TWAALFDE HOOFDSTUK.

't Is de derde dag na dien, waarop de beschreven plechtigheid had

plaats gehad, en de achtste na de overhaaste terugkomst der jonge

echtgenooten.

In de kleine achterkamer van het doktershuis aan de straatzijde,

onmiddellijk grenzend aan de apotheek, zit Eva in een keurig

morgentoilet, bij de overblijfsels van het ontbijt, dat ze reeds meer

dan een uur geleden met haar August gebruikte.

Zooals ze daar zit, gracieus en toch ongekunsteld achteroverliggend

in haar stoel, de donkere lokken van onder het guitige morgenmutsje

dartel wégvluchtend naar de ronde schouders; met een nieuwsblad

van ongewonen vorm in de blanke handen, vertoont er zich op Eva's

schoon gelaat zulk een glans van innige verrukking, dat August,

indien hij haar zóó had mogen bespieden, geen oogenblik getoefd,

maar haar aanstonds met kussen van blijdschap zou hebben overladen.

Wát--wát ter wereld wilde hij ook liever dan zijn aangebeden vrouwtje,

zijn eenige Eva, gelukkig zien; gelukkig, zooals hij het is met haar.

Maar August ziet haar nu niet met dien trek van welbehagen op het

gelaat. Straks toen hij heenging, stonden die mooie oogen strak,

zeer strak. Ja, zij heeft hem wel een zoen gegeven, maar 't is geen

zoen geweest die.... haar geliefden man iets zeggen moest; niets--of

het moest iets geweest zijn dat maar beter gezwegen was.

Eva heeft teleurstellingen gehad; 't is waar. Inplaats van een

groote veertien dagen in Parijs te zijn, is zij er slechts een paar

dagen geweest. Instede van zoo ontzaglijk veel te zien waarop ze

zich verheugde, is ze, uit deernis met haar vroegeren leermeester,

teruggekeerd, maar, zonder de voldoening te smaken dat haar opoffering

van eenig nut is geweest. Immers, toen August den kranken Donerie

zoo spoedig mogelijk na zijn thuiskomst heeft bezocht, toen moest

hij hem helaas, reeds stervende vinden.

Ja, Helmond gevoelde wel dat Eva in deze dagen niet zijn kon zooals hij

het zich, met een vroolijk oog in de toekomst, had voorgesteld.--Moe

van het reizen, zoo heeft hij gedacht, verzadigd van het zien en

bewonderen, zal zij, bij 't allereerst bezitten van een _eigen_

huis--al mag die woning haar dan ook niet in alle opzichten voldoen--er

toch spoedig een zekerder genot vinden dan die wereldstad haar schenken

kon. O, in zijn verbeelding zag hij Eva al schikken en verplaatsen

en beredderen, en de teugels opnemen van het huishoudelijk bestier,

met al den ijver, waarmee een jonge vrouw gewoonlijk de teugels van

haar bewind aanvaardt.

