Op den avond van dienzelfden dag zijn de weduwe Van Hake en haar
zoon in het schemerdonker bijeen. Mevrouw Van Hake zit in haar
leunstoel. Men ziet van haar niet veel meer dan 't wit van haar muts
en het wit der breikous, waaraan zij met ijver werkt, 'tgeen aan het
rusteloos naaldengetiktak te hooren is.
Thomas, met den rug naar het venster gekeerd, is in massa wel
zichtbaar, maar zijn goedaardig doorgaans vroolijk gelaat is
nu--natuurlijk--zoo zwart als de nacht.
"We willen er dan maar 't beste van hopen moedertje, en ik beloof
je vast er geen woord van te zullen spreken; maar, neem me niet
kwalijk, den eersten keer dat ik weer merk dat ze u voor haar _meid_
aanziet...."
"Stil stil beste Thom, wie heeft dat gezegd, ik...."
"Nee, dat hebt u niet gezegd, maar wij beiden hebben het bemerkt
moeder; en ik herhaal het: den eersten keer dat zij u op de een
of andere wijze weer durft krenken, dan ... ja, dán moet het maar
uit zijn!"
"Lieve Thom, 't is zeker je goeje hart dat daar spreekt, maar je hebt
me immers moeten toestemmen dat óók de jonge mevrouw getoond heeft
een goed hart te bezitten; en daarom, wie weet...."
"Nu ja moedertje, maar goeje harten hebben alle menschen. Gisteren
hoorde ik nog van een zekeren mijnheer vertellen: dat hij gedurig
zijn vrouw sloeg, maar anders au fond een _heel goed hart_ had."
"Eva heeft zich illusies gemaakt Thomas. De reeds lang loopende
Kippelaans-praatjes: dat Helmond voor liefhebberij praktizeert; dat
hij van den schatrijken oom zooveel geld kan krijgen als hij verlangt;
dat de generaal het mooie huis op de markt voor z'n neef zou koopen,
dat alles heeft haar al wat hooger opgewonden dan goed was. Zoolang wij
Eva kenden was zij hooghartig, en we weten ook dat ze thuis--vooral
sedert haar terugkomst uit Den Haag--door haar familie als een halve
godin werd gediend en ontzien. Wellicht heeft dat ziek-zijn er toe
bijgedragen; en later toen ze met dokter Helmond geëngageerd was,
toen is het er zeker niet op verbeterd. De goede dokter, die haar
zoo liefheeft, mag haar mede wel een beetje bedorven hebben."
"Mijn beste moeder weet altijd de verschoonende zij van een karakter
op te sporen; maar...."
"We willen nu liever zwijgen over dit punt beste Thom. Ik heb heden
meer hoop voor de toekomst gekregen; en vergeet het niet, dat we
uit dankbaarheid voor onzen lieven dokter toch wel wat geduld mogen
hebben."
"Tot het uiterste moeder! Ja! maar ze moeten van ú afblijven! bij
God! of anders...."
"Stil kind, stil! Maar bedenk dan ook dat je moeder nevens haar wensch
om _jou_ gelukkig te zien, er geen grooter heeft dan om hier onder
dit vreedzaam dak, op de plaats waar ze je braven vader zag werken
en lijden, haar dagen te eindigen, en het hoofd neer te leggen,
het oog gericht op een betere toekomst."
De massa, die Thom moest wezen, had zich verplaatst, en men zag nu
niets, volkomen niets meer in de huiskamer der Van Hakes. Toch, als
men scherp keek, dan zag men nog een _grauwe_ vlak--die mevrouw Van
Hakes muts moest wezen--zich zeer terzij bewegen, terwijl men niet
langer het getiktak der breinaalden, maar een zoet geluid vernam,
het bewijs der innigste liefde tusschen moeder en zoon.
Uit een eerst bijna onhoorbaar gemurmel worden in 't eind verstaanbare
klanken geboren. Zacht fluisterend klinkt het nu:
"Jawel Thom, jawel!"
"Nee moeder; nee....!"
"Er _moet_ wel iets wezen Thom; je waart in den laatsten tijd niet zoo
vroolijk als anders. 't Is waar, je hadt veel te doen; en dan de dood
van mijnheer Donerie; je dagelijksche orgel-oefeningen in het vroege
morgenuur; de zorgen voor moeders toekomst.... ja, ik weet het wel;
maar, is er dan niets, niets anders, dat....?"
