu nog den grijzen pleegvader,
en.... haar triumf op zijn engelachtig kind vol zelfverloochenende
liefde, komt ze hier schaamteloos vieren met haar..... _vervloekt
pianospel_!
Een oogenblik was Van Barneveld zich zelven geen meester; het boek
wierp hij met kracht op de tafel, en een paar woorden, ofschoon bij
het uiten gesmoord, ze mengden een verbolgenheid in die anders zoo
waardige trekken, waaruit schier haat was te lezen.
"Oom, wat deert u?"
"Niets August."--Na een oogenblik van krachtige zelfbeheersching
herneemt Van Barneveld, uiterlijk kalm: "Zoo, je hebt dus al vóór je
trouwen geweten dat Coba.... méér voor je gevoelde dan...."
Een vuurrood vliegt over Helmonds gelaat. Hij moet zich aan de tafel
vasthouden, want die schok kwam te onverwacht.--Groote God! is dat
de oorzaak van Coba's lijden! zou het teedere zwakke kind....? Maar
neen, door woord noch blik heeft ze hem ooit iets meer gezegd dan
'tgeen ze nog dezen avond, met blijdschap over zijn komst herhaalde:
hij was haar lieve broeder--dát, maar ook _niets meer_.
"Oom, ik begrijp niet....? U bedoelt....?"
"Ik bedoel August, hetgeen je uit mijn woorden hebt begrepen.--
De zaak is van teederen aard. Had ik je niet van jongs af aan mijn
zoon genoemd, we stonden zeker niet met zulk een verklaring tegenover
elkander. Maar nu, 't is mij om 't welzijn, om 't leven van mijn kind
te doen. Ik oude man kan niet langer een rol spelen; mij kwellen met
verzinsels en vrouwen-intriges om Coba te vrijwaren voor schokken
die haar nadeelig zijn; immers Hermine zelve heeft getoond dat de
omstandigheden haar te machtig kunnen worden.--August, mijn openhartig
spreken is je een vernieuwd bewijs van mijn achting en vertrouwen.--Je
hebt de goede Coba lief..... als een broeder. Zeg me wat wij te doen
hebben in haar belang?--August! August!!..... Hoor je me niet?"
"Ik hoor u oom.--Maar nee, nee! dát kan niet waar zijn!"
"Heb je geen brief ontvangen die, waarschijnlijk na je vertrek in
Parijs gekomen, van daar is teruggezonden?"'
"Nee oom! van wie?"
--Zal mij dan niets gespaard worden, zegt Van Barneveld onhoorbaar. En
dan overluid, terwijl hij August het papier toont, 'twelk door midden
gescheurd op Coba's schrijftafel werd gevonden:
"Lees!--Ik weet dat mijn pleegzoon ons lief heeft, en zwijgen kan."
En Helmond leest de regels door Jacoba op dien bewogen morgen in
vreeselijken angst geschreven.--Met strakken blik blijft hij op het
onvoltooide epistel staren. Zou het mogelijk zijn?--Maar, geen enkel
woord in dat schrift bevestigt zulk een vermoeden. Wat zegt het anders
dan 'tgeen Helmond reeds zelf had doorzien: dat Coba namelijk hem
deelgenoot wilde maken van een bitter hartzeer, van een zieleleed
'twelk haar lichaam te sloopen dreigde.
Eva Helmond loopt in het groote benedenvertrek vol ongeduld op en
neer. Met een smadenden blik beschouwt ze vluchtig het sprekend
portret van den generaal, 'twelk met dat doordringende oog op haar
neerziet. Eensklaps treedt ze op het schelkoord toe en trekt er met
kracht aan.
Eenige oogenblikken later verschijnt Hendrik.
Eva in een voltaire neergegleden, heeft een achtelooze houding
aangenomen en zegt:
"Wil je mijnheer roepen. Zeg dat ik klaar ben."
"Mevrouw..... belieft.....?"