--Maar nu, onvoldaan en geenszins van het zien verzadigd, is Eva

teruggekeerd. In haar nieuwe woning, waar men op die onverwachte komst

niet was voorbereid, ontbraken bijna al de kleine geriefelijkheden,

waaraan zeker op den eerstbepaalden dag van terugkomst, door de

goede zorg van mevrouw Van Hake, niets zou ontbroken hebben. Om

slechts iets te noemen: niet vroeger dan morgen konden de ledikant-

en meubelgordijnen bezorgd en opgehangen worden, zoodat men zich

nu reeds acht dagen zonder die gordijnen heeft moeten behelpen. De

dood van Donerie, die toch een goed vriend van Eva is geweest, en van

wien ze altijd met zooveel achting als haar leermeester sprak--heeft

ook niet meegewerkt om haar over de teleurstelling heen te zetten

en vroolijk te stemmen. Zeer veel verdriet heeft ze bovendien van

de "hulde" gehad, welke men hem aan zijn graf heeft gebracht. Ja,

't moest haar wel zenuwachtig maken, zooals men haar gedwongen heeft

mee te zingen. Helmond is krachtig tusschenbeiden gekomen. 't Was

niet kiesch dat men een jonggehuwde vrouw kwam geweld doen om zich

aan een graf te doen hooren. En dan--zij had gelijk--men moest

ook begrijpen dat Eva Helmond, niet meer Eva Armelo was. In één

woord, die geschiedenis heeft het goede kind zeker nog veel meer

aangedaan dan ze blijken liet, terwijl ze zich toch de moeite heeft

getroost om op dringend verzoek van 't gezelschap "Koning David",

een compositie van Donerie, welke op den laatsten oudejaarsavond in

de kerk is gezongen en nu met kleine wijzigingen, bij andere woorden

in denzelfden rythmus, zou gebruikt worden, te helpen in orde brengen,

zoodat de kleine Cantate door die hulp dan ook zeer goed voldaan heeft.

Eva had zich daaraan niet willen en kunnen onttrekken, maar, dit alles

moet haar stemming verklaren, een stemming die door het zonderlinge

verzoek van oom Van Barneveld, om vooreerst haar visite op _De

Zonsberg_ nog wat uit te stellen, er zeker niet op verbeterd was.

--'t Is natuurlijk, denkt Helmond onder 't wandelen voort: het

kind heeft reden om niet zoo vroolijk en opgeruimd te wezen als

ik het wenschen zou; ik zie het nu duidelijk in.--De een zet zich

gemakkelijker over 't leed en de teleurstellingen der wereld heen

dan de ander.--Immers, ook hij zelf heeft zijn teleurstellingen

gehad. Reeds in het eerste uur na hun aankomst, kreeg hij aan Donerie's

sterfbed de zekerheid dat zijn kunst op den armen lijder niets meer

vermocht; en--nog in datzelfde uur bevond hij zich in de woning van

zijn oom, waar hem een nieuwe teleurstelling wachtte.

Zonder den schijnbaar kalmen pleegvader te doen bemerken dat diens

onrust over Jacoba de oorzaak van hun overhaaste terugkomst is

geweest; voorgevend dat Donerie's hoogstgevaarlijke toestand hem

er toe besluiten deed, heeft August getracht den geliefden oom al

aanstonds zooveel mogelijk gerust te stellen, door, bij het terugzien

en ondervragen van Jacoba, een zoo luchtigen toon aan te slaan als

de omstandigheden het gedoogden.

En gelukkig, met de meeste gerustheid heeft Helmond zijn vroeger

gegeven woord kunnen herhalen: dat Jacoba's toestand, volgens zijn

vaste overtuiging, voor 't oogenblik geen de minste reden tot

bezorgdheid gaf. Haar zenuwgestel was wel uiterst zwak, zoodat

schrikken als in de woning van Krul haar allernadeeligst waren,

maar indien men zijn voorschriften nu eens getrouw wilde volgen,

dan twijfelde hij niet of zijn lieve zusje zou nog dezen zomer weer

veel flinker en krachtiger zijn.