Alsof Thom nog vreesde dat men in 't donker, _wit_ van _rood_ kon
onderscheiden, dook hij met den blonden krulkop achter moeders hals,
en terwijl hij--op den arm van haar leunstoel gezeten--haar middel
omvatte en haar zoo een zoen in den hals gaf, sprak hij een oogenblik
later zeer zacht, maar toch schijnbaar luchtig:
"Wil ik je eens een vertelseltje doen moeder? 't Is heel kort:
D'r was eens een boerenjongen en een koning; en de koning had een
dochter; en de boerenjongen was een gek. Toen de koningsdochter van
't paard was gevallen en de boer haar naar 't paleis had gereden,
toen vroeg hij de koningsdochter tot vrouw."
"En....?"
"Nou is 't uit moeder."
"Hoe meen je? Ik begrijp niet....?"
"Ik heb u immers gezegd moedertje, dat die boerenjongen een _gek_ was."
Hoor, daar klonk de schel der apotheekdeur.
In één oogwenk was Thom óp, en ter kamer uit.
"Hoe vaarje; hoe vaarje?" Klinkt een stem den komenden provisor tegen:
"Altijd wél geweest? 't Is hier drommels donker. Ik heb immers 't
plezier dokter Helmond te zien?"
"_Je plezier van zien_ kan zoo groot niet wezen, menheer Kippelaan;
maar wacht, ik zal even de aptheek-lamp aansteken. U moet immers in
de aptheek zijn?"
--O! ah zoo menheer Van Hake, ben u het! Verrukt je te
zien.... of.... je zoo straks te zullen.... enfin! Mama
welvarend? Komaan, dat doet me ontzettend veel plezier. Al gehoord dat
je mama laboreerde. Zondag niet in de kerk geweest. Dokter welvarend
en 't jonge vrouwtje? Allerliefst lief vrouwtje, allerliefst! Altijd
een charme van me geweest. Entre-nous gezegd, bepaald vues op gehad;
maar zwak, niet gezond. Tenminste.... die ziekte waar ze mee uit
den Haag kwam, toen dacht ik: prudent! Voel-je? En ik wachtte; maar
tusschentijds is dokter gekomen. Enfin, even goeje vrinden. Je weet
Van Hake, dat we om zoo te zeggen boezemvrinden zijn, en dus...."
"Moest u dokter hebben, menheer Kippelaan?"
"Chut, chut, amice. Je begrijpt wel dat ik mijn reden heb waarom ik
hier _achter_ inkom. Mijn vriend Helmond wilde ik spreken; jawel,
maar chut! in een teere zaak; heel teere zaak; en dáárom.... A propos,
je hebt witte drop, _wit_? Klaar hé?"
"Jawel.--Verkouden menheer Kippelaan?"
"Ik, nee nee, pardon, nee, maar er is iemand die.... Enfin, ik wou
wel graag een pond witte drop hebben.... mijn neef de professor is
vóór witte drop; bepaald!"
Van Hake ondanks zich zelven lachend:
"Een pond....!?"
"Jawel, of tenminste een groote quantiteit, en dan in een prachtdoos;
iets énorms--zóó zieje, van die hoogte bijvoorbeeld. Och entre-nous
menheer Van Hake, jij bent de eenige aan wien ik 't zeggen zou, maar
't staat alles in 't nauwste verband. De reden waarom ik eigenlijk
hier kom is een gezondheidsinformatie. Is.... isse dokter vandaag op
_De Zonsberg_ geweest?"
"Dokter is er op 't oogenblik met zijn vrouw."
"Op 't oogenblik, och-kom, dus niet thuis? Ojee!...." Eensklaps
komt hij den provisor, die nog voor de toonbank staat, terzij; omvat
met zijn beide handen Van Hakes rechter-onderarm, karnt er met een
geweldige hartelijkheid mee op en neer, en vervolgt: "Ik vertrouw je
menheer Van Hake; je bent iemand in wien ik fiducie heb, en bovendien
_ik dank je_, jawel ik dank je; want ik heb verplichting aan je,
groote verplichting; parole!"
"voorzichtig menheer Kippelaan, je zult zwarte handen krijgen want
mijn jas...."
"Niemendal m'n vriend, niemendal;" zegt Kippelaan, ofschoon hij Van
Hake loslaat, die zich nu met een snelle wending achter de toonbank
verschanst.