"Je zoudt dokter zeggen dat ik hem wacht."
Hendrik aarzelt.
"Mevrouw zal niet kwalijk nemen, maar dokter is op menheers bureau, en
toen ik zooeven met de brieven boven kwam, toen zei mevrouw Mansburg,
die juist op den overloop was, dat ik niet zou aankloppen maar de
brieven hier brengen. Een is er voor dokter bij. Menheer Van Hake
had gezegd dat de besteller hem maar mee zou nemen omdat dokter
_hier_ was."
Hendrik legt een paar brieven bij Van Barnevelds plaats op de tafel.
"Geef hier!" zegt Eva met een wenk naar de brieven; en dan, als Hendrik
aan het bevel heeft voldaan: "Je hebt gehoord wat ik zei niewaar? Je
zoudt dokter waarschuwen dat ik klaar ben."
"Tóch naar boven gaan mevrouw?"
"'t Komt me voor dat ik het vrij duidelijk heb gezegd Hendrik!"
Hendrik meesmuilt in zich zelven, dat die jonge mevrouw van de kale
kapiteinsfamilie, nog meer komplementen op 'r lijf hèt dan al de
leden der generaalsfamilie te zamen. Zoo'n kommando heeft ie van
juffrouw Coba--die zachte engel!--nog nooit gehad. Maar afijn, als
ie tegen de orders van den generaal handelt dan zal hij weten _wie_
't hem gelastte.
Eva beziet de brieven. De ééne--voor den luitenant-generaal Van
Barneveld--interesseert haar volstrekt niet; de andere is aan
't adres van "monsieur le docteur A. Helmond, hotel du Helder,
rue du Helder, Paris." Hé, dat is aardig! Een stempel van het
hotel er op, en dáár afgeschreven: "Ronduyse près de la Haye,
Hollande!" Kluchtig! _Ronduyse_ près de la Haye!--Nu ja, wat wist
men in die wereldstad ook van een nest als Romphuizen aan 't eind
der aarde; 't was al mooi dat ze er een stedeke kenden 'twelk men
hier de residentie noemt.--Wat al poststempels! Tweemaal Paris--'s
Gravenhage--en Romphuizen--'t Is niet de inhoud van den brief,
die haar belangstelling wekt, maar de brief, zooals zij hem daar in
handen houdt, heeft voor haar zulk een bijzondere aantrekkelijkheid,
omdat hij diezelfde heerlijke reis heeft gemaakt, en hun uit die
prachtige stad en uit datzelfde hotel, nog als een groet van verre
werd nagezonden. Men had hen dáár niet vergeten. Hém niet: le beau
docteur, en zeker ook háár niet: la belle Hollandaise--ha! zoo men
het geweten had: née comtesse d'Armeloo!
Het beschouwen van den brief met de vele postmerken op de voor-
en achterzijde, heeft Eva's gedachten een weinig afgeleid. Zal ze
hem openen?--Man en vrouw zijn immers één.--Bah! nieuwsgierigheid
past niet in het kader van een fier en edel karakter.--Ze zou dien
brief _kunnen_ lezen, maar ze wil het niet.--Toch zal ze zoo vrij
zijn om hem in den zak te steken: mijnheer de generaal behoeft de
correspondentie van de familie Helmond niet te controleeren.
Weinige minuten, nadat dokter Helmond de hem straks getoonde letteren
heeft gelezen, zegt Van Barneveld terwijl hij Helmond met zijn
doordringendsten blik beschouwt: "Maar ik herhaal je, dat zulk een
vermoeden mij en mijn kind beleedigt."
"En _ik_ behoef u niet te herhalen oom, dat dit vermoeden zeker nooit
in mij zou zijn opgekomen wanneer er voor u of Coba--naar mijn innige
overtuiging--iets beleedigends in te vinden ware, want...."