En Van Barneveld heeft na die verklaring, zoodra hij zich met den neef

alleen bevond, met zekere ongewone koelheid gezegd, dat de verhaaste

terugkomst ter wille van den reeds stervenden muziekmeester,

hem mede genoegen deed, omdat _zuster Hermine_ zich over Coba

wat bezorgd had gemaakt, en met de herhaling van zulke vapeurtjes

inderdaad wel eens weten wilde of men er notitie van diende te nemen

ja of neen. Doch.... Helmond moest die ongesteldheid heel en passant

behandelen. Ware die laatste schrik er niet bijgekomen, dan zou Coba

nu zeker reeds geheel beter zijn, want tante Hermine kon getuigen,

hoe ze op den morgen, toen ze zoo ongelukkig bij den timmerman verzeild

geraakte, bijzonder wel en zelfs zeer opgewekt was geweest.--Welzeker,

Helmonds voorschriften, en vooral van de koudwaterbaden, zouden zoo

nauwkeurig mogelijk worden opgevolgd, maar hij zelf moest nu vooreerst

wat op den achtergrond blijven. Hoe minder Coba aan haar ongesteldheid

werd herinnerd, en ook aan de personen die ze in den laatsten tijd had

ontmoet, zooveel te beter scheen ze zich te gevoelen. Bezoeken waren

haar alles behalve dienstig, en dáárom ook zou Eva--ofschoon men haar

natuurlijk gaarne ontving--beter doen om haar bezoek op _De Zonsberg_

nog een acht dagen uit te stellen.

Zoo heeft oom bij het eerste bezoek gesproken. En August.... wat heeft

hij kunnen antwoorden! Ofschoon hij in Coba's toestand inderdaad

geen reden tot oogenblikkelijke bezorgdheid vond, zoo geloofde hij

toch dat men den vijand met kracht moest bestrijden. Hij heeft zich

voorgesteld dagelijks zijn geliefde pleegzuster te zullen bezoeken en

met de meeste opmerkzaamheid gade te slaan, teneinde den oorsprong van

haar kwaal te ontdekken, en alzoo te spoediger tot haar herstelling

te geraken. Dat een geheim verdriet haar kwelde had August reeds

vermoed, en krachtig werd hij in die meening versterkt nu hij Coba

heeft weergezien. En wat moest hij dan antwoorden? Zou hij ooms

onrust niet onnoodig prikkelen indien hij na zijn verklaring--die ter

geruststelling, helaas, wat al te rooskleurig geweest is--tóch op een

geregelde behandeling bleef aandringen? Hij kent den oom, en wil tot

geen prijs--ook in Coba's belang--zijn vertrouwen verliezen. Maar zie,

dewijl hij den vader niet noodeloos heeft willen bezorgd maken, wordt

nu zijn persoonlijke hulp, zijn geregeld praktizeeren over het goede

pleegzusje, als geheel onnoodig versmaad. Was hij dan niet alleen uit

belangstellende liefde voor Coba zoo haastig teruggekeerd! En instede

van blijdschap daarover, heeft hij een zonderlinge koelheid bespeurd,

terwijl ooms bepaald verzoek: dat Eva vooreerst niet op _De Zonsberg_

zou komen, de maat heeft volgemeten. Ja, met reden mocht ook August

over teleurstelling klagen. Die overhaaste terugreis, wat heeft zij

goeds gesticht....? Niets! Een enkel recept, een enkelen raad heeft

hij aan Coba mogen geven, dat was alles! En Donerie is gestorven;