"Je hebt meer voor me gedaan dan ik zeggen kan," herneemt Kippelaan:
"We zijn hier veilig niewaar?" Hij ziet naar de openstaande gangdeur,
doch zonder eenige beweging te maken om haar dicht te doen: "Enfin, op
den dag toen mijn geliefde vriend Donerie 's-avonds gestorven is, toen
ben je 's morgens bij baas Krul geroepen niewaar? En een uur later toen
heb je iemand, een zeker iemand, compris, met een _vigilante_ naar een
zeker landgoed gebracht.... Vatje? Jawel, je vat me.... hé? De generaal
heeft het die domme timmermansfamilie zeer _zeer_ kwalijkgenomen dat
ze haar als 't ware gedwongen hadden naar boven te gaan, blootgesteld
aan een tooneel dat haar bijna van schrik den dood op het delicate
lijf heeft gejaagd. Ze was geheel van zich zelve niewaar?"
"U spreekt van.... juffrouw Van Barneveld?"
"Chut! chu.... u.... ut, mijn beste vriend. Enfin, wie zou ik
anders bedoelen. Jawel, onder ons, ik spreek van Jacoba, en ik
ben òvergelukkig dat het toeval mij u, en niet dokter Helmond deed
vinden. Je hebt haar op dien morgen gezien, geobserveerd, ge.... enfin
door je uitmuntende zorgen haar in 't leven behouden. Merci, waarachtig
Van Hake, van harte merci!"
Kippelaan tastte over de toonbank naar handen, die echter niet voor
den dag kwamen. Weer omziende: "Nu is het alleen maar de vraag
of het.... toevallen zijn of niet....? Men zegt dat ze toevallen
heeft. Men zegt! maar men zegt zooveel. Geen verschijnselen--je weet
wel.... op den mond niewaar? Mijn neef de professor...."
"Zijn ze razend! roept Thomas: "daar is niets _niets_ van waar," en hij
voegt er nog een krachtige bestrijding bij. Die malle Kippelaan was
anders wel instaat om te gaan rondventen dat juffrouw Van Barneveld
de vallende ziekte had, en als zijn zegsman den intiemen _Van Hake_
te noemen.
"Merci, merci hoor!" valt Kippelaan uit: "Ik was er zeker van;
't was de schrik, de agitatie. Débiel gestel niewaar? Niet vrij
van een weinigje aamborstigheid. Goed geobserveerd; jawel! Ik kom
er tegenwoordig aan huis. De beide laatste keeren háár echter niet
gezien. Débiel gestel. Na die scène zou 't haar te veel schokken.... 't
Heet nu verkouden; vooralsnog moet ik haar excuseeren. Versta je,
vooralsnog!"
"Aha, dus bestaan er plannen?" zegt Thomas nu tamelijk laconiek,
ofschoon hij zich zonderling voelt geslingerd tusschen uitbundig
lachen en "afranselen"!
"Chut, _chuuuut_! Plannen, ja ja. Ben ik te rond geweest,
te openhartig, zeg? Ja, ik ben te rond. Maar enfin,
ik ben die ik ben. Zieje, ik moest zekerheid hebben; ik
wilde.... e.... e.... e.--Geen aanleg voor.... tering?"
"Watblief?"
"Een idee: een invallend idee. Ik heb een huwelijk gekend dat
werd vernietigd door die fatale ziekte. Enfin, vooruit kunnen
weten. Maar--zou je denken? aanleg?"
Van Hake heeft onwillekeurig den stamper uit den grooten vijzel ter
hand genomen, en krijgt nu sterke aanvechting om "dat heer de tanden
uit den mond te slaan".--Zeer laconiek klinkt echter zijn antwoord:
"Om dát heel zeker te weten, menheer Kippelaan, zou ik neef den
professor eens laten komen."
"Maar.... maar m'n beste vriend, hoe zou die....? Ja! wat zijn
capaciteiten betreft; maar hoe zou ik neef bij juffrouw Coba kunnen
zenden om haar borst te kunnen onderzoeken.--Doch niewaar, als er
iets van aan was, dan zoudt u en mijn vriend Helmond het weten. Zie
't was een idee. Ieder mensch heeft zoo zijn aanleg voor eenige kwaal."
"Welzeker," bevestigt Thomas: "zooals men bijvoorbeeld veeldenkende
en alles onderzoekende menschen wel eens naar 't krankzinnigenhuis
ziet marcheeren."