"August, ga niet voort. 't Is volstrekt onnoodig dat mijn pleegzoon
zich in deze teedere zaak verontschuldigt. Ik weet te goed wat hij
voor Coba geweest is. Maar wáárom zich dan ook te verschuilen achter
een vermoeden--bah! alsof Coba zich zóó zou hebben vergeten; alsof
ze affecties zou hebben gevoeld voor haar.... _muziekmeester_! Zwijg,
dat is beleedigend, zeer!"
"Als u mij niet vergunt te spreken dan zal ik zwijgen; maar, u hebt
ongelijk."
Van Barneveld loopt met afgewend gelaat de kamer op en neer.
Helmond herneemt:
"Zelfs met uwe begrippen oom, kan mijn vermoeden noch voor u, noch
voor de goede Coba beleedigend wezen. Immers door woord noch blik
heeft ze ooit doen gissen wat er omging in haar hart."
"Maar ik zeg je dat er in Coba's hart niets, _niets ter wereld_
omging voor dien man.... een muziekmeester, die...."
"Die een uitnemend mensch was, en--die nú rust in het graf oom."
"Wat beteekent die toon! Dat laatste klinkt als een verwijt. Mij
dunkt dat er niemand is die de rust van den doode verstoort dan dokter
Helmond alleen. Ik heb dat jonge mensch geacht; hij was bescheiden,
had talent; maar, zulk een verhaal--wat kon het anders dan mijn
weerzin verwekken!"
"Oom ik geloof...."
"Je gelooft het ongerijmde. Stil! Ik had je raad gevraagd, maar
behoef hem niet meer. 't Kwam mij niet geheel onnatuurlijk voor
dat een gevoelig kind zich wat al te zeer aan den zoon van mijn
vroeg gestorven krijgsmakker had gehecht; maar, dat die broeder--na
misschien wat al te veel haar teederheid te hebben opgewekt, haar nu,
en tegenover haar vader, durft verdenken; haar durft betichten van
een.... gemeene liaison; dát, zie dat is...."
"Maar, bij God....!"
"Nog ééns, genoeg August! Ik wil mijn kalmte niet verliezen. Stel je
gerust: Jacoba zal genezen ook zonder je meewerking."
"Hoe! zou ik dan niet willen meewerken om Coba...."
"Wij zullen in geen herhaling treden Helmond. Ons gesprek heeft me
meer gekost dan je vermoedt. Ik wilde...."
Er wordt vrij luide op de deur geklopt.
"Wie daar?" roept Van Barneveld.
Hendrik opent de deur en zegt op den drempel:
"Menheer, mevrouw Helmond vraagt of dokter beneden wil komen? Mevrouw
was klaar om te vertrekken en kon niet langer wachten."
"Zeg aan mijn vrouw of zij nog even...."
"Heeft mevrouw Mansburg je niet gezegd dat ik ongestoord wilde
blijven?"
"Jawel generaal."
"En tóch durf je hierkomen!"
"Mevrouw Helmond gelastte me generaal."
"En heb je niet gezegd dat mijn orders...."
"Jawel generaal, dat heb ik duidelijk gezegd, maar de jonge mevrouw
zei dat dát er niet op aankwam, en dat ik tóch gaan moest."
Een donkerrood bedekt eensklaps het gelaat van den ouden krijgsman.
"Zeg aan mevrouw dat ik zal komen zoodra ik kan;" klinkt Helmonds
bevel, en hij geeft een gebiedenden wenk aan Hendrik, die daarop
aanstonds vertrekt.
"De onbeschaamde feeks!" murmelt Van Barneveld, terwijl hij zijn
gelaat naar een andere zij heeft gekeerd en de vuisten krampachtig
gesloten houdt.
Helmond heeft dat laatste gehoord. Het greep hem in 't hart. Snel
werpt hij een blik naar de deur om zich te overtuigen dat hij zich
met den pleegvader alleen bevindt, en dan:
"U spreekt van _mijn vrouw_ oom!"
"Ja Helmond, ja!"
"Maar gevoelt u niet oom...."