en Eva was ontevreden, en.... Maar komaan, heeft Helmond in 't einde

gezegd, men moet zijn verstand gebruiken: ooms aangeboren weerzin tegen

den "medicijnwinkel" en een "praktizeerend dokter over den vloer",

hebben hem zóó doen besluiten. Den dokter moet hij weren zoolang het

hem mogelijk is. Doch, ofschoon voor het oogenblik gerustgesteld,

oom zal het koudwatermiddel--'t welk blijkbaar zijn goedkeuring heeft

weggedragen--zeker geregeld doen aanwenden; August kan nu de werking

daarvan afwachten, en, mocht Coba's toestand onverhoopt den armen

oom in nieuwe spanning brengen en hem toch weder tot den dokter zijn

toevlucht doen nemen, dan--dán zal die dokter wat geslotener en ook

wat voorzichtiger zijn. En nu, Helmond zal zich over die wereldsche

teleurstellingen heenzetten. 't Is jammer dat Eva daar niet even

gemakkelijk toe besluiten zal. Maar geduld, met den tijd zal dat beter

worden. Eva is nog zoo jong; pas even twintig jaren!--Zeker, het zou

de grootste dwaasheid zijn geweest, indien hij had toegestemd om nu,

nú aanstonds reeds, die reis te hervatten: maar Eva zal het zelve

spoedig inzien, en als ze dan van dat denkbeeld is teruggekomen,

dan zal ze weer lief en vroolijk zijn. Ja! en als dan de mooie ovale

spiegel komt waar ze zoo'n zin in had, dan zal ze wel blij verrast

en tevreden lachen. Alle leed is dan vergeten, en we maken weer

plannen voor de toekomst, en reizen al vast eens achter den haard, om

later, later misschien.... Och, 't is zoo'n goed en lief en prachtig

vrouwtje. Indien zij dat andere, die zekere zucht naar grootheid maar

wat onderdrukken kon, dan....................

--Ho ho, dokter Helmond, dat is immers "het kenmerk van den adeldom

der ziel".--Nu ja, zoo is het, en hij zal ook met zijn lachende Eva

gelukkig wezen. Zeker, van morgen--van overmorgen afaan, geheel en al,

en juist "door wijsheid te mengen in zijn vurige liefde".

Zoo dacht August bij tusschenpoozen terwijl hij zijn patiënten bezocht,

en telkens bij die bezoeken, waar het pas gaf, roemde in zijn geluk, en

roemde over de lieve vrouw, die "ook zoo gelukkig en zoo hoogsttevreden

in haar nieuwe woning was".

En inderdaad, indien August zijn vrouw in de straks beschreven

houding had kunnen gadeslaan, dan zou hij immers geheel overtuigd

zijn geworden--of althans een oogenblik geloofd hebben, dat hij

waarheid sprak.

't Werd reeds gezegd dat het nieuwsblad, waarin Eva leest,

een bijzonderen vorm heeft, 't Is _Le Grand Hotel, Gazette des

Etrangers_. Heden, juist negen dagen geleden, heeft August dat blad

op den Boulevard des Italiens gekocht. Men had wel reeds vernomen dat

er dien avond in de groote opera Gounods Faust zou gegeven worden,

doch de Gazette heeft het bevestigd, en Helmond had er aanstonds

werk van gemaakt om zijn "lieve nachtegaal" het genot van dien avond

te verzekeren.

Welk een heerlijke avond is dat geweest! Met haar eigen zangkennis en

talent, was er zeker niemand in de zaal, die meer dan Eva genoot; en

ofschoon zij zeker het allermeest door de voortreffelijke uitvoering

van Gounods meesterstuk was opgetogen, zoo hebben de gouden schalen,

waarop men haar de vrucht had aangeboden, en het altijd wederkeerende

bewustzijn zich in den Parijschen lusthof te bevinden, er toch krachtig

toe meegewerkt, om haar dien avond te doen zijn als een, doorgebracht

in een tooverwereld, in een hemel, in iets.... onuitsprekelijks!

--August was gul--ja men kon er niet over klagen--maar, in kleinigheden

was hij soms.... enfin, misschien had hij gelijk! Hoe 't zij, toen

men: "Le Programme, Le Programme détaillé!" en "l'Entr'acte!'" riep,

en zij, in de Stalles d'orchestre gezeten, hem verzocht heeft een dier

bladen te koopen, toen haalde hij de 's morgens gekochte Gazette te

voorschijn, en beweerde dat dit blad evengoed was, en zeker nog meer

nieuws dan de tooneelbladen bevatte.

