DERTIENDE HOOFDSTUK.

Op den avond van dienzelfden dag zijn de weduwe Van Hake en haar

zoon in het schemerdonker bijeen. Mevrouw Van Hake zit in haar

leunstoel. Men ziet van haar niet veel meer dan 't wit van haar muts

en het wit der breikous, waaraan zij met ijver werkt, 'tgeen aan het

rusteloos naaldengetiktak te hooren is.

Thomas, met den rug naar het venster gekeerd, is in massa wel

zichtbaar, maar zijn goedaardig doorgaans vroolijk gelaat is

nu--natuurlijk--zoo zwart als de nacht.

"We willen er dan maar 't beste van hopen moedertje, en ik beloof

je vast er geen woord van te zullen spreken; maar, neem me niet

kwalijk, den eersten keer dat ik weer merk dat ze u voor haar _meid_

aanziet...."

"Stil stil beste Thom, wie heeft dat gezegd, ik...."

"Nee, dat hebt u niet gezegd, maar wij beiden hebben het bemerkt

moeder; en ik herhaal het: den eersten keer dat zij u op de een

of andere wijze weer durft krenken, dan ... ja, dán moet het maar

uit zijn!"

"Lieve Thom, 't is zeker je goeje hart dat daar spreekt, maar je hebt

me immers moeten toestemmen dat óók de jonge mevrouw getoond heeft

een goed hart te bezitten; en daarom, wie weet...."

"Nu ja moedertje, maar goeje harten hebben alle menschen. Gisteren

hoorde ik nog van een zekeren mijnheer vertellen: dat hij gedurig

zijn vrouw sloeg, maar anders au fond een _heel goed hart_ had."

"Eva heeft zich illusies gemaakt Thomas. De reeds lang loopende

Kippelaans-praatjes: dat Helmond voor liefhebberij praktizeert; dat

hij van den schatrijken oom zooveel geld kan krijgen als hij verlangt;

dat de generaal het mooie huis op de markt voor z'n neef zou koopen,

dat alles heeft haar al wat hooger opgewonden dan goed was. Zoolang wij

Eva kenden was zij hooghartig, en we weten ook dat ze thuis--vooral

sedert haar terugkomst uit Den Haag--door haar familie als een halve

godin werd gediend en ontzien. Wellicht heeft dat ziek-zijn er toe

bijgedragen; en later toen ze met dokter Helmond geëngageerd was,

toen is het er zeker niet op verbeterd. De goede dokter, die haar

zoo liefheeft, mag haar mede wel een beetje bedorven hebben."

"Mijn beste moeder weet altijd de verschoonende zij van een karakter

op te sporen; maar...."

"We willen nu liever zwijgen over dit punt beste Thom. Ik heb heden

meer hoop voor de toekomst gekregen; en vergeet het niet, dat we

uit dankbaarheid voor onzen lieven dokter toch wel wat geduld mogen

hebben."

"Tot het uiterste moeder! Ja! maar ze moeten van ú afblijven! bij

God! of anders...."

"Stil kind, stil! Maar bedenk dan ook dat je moeder nevens haar wensch

om _jou_ gelukkig te zien, er geen grooter heeft dan om hier onder

dit vreedzaam dak, op de plaats waar ze je braven vader zag werken

en lijden, haar dagen te eindigen, en het hoofd neer te leggen,

het oog gericht op een betere toekomst."

De massa, die Thom moest wezen, had zich verplaatst, en men zag nu

niets, volkomen niets meer in de huiskamer der Van Hakes. Toch, als

men scherp keek, dan zag men nog een _grauwe_ vlak--die mevrouw Van

Hakes muts moest wezen--zich zeer terzij bewegen, terwijl men niet

langer het getiktak der breinaalden, maar een zoet geluid vernam,

het bewijs der innigste liefde tusschen moeder en zoon.

Uit een eerst bijna onhoorbaar gemurmel worden in 't eind verstaanbare

klanken geboren. Zacht fluisterend klinkt het nu:

"Jawel Thom, jawel!"

"Nee moeder; nee....!"

"Er _moet_ wel iets wezen Thom; je waart in den laatsten tijd niet zoo

vroolijk als anders. 't Is waar, je hadt veel te doen; en dan de dood

van mijnheer Donerie; je dagelijksche orgel-oefeningen in het vroege

morgenuur; de zorgen voor moeders toekomst.... ja, ik weet het wel;

maar, is er dan niets, niets anders, dat....?"