"Och-kom!" zegt Kippelaan, terwijl hij onwillekeurig naar zijn hoofd
tast. En dan op eenigszins kalmer toon, herhaalt hij zijn innigsten
dank voor de allerbelangrijkste inlichtingen. Mijnheer Van Hake
zou toch moeten toestemmen dat men op _zijn_ leeftijd--om en bij de
dertig--eenigszins met verstand moest te werk gaan. Dood in vertrouwen
gezegd was er toch bovendien 't een en ander, dat.... enfin--Van Hake
zou er wel alles van weten.
Terwijl Van Hake, peinzend op een afdoend middel om dat individu kwijt
te raken, half gedachteloos ontkent, verwringt Kippelaan zijn gelaat
tot zulk een uitermate geheimzinnig en vertrouwelijk knipoogje, dat
Thom toch met een weinig meer belangstelling zijn ontkenning herhaalt.
"Niet!" zegt Kippelaan: "weet je niets van die verstandhouding tusschen
den generaal en.... jawel onzen vriend, je uitmuntenden patroon?"
"Verstandhouding?" zegt Thomas opziende.
"Ja ja! alles behalve wenschelijk. Uit een goede bron. Watblief? Weet
je van niets? Ik zou 't aan niemand vertellen, maar aan u, die
me drievoud verplichtte...." En Kippelaan vertelde nu in 't diepst
geheim--Van Hake was reeds de zesde vertrouweling--'tgeen hij volgens
zijn verklaring uit een goede bron vernam, maar inderdaad op dien
avond, onder den eik en onder het raam van Van Barnevelds kamer heeft
afgeluisterd. 't Was buiten twijfel, verzekerde Kippelaan--die slechts
de luidst gesproken woorden heeft kunnen opvangen--dat de generaal in
't geheel niet zóó met den neef was ingenomen als men dat meende. Nog
op den avond vóór zijn huwelijk, had hij hem in hevige woede, terwijl
hij somtijds als razend de tafel door vuistslagen deed dreunen, zijn
gebrek aan eerbied en onderdanigheid verweten, terwijl hij hem met
geheele onterving had bedreigd indien hij daarin geen verandering
bracht.
Van Hake was nog te zeer onder den indruk van die eerste zotte
informaties naar Jacoba's gezondheid, dan dat hem deze laatste
mededeeling ernstig kon treffen. Al wist hij niet dat dit geheele
verhaal op een misverstand steunde, dewijl die toorn van den generaal
immers geenszins den geliefden neef maar wel diens broeder Philip
had gegolden, zoo hield hij de gansche geschiedenis toch aanstonds
voor een "Kippelaans-praatje" en, ofschoon hij ook nu nog met zijn
vroegere belhamels-natuur te strijden had, en dien babbelaar zeer
gaarne een paar blauwe oogen zou hebben geslagen, zoo riepen hem nu
al de etiquetten der groote medicijnflesschen toe: dat hij hier zijn
verstand moest bewaren, en 't allerminst in de apotheek van zijn
goeden patroon een dwaasheid mocht begaan.
Hoe 't zij, toen Kippelaan ongeveer een kwartier later, maar zonder
zijn wit drop, uit Helmonds apotheek in de donkere straat kwam, toen
mocht hij wel van geluk spreken, zonder kleerscheuren van achter
die toonbank te zijn weggekomen. In 't eind toch was hij Van Hakes
verschansing binnengedrongen, en, terwijl hij de hand had vermeesterd,
waarin Thom den stamper hield, en er vol innigheid mee op en neder
karnde, verzocht hij "rondement" aan zijn besten vriend, om--met het
oog op iets zeer "kortafs" van den generaal, hem een enormen dienst
te willen bewijzen. Van Hake zou wel begrijpen wat hij bedoelde,
en--nietwaar, de beste vriend was juist de persoon om zoo eens te
polsen, want, sedert den morgen dat mijnheer Van Hake juffrouw Jacoba
van baas Krul naar _De Zonsberg_ bracht, is hij immers een paar malen
zeer welwillend door den generaal ontvangen.
Ja, indien Kippelaan had geweten wat daar omging in Van Hakes borst,
dan mocht hij wel van geluk spreken--althans betrekkelijk--zoo
heelhuids uit die apotheek te zijn weggekomen, want, zelfs de zware
vijzelstamper, die hem eensklaps--voorzeker onwillekeurig door
den provisor losgelaten--op den voet is gevallen, die stamper had
hem slechts weinig geraakt, tenminste 't had niets te beteekenen;
o niets! nee--heusch.... tenminste.... Bonsoir!