En Eva heeft dan op _dien avond_ _in datzelfde_ blad gelezen, of er

althans, zoo nu en dan, gedurende de pauzen eens in gesnuffeld. Zie

maar, op de plaats waar met stellige zekerheid het gerucht werd

bevestigd, dat "Mlle. Patti ferait sa rentrée mardi prochain dans La

Somnambule," daar is nog de kleine scheur te zien, die ze in het papier

maakte toen ze August dat goede nieuws wilde wijzen en met haar pink

wat sterk erop drukte. Die kleine scheur heeft ze toen gemaakt, toen op

den avond, die haar nóg als een zalige droom voor den geest staat. En

onwillekeurig bevond Eva zich nogmaals, terwijl ze weder dezelfde

reclames en bulletins en programmas doorliep, in den toovercirkel

van grootheid en glans, welke haar zoo geweldig had aangetrokken. Het

Grand Hotel, 't welk ze op het blad zag afgebeeld, werd haar als iets

dat naar een hemel zweefde: een ruimte met onafzienbare zalen, waar

alles van wit was met goud!" Ja, bij 't gedurig al lezend ontmoeten

der namen van boulevards en straten, die ze aan Helmonds zij, in

een rijtuig was langs- en doorgevlogen, of ook die ze betreden had

met het oog op een wereld vol rijkdom en pracht, telkens klonken die

namen haar nu als de welluidendste tonen in de ooren.

En daarom, 't was niet vreemd dat er op Eva's schoon gelaat een glans

van innige verrukking stond te lezen, terwijl ze zich met dat blad

in handen nogmaals baden mocht in de schitterendste herinneringen.

Doch die glans van genot bij 't lezen van de oude Gazette, zal

sneller vergaan dan hij gekomen is. Door het geraas van een hondenkar

gewekt, ziet Eva op, en terwijl de Gazette des Etrangers nu eensklaps

ritselend neerglijdt langs haar schoot, is het een schampere lach

die haar schoonen mond komt ontsieren.

--Hondenkar! zegt ze bijna overluid: 't Is allerliefst, welzeker;

_hier_ schrikt men op van een hondenkar! Zouden er ooit dommer

creaturen zijn geweest dan zij, die op den inval kwamen om steden

als Romphuizen te bouwen, met huizen en kamers als deze! Zie, uit dit

doodsch vertrek,--hemel ja, precies een doodkist: langwerpig, smal,

donker, vochtig, bah! uit deze kamer, met een eeuwigdurende ziekenlucht

van die nare apotheek, hier heb je 't uitzicht op een touwwinkeltje

en een blinden muur aan den overkant, met de passage van zes kippen

en wat zieke lui die om een drank komen.--Nee, in deze dompige la is

't op den duur niet uit te houden. Vóór--hoe ellendig men er ook in een

kuil zit--vóór zie je tenminste nog een bloem en een enkel fatsoenlijk

mensch in de hoogte voorbijgaan; maar hier is 't om te verkniezen!

--Pruttelen! zegt August: pruttelen! Nu ja, maar als ik bedenk dat ik

hier reeds acht dagen gevangen zit,--ja zeker _gevangen_, want al ware

dit huis zoo somber en akelig niet, dan zou het nu toch een gevangenis

voor me wezen, terwijl ik op ditzelfde oogenblik nog in Parijs moest

zijn, zooals mij _vast_ was beloofd.... 't Is waar, dat droeve bericht

van Herman kwam er tusschen. Zeker, als ik den armen jongen met mijn

thuiskomst en hier-zijn 't leven had kunnen redden, ja, dán.... Ik

heb het getoond.--'t Heeft me erg getroffen; telkens ben ik er nog

zenuwachtig van, want gedurig staat hij zoo voor me, zoo.... Maar

nee, nee! ik had hem nooit iets te kennen gegeven, nooit!--Als August

vermoeden kon hoe me die gedachte soms een oogenblik kan beklemmen,

dan.... Maar juist daarom ook zou het ter afleiding veel beter zijn,

om nu--nu alles toch is afgeloopen--nog eens van huis te gaan. Ja,

al was 't maar naar Brussel, 't Is hier zoo aller-aller-akeligst en

doodsch, he in vergelijking van daar, in dat brillante Parijs.--Als

ik er nu was in dat Grand Hotel--en ik moest er wezen--nú zou ik

bijvoorbeeld, liggend in zoo'n heerlijke cauzeuse, den garçon dien

naren ontbijt-trommel dáár laten wegnemen.--Zelfs thuis stak ik geen

hand naar die dingen uit. Ma of Louise deden het gaarne.--Hoe! is

't al elf uur! En om twaalf komt August voor de koffie terug.

Haastig opstaande schelt Eva.--Eenige oogenblikken later treedt een

boersch dienstmeisje van vijftien a zestien jaren de kamer in.

"Gerritje, je moest dat ontbijt eens aan kant maken."

"Van kant moaken juffer?

"Afwasschen bedoel ik."

"De kummekes wisschen juffer?"

"Ja, alles; en dan voor de koffie weer klaarzetten."

"Da' kan'k niet juffer."

"Kun je dát niet? Goeje hemel!--Roep mevrouw Van Hake."

"Mevrouw Van Oake roepen? Best juffer."

"Hier! Hoor eens Gerritje."

"Juffer?"

"Weet je wel tegen wie je spreekt?"

"Joawel, tegen _oe_ juffer."'

"Dan zou ik in 't vervolg behoorlijk _mevrouw_ zeggen hoorje; de

mevrouw hier in huis is de vrouw van dokter Helmond.--Versta je me?"

"Joawel, doof bin ik niet juffer, iens geheel niet.--Alsdat ik mevrouw

Van Oake zou roepen, niewoar juffer?"

"En, en.... en.... dat je tegen mij niet meer juffer zult zeggen,

maar _mevrouw_!"

"Bestig ma-juf-vrouw."

"Goeje morgen lieve Eva, heb je me geroepen? Is er 't een of ander

waarmee ik je helpen kan?" vraagt mevrouw Van Hake, die vriendelijk

groetend binnentreedt.

"Morgen mevrouw. Och ja, wilt u alsjeblieft hier eens omwasschen? 't

Is laat geworden; ik wou me kleeden voor de koffie. Helmond komt om

twaalf uur weer thuis."

"Omwasschen?" herhaalt mevrouw Van Hake, en moet zich geweld doen om

een zekere ontroering te verbergen.

"Ja," zegt Eva: "dat kleine boerenperceel kan noch het een noch het

ander. Dát is toch geen meid voor mij zou ik denken."

"Misschien niet heelemaal Eva; maar met geduld...."

"Ja maar, neem me niet kwalijk, om nu idioten op te voeden dat laat

ik aan de liefhebbers over. Misschien is het extra dom van me, maar

tusschen een boer of boerin en idioten zie ik geen onderscheid."

"Wou je graag dat ik dit van morgen eens voor je omwaschte, Eva?"

"Och ja; wil je?"

"... Eva... ik ben... ik had gehoopt..."

"Och mijn beste mevrouw, ik weet niet wat je bedoelt, maar als er

iemand is die op dingen heeft gehoopt die niet gebeurd zijn, dan,

geloof me, ben _ik_ het.--Hebt u een reis gemaakt na uw trouwen?"

"Ja Eva, _Van Hake_ was _óók dokter_."

"Dat weet ik. Hoe lang bent u uit geweest?"

"We waren veertien dagen uit en thuis. Och ja, eerst gingen we...."

"Veertien dagen! Zieje!--Zoudt u, als je man gezegd had "we moeten

om zaken met den vierden dag naar huis," niet de scha hebben willen

inhalen zoodra die zaak was afgedaan?"

"Ik weet waar je op doelt Eva. Maar luister eens: als je brave

verstandige Helmond het nu minder goedkeurt om in de gegeven

omstandigheden aanstonds weer op reis te gaan, zou het dan van zijn

vrouwtje niet verstandiger wezen om...."

"Mevrouw Van Hake," zegt Eva zich verheffend: "van uw lessen, hoe

goed ook gemeend, zou ik nu liefst verschoond blijven. Ik ben de jonge

juffrouw _Eva_ van vroeger niet