Alsof Thom nog vreesde dat men in 't donker, _wit_ van _rood_ kon

onderscheiden, dook hij met den blonden krulkop achter moeders hals,

en terwijl hij--op den arm van haar leunstoel gezeten--haar middel

omvatte en haar zoo een zoen in den hals gaf, sprak hij een oogenblik

later zeer zacht, maar toch schijnbaar luchtig:

"Wil ik je eens een vertelseltje doen moeder? 't Is heel kort:

D'r was eens een boerenjongen en een koning; en de koning had een

dochter; en de boerenjongen was een gek. Toen de koningsdochter van

't paard was gevallen en de boer haar naar 't paleis had gereden,

toen vroeg hij de koningsdochter tot vrouw."

"En....?"

"Nou is 't uit moeder."

"Hoe meen je? Ik begrijp niet....?"

"Ik heb u immers gezegd moedertje, dat die boerenjongen een _gek_ was."

Hoor, daar klonk de schel der apotheekdeur.

In één oogwenk was Thom óp, en ter kamer uit.

"Hoe vaarje; hoe vaarje?" Klinkt een stem den komenden provisor tegen:

"Altijd wél geweest? 't Is hier drommels donker. Ik heb immers 't

plezier dokter Helmond te zien?"

"_Je plezier van zien_ kan zoo groot niet wezen, menheer Kippelaan;

maar wacht, ik zal even de aptheek-lamp aansteken. U moet immers in

de aptheek zijn?"

--O! ah zoo menheer Van Hake, ben u het! Verrukt je te

zien.... of.... je zoo straks te zullen.... enfin! Mama

welvarend? Komaan, dat doet me ontzettend veel plezier. Al gehoord dat

je mama laboreerde. Zondag niet in de kerk geweest. Dokter welvarend

en 't jonge vrouwtje? Allerliefst lief vrouwtje, allerliefst! Altijd

een charme van me geweest. Entre-nous gezegd, bepaald vues op gehad;

maar zwak, niet gezond. Tenminste.... die ziekte waar ze mee uit

den Haag kwam, toen dacht ik: prudent! Voel-je? En ik wachtte; maar

tusschentijds is dokter gekomen. Enfin, even goeje vrinden. Je weet

Van Hake, dat we om zoo te zeggen boezemvrinden zijn, en dus...."

"Moest u dokter hebben, menheer Kippelaan?"

"Chut, chut, amice. Je begrijpt wel dat ik mijn reden heb waarom ik

hier _achter_ inkom. Mijn vriend Helmond wilde ik spreken; jawel,

maar chut! in een teere zaak; heel teere zaak; en dáárom.... A propos,

je hebt witte drop, _wit_? Klaar hé?"

"Jawel.--Verkouden menheer Kippelaan?"

"Ik, nee nee, pardon, nee, maar er is iemand die.... Enfin, ik wou

wel graag een pond witte drop hebben.... mijn neef de professor is

vóór witte drop; bepaald!"

Van Hake ondanks zich zelven lachend:

"Een pond....!?"

"Jawel, of tenminste een groote quantiteit, en dan in een prachtdoos;

iets énorms--zóó zieje, van die hoogte bijvoorbeeld. Och entre-nous

menheer Van Hake, jij bent de eenige aan wien ik 't zeggen zou, maar

't staat alles in 't nauwste verband. De reden waarom ik eigenlijk

hier kom is een gezondheidsinformatie. Is.... isse dokter vandaag op

_De Zonsberg_ geweest?"

"Dokter is er op 't oogenblik met zijn vrouw."

"Op 't oogenblik, och-kom, dus niet thuis? Ojee!...." Eensklaps

komt hij den provisor, die nog voor de toonbank staat, terzij; omvat

met zijn beide handen Van Hakes rechter-onderarm, karnt er met een

geweldige hartelijkheid mee op en neer, en vervolgt: "Ik vertrouw je

menheer Van Hake; je bent iemand in wien ik fiducie heb, en bovendien

_ik dank je_, jawel ik dank je; want ik heb verplichting aan je,

groote verplichting; parole!"

"voorzichtig menheer Kippelaan, je zult zwarte handen krijgen want

mijn jas...."

"Niemendal m'n vriend, niemendal;" zegt Kippelaan, ofschoon hij Van

Hake loslaat, die zich nu met een snelle wending achter de toonbank

verschanst.