"Gevoelen! Ha, dat zal waar zijn, meer dan ik zeggen kan. Bleef ik
daarom te midden van 's-vijands lood in duizend gevaren ongedeerd,
om mij 't leven door een paar wijven te doen vergiftigen!"
Helmond, doodsbleek geworden, staart met saamgeperste lippen op den
grijsaard, die eveneens strak voor zich heen ziet. Bijna fluisterend
met een trillende stem, zegt de eerste terwijl hij met de hand op
de tafel geleund zich eenigszins naar de zij van zijn pleegvader
vooroverbuigt:
"U bedoelt.... toch.... niet.... dat mijn Eva....?"
Van Barneveld grijpt den rug van een armstoel vast; blijft strak voor
zich heen zien, en geeft geen antwoord.
"Het kan u geen ernst wezen oom, dat mijn vrouw waarlijk een hinderpaal
zou willen zijn voor uw geluk....?"
Van Barneveld blijft zwijgen. Met Gods hulp zal hij verder heerschen
"over den boozen geest die hem te vervoeren zoekt".--Helmond vervolgt:
"Al moest het waar zijn wat u ten opzichte van Coba hebt _vermoed_, is
het dan _Eva_'s schuld dat ik haar tot vrouw koos, terwijl ik de goede
Coba toch nooit met zulk een liefde zou hebben bemind? Maar bovendien,
de tijd zal het leeren dat mijn huwelijk met Eva Armelo uw kind geen
hartzeer heeft berokkend oom. En dan, wat heeft Eva gedaan dat zij
door u een onbeschaamde.... een--o het woord is te bitter--een _wijf_
wordt genoemd, dat.... u het leven.... te.... vergiftigen zoekt.--Oom,
mijn achting, mijn eerbied voor u, ze eischen toch niet dat ik de
vrouw mijner liefde onverdiend zal hooren smaden en beleedigen....?"
Van Barneveld wendt zijn gelaat langzaam naar Helmonds zijde, en
't klinkt schijnbaar kalm op diepen toon:
"Zal ik mijn pleegzoon verschooning moeten vragen voor de woorden die
hem griefden?--Welaan, het zij zoo, op mijn ouden dag wil ik den oorlog
niet.--August, ga nu heen, we hebben niets meer te praten;--neen, niets
meer, niets!--Groet je vrouw August. Zeg haar dat het beter zal zijn
indien we elkaar niet meer--of wil je--slechts zelden ontmoeten. Ik
eisch tenminste rust en vrede wanneer ik dan niet oogsten mag waarop
mijn hoop was gebouwd: de liefde van hen die ik.... als eigen zoons
heb opgevoed.--Ga nu August.... je vrouw wacht je."
Dokter Helmond staat een oogenblik besluiteloos. Op dien toon heeft
hij den pleegvader nog nooit gehoord. Er was een weemoed in zijn stem
die geweldiger trof dan ooit zijn toorn het gedaan had. August ziet
den ouden man in een leunstoel neerzakken. Met den arm op de tafel
ondersteunt hij het sneeuwwitte hoofd. Hoe! blinkt daar een traan in
het starende oog,--een traan in het oog, 't welk men voorheen wel eens
"des vijands vlucht" of "Neerlands krachtigst wapen" heeft genoemd?
Van Barneveld wendt zijn gelaat van Helmond af; maar de pleegzoon
heeft den traan gezien. Met bliksemsnelheid vliegt een blonde
jeugd en gelukkige jongelingstijd zijn geest voorbij; al wat hij
goeds genoot van dien edelen maar gestrengen pleegvader, het staat
daar weer levendig voor zijn herinnering. Zijn waardige lessen of
kernspreuken, hoezeer ook somwijlen in tegenspraak met een vrijere,
mildere--misschien een jongere--wereldbeschouwing, doch altijd
getuigend voor zijn edelen aard en onkreukbare trouw, hij hoort ze
opnieuw: "Vrees God! Eer den Koning!"--"Heb je vijanden lief, maar
verdelg ze die komen om 't vaderland te belagen, of hém te bestoken die
door God tot opperheer werd gezalfd."--"Zelfs de rijke werke in zijn
jeugd opdat hij met zijn rijkdom niet arm zij in den ouderdom."--"God
heeft standen en rangen verordineerd: wie huwt beneden zijn stand
verbreekt de ordonnantiën Gods."--"Wees gestreng maar rechtvaardig;
mild voor wie geen handen heeft of op krukken gaat."--"Zwijg als uw
meerdere spreekt."--"Buig het hoofd indien de Heer gebiedt."--"Kruipen
doet het laag gedierte."--"_Knielen_ zult ge voor _God alleen_."
En dan, moest in dit oogenblik het woord niet met gloeiende letters
voor Augusts oog geschreven staan: "Vergeet de hand niet die u de
veldflesch reikte toen ge snaktet naar water"?
"Oom!" barst Helmond uit, terwijl hij de hand van den grijsaard vat:
"ik bid u, spreek zoo niet. Heb ik u niet lief als een dankbare zoon?"
"'t Is wel August, maar ga nu. Waartoe nog meer! Je _vrouw_ wacht
beneden."
"Zou een vrouw mij verhinderen om u te zeggen dat ik u als een eigen
vader liefheb?"
"Men zal de vrouw boven den vader stellen. Ga nu heen August!"
"Maar wij beiden zullen u liefhebben oom; zij _zal_ wijs worden;
maar wees niet te gestreng tegen haar!?"
Van Barneveld ziet hem eensklaps aan alsof hij wil vragen: was _ik_
gestreng tegen háár? Gij die mij kent, hébt gij van dezen avond mijn
zelfbeheersching niet gezien?--Maar, zonder spreken ziet hij weer
voor zich neer, en dan:
"Ik wenschte nu dat je heengingt August; nóg eens, je vrouw staat
te wachten."
"Maar Eva _zal_ wachten oom! Zonder de zekerheid dat ik nog altijd
uw liefde en achting bezit, kan ik niet heengaan. Waardoor heb ik
die liefde verbeurd? Waarin heb ik moedwillig uw hoop bedrogen? Als
man van eer verzeker ik u dat ik nooit met Coba's hart heb gespeeld,
en zelfs, tot het oogenblik, waarin u mij uw vermoeden meedeeldet,
is het denkbeeld aan de _mogelijkheid_ niet eens in mij opgekomen. U
gelooft mij oom....? U gelooft me, niewaar?"
Van Barneveld antwoordt niet; maar juist in dat zwijgen vindt Helmond
zijn vrijbrief. Hij vervolgt:
"En, _moest_ het nu al waarheid wezen dat ik geheel ondanks mij
zelven aan uw dierbaar kind een dieper gevoel heb ingeboezemd dan
we vermoedden, wat ik u bidden mag, laat mijn Eva dan toch buiten
die teedere zaak. Immers, toen ik reeds haar jawoord ontvangen had,
toen wist ze ternauwernood dat de lieve Coba bestond. En bovendien,
haar aard is te edel om gelukkig te kunnen zijn ten koste van een
andere. Is zij dan wat veeleischend misschien, bedenk ook dat Eva geen
hart zou hebben aangenomen 't welk haar niet in den uitgestreksten
zin alleen toebehoorde. Verdenk dus mijn Eva niet. Maar ook, om
mijnentwil vergeef mijn jonge vrouw, die niet in uw goede leerschool
werd grootgebracht, wanneer ze eens vergeet...."
Eva gekleed met hoed en sjaal heeft de deur van Van Barnevelds kamer
geopend, en den drempel overschrijdend, zegt ze nu tamelijk luid:
"Ik geloof August, dat alleen de _jonge vrouw_ iets te vergeven heeft,
wanneer men haar gedurende een paar uren _geheel en al vergeet_."
"Eva....!"
Van Barneveld heeft eensklaps met vlammenden blik naar Eva omgezien;
doch, nu zegt hij bedaard:
"August.... je hebt het gehoord."
"Maar ik had met oom te spreken Eva."
"Leert mijnheer Van Barneveld misschien dat men ter wille van zulk
een gesprek, eerst zijn _jonge vrouw_ met een vreemde, en later in
holle kamers bij nachtlicht geheel alleen zal laten?"
"Eva, ik verzoek je...."
"....Te begrijpen August, dat men zulk een les niet opvolgt, en
althans niet wanneer de zeer wellevende leermeester, die vrouw _de
deur heeft gewezen_."
Van Barneveld steeds in zijn armstoel gezeten, grijpt een pen, stoot
die eenige malen met kracht op de tafel, en dan, als hij haar gansch
gespleten wegwerpt zegt hij zacht doch met klem:
"August, je kent me: Ga nu heen."
"Oom, ik kan...."
Van Barneveld reikt hem van terzij, met afgewend gelaat, de hand, en
't klinkt weer zacht:
"Laat dit eindigen; om Godswil, ga heen!"
Eva komt den generaal een schrede nader, en met een stem die bits
kon heeten indien ze niet door een natuurlijke welluidendheid werd
getemperd, zegt ze:
"Ik heb begrepen mijnheer Van Barneveld, dat het eindigen zou nog
vóórdat het begonnen was. Dezen avond wilde ik zekerheid hebben,
en...."
"Eva, kom, wij gaan.... Bedenk tegen wien...."
"Ik bedenk dat zeer goed, en wil dien ouden heer ook volstrekt geen
kwaad August; ja zelfs ik zal je niet weerhouden hem lief te hebben
zooveel je dat kunt. Maar, heb ik zelve nog straks zijn eer tegenover
dien vreemde trachten op te houden; nú tegenover hem zelf, en bij
ons laatste samenzijn, nu _wil_ ik spreken: Ik heb altijd vermoed
mijnheer de generaal, dat het zoo eindigen moest, en wel.... omdat
mijn karakter nooit sterker in opstand kwam dan wanneer het _trots_,
gepaard met _schrielheid_, ontmoette. Mijn ondervinding...."
"Eva zwijg!" roept Helmond hevig: "bij God, dat gaat te ver...."
De oude generaal heeft nogmaals en krachtig gestreden, maar ook
nogmaals--tegenover een _vrouw_, zich zelf overwonnen. Nu opgestaan,
zich zijwaarts tot Eva keerend, zonder haar echter aan te zien,
zegt hij met een zeer merkbaar gekunstelde bedaardheid:
"Wil me uw ervaringen sparen mevrouw. Met mijn leeftijd zou ik driemaal
uw vader kunnen zijn. Mijn trots en schrielheid...."
"Oom ik bid u, zij bedoelde...."
"Zij bedoelde mijn _trots_ en _schrielheid_ August, en
daarom.... dáárom...." Doch de grijsaard kon niet verder spreken. Zijn
lippen trilden; de stem stokte hem in de keel. Helmond greep zijn hand,
maar als hij met de andere ijlings een glas water wil inschenken,
dan vermant zich de oude krijgsman voor 't laatst, en zegt op zacht
gebiedenden toon, terwijl August Goddank, nog zijn handdruk gevoelen
mag:
"Laat me.... nu alleen.... of.... of ik vergeet....--Voort Helmond,
voort!"
En August, wankelend tusschen den verguisden pleegvader en zijn
gekrenkte maar onberaden echtgenoote, werpt een gestrengen blik op
Eva, en ze vlucht voor dien blik terug naar de deur. En de grijsaard,
neervallend in zijn zetel, bedekt met beide handen het gloeiend gelaat,
en murmelt met tranen in zijn heesche stem:
"O God, dit alles op mijn ouden dag! Heb ik dat aan hen
verdiend! Groote God, moest ik dit nog beleven!"