"Je hebt meer voor me gedaan dan ik zeggen kan," herneemt Kippelaan:

"We zijn hier veilig niewaar?" Hij ziet naar de openstaande gangdeur,

doch zonder eenige beweging te maken om haar dicht te doen: "Enfin, op

den dag toen mijn geliefde vriend Donerie 's-avonds gestorven is, toen

ben je 's morgens bij baas Krul geroepen niewaar? En een uur later toen

heb je iemand, een zeker iemand, compris, met een _vigilante_ naar een

zeker landgoed gebracht.... Vatje? Jawel, je vat me.... hé? De generaal

heeft het die domme timmermansfamilie zeer _zeer_ kwalijkgenomen dat

ze haar als 't ware gedwongen hadden naar boven te gaan, blootgesteld

aan een tooneel dat haar bijna van schrik den dood op het delicate

lijf heeft gejaagd. Ze was geheel van zich zelve niewaar?"

"U spreekt van.... juffrouw Van Barneveld?"

"Chut! chu.... u.... ut, mijn beste vriend. Enfin, wie zou ik

anders bedoelen. Jawel, onder ons, ik spreek van Jacoba, en ik

ben òvergelukkig dat het toeval mij u, en niet dokter Helmond deed

vinden. Je hebt haar op dien morgen gezien, geobserveerd, ge.... enfin

door je uitmuntende zorgen haar in 't leven behouden. Merci, waarachtig

Van Hake, van harte merci!"

Kippelaan tastte over de toonbank naar handen, die echter niet voor

den dag kwamen. Weer omziende: "Nu is het alleen maar de vraag

of het.... toevallen zijn of niet....? Men zegt dat ze toevallen

heeft. Men zegt! maar men zegt zooveel. Geen verschijnselen--je weet

wel.... op den mond niewaar? Mijn neef de professor...."

"Zijn ze razend! roept Thomas: "daar is niets _niets_ van waar," en hij

voegt er nog een krachtige bestrijding bij. Die malle Kippelaan was

anders wel instaat om te gaan rondventen dat juffrouw Van Barneveld

de vallende ziekte had, en als zijn zegsman den intiemen _Van Hake_

te noemen.

"Merci, merci hoor!" valt Kippelaan uit: "Ik was er zeker van;

't was de schrik, de agitatie. Débiel gestel niewaar? Niet vrij

van een weinigje aamborstigheid. Goed geobserveerd; jawel! Ik kom

er tegenwoordig aan huis. De beide laatste keeren háár echter niet

gezien. Débiel gestel. Na die scène zou 't haar te veel schokken.... 't

Heet nu verkouden; vooralsnog moet ik haar excuseeren. Versta je,

vooralsnog!"

"Aha, dus bestaan er plannen?" zegt Thomas nu tamelijk laconiek,

ofschoon hij zich zonderling voelt geslingerd tusschen uitbundig

lachen en "afranselen"!

"Chut, _chuuuut_! Plannen, ja ja. Ben ik te rond geweest,

te openhartig, zeg? Ja, ik ben te rond. Maar enfin,

ik ben die ik ben. Zieje, ik moest zekerheid hebben; ik

wilde.... e.... e.... e.--Geen aanleg voor.... tering?"

"Watblief?"

"Een idee: een invallend idee. Ik heb een huwelijk gekend dat

werd vernietigd door die fatale ziekte. Enfin, vooruit kunnen

weten. Maar--zou je denken? aanleg?"

Van Hake heeft onwillekeurig den stamper uit den grooten vijzel ter

hand genomen, en krijgt nu sterke aanvechting om "dat heer de tanden

uit den mond te slaan".--Zeer laconiek klinkt echter zijn antwoord:

"Om dát heel zeker te weten, menheer Kippelaan, zou ik neef den

professor eens laten komen."

"Maar.... maar m'n beste vriend, hoe zou die....? Ja! wat zijn

capaciteiten betreft; maar hoe zou ik neef bij juffrouw Coba kunnen

zenden om haar borst te kunnen onderzoeken.--Doch niewaar, als er

iets van aan was, dan zoudt u en mijn vriend Helmond het weten. Zie

't was een idee. Ieder mensch heeft zoo zijn aanleg voor eenige kwaal."

"Welzeker," bevestigt Thomas: "zooals men bijvoorbeeld veeldenkende

en alles onderzoekende menschen wel eens naar 't krankzinnigenhuis

ziet marcheeren."

"Och-kom!" zegt Kippelaan, terwijl hij onwillekeurig naar zijn hoofd

tast. En dan op eenigszins kalmer toon, herhaalt hij zijn innigsten

dank voor de allerbelangrijkste inlichtingen. Mijnheer Van Hake

zou toch moeten toestemmen dat men op _zijn_ leeftijd--om en bij de

dertig--eenigszins met verstand moest te werk gaan. Dood in vertrouwen

gezegd was er toch bovendien 't een en ander, dat.... enfin--Van Hake

zou er wel alles van weten.

Terwijl Van Hake, peinzend op een afdoend middel om dat individu kwijt

te raken, half gedachteloos ontkent, verwringt Kippelaan zijn gelaat

tot zulk een uitermate geheimzinnig en vertrouwelijk knipoogje, dat

Thom toch met een weinig meer belangstelling zijn ontkenning herhaalt.

"Niet!" zegt Kippelaan: "weet je niets van die verstandhouding tusschen

den generaal en.... jawel onzen vriend, je uitmuntenden patroon?"

"Verstandhouding?" zegt Thomas opziende.

"Ja ja! alles behalve wenschelijk. Uit een goede bron. Watblief? Weet

je van niets? Ik zou 't aan niemand vertellen, maar aan u, die

me drievoud verplichtte...." En Kippelaan vertelde nu in 't diepst

geheim--Van Hake was reeds de zesde vertrouweling--'tgeen hij volgens

zijn verklaring uit een goede bron vernam, maar inderdaad op dien

avond, onder den eik en onder het raam van Van Barnevelds kamer heeft

afgeluisterd. 't Was buiten twijfel, verzekerde Kippelaan--die slechts

de luidst gesproken woorden heeft kunnen opvangen--dat de generaal in

't geheel niet zóó met den neef was ingenomen als men dat meende. Nog

op den avond vóór zijn huwelijk, had hij hem in hevige woede, terwijl

hij somtijds als razend de tafel door vuistslagen deed dreunen, zijn

gebrek aan eerbied en onderdanigheid verweten, terwijl hij hem met

geheele onterving had bedreigd indien hij daarin geen verandering

bracht.

Van Hake was nog te zeer onder den indruk van die eerste zotte

informaties naar Jacoba's gezondheid, dan dat hem deze laatste

mededeeling ernstig kon treffen. Al wist hij niet dat dit geheele

verhaal op een misverstand steunde, dewijl die toorn van den generaal

immers geenszins den geliefden neef maar wel diens broeder Philip

had gegolden, zoo hield hij de gansche geschiedenis toch aanstonds

voor een "Kippelaans-praatje" en, ofschoon hij ook nu nog met zijn

vroegere belhamels-natuur te strijden had, en dien babbelaar zeer

gaarne een paar blauwe oogen zou hebben geslagen, zoo riepen hem nu

al de etiquetten der groote medicijnflesschen toe: dat hij hier zijn

verstand moest bewaren, en 't allerminst in de apotheek van zijn

goeden patroon een dwaasheid mocht begaan.

Hoe 't zij, toen Kippelaan ongeveer een kwartier later, maar zonder

zijn wit drop, uit Helmonds apotheek in de donkere straat kwam, toen

mocht hij wel van geluk spreken, zonder kleerscheuren van achter

die toonbank te zijn weggekomen. In 't eind toch was hij Van Hakes

verschansing binnengedrongen, en, terwijl hij de hand had vermeesterd,

waarin Thom den stamper hield, en er vol innigheid mee op en neder

karnde, verzocht hij "rondement" aan zijn besten vriend, om--met het

oog op iets zeer "kortafs" van den generaal, hem een enormen dienst

te willen bewijzen. Van Hake zou wel begrijpen wat hij bedoelde,

en--nietwaar, de beste vriend was juist de persoon om zoo eens te

polsen, want, sedert den morgen dat mijnheer Van Hake juffrouw Jacoba

van baas Krul naar _De Zonsberg_ bracht, is hij immers een paar malen

zeer welwillend door den generaal ontvangen.

Ja, indien Kippelaan had geweten wat daar omging in Van Hakes borst,

dan mocht hij wel van geluk spreken--althans betrekkelijk--zoo

heelhuids uit die apotheek te zijn weggekomen, want, zelfs de zware

vijzelstamper, die hem eensklaps--voorzeker onwillekeurig door

den provisor losgelaten--op den voet is gevallen, die stamper had

hem slechts weinig geraakt, tenminste 't had niets te beteekenen;

o niets! nee--heusch.... tenminste.... Bonsoir!

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 33 / 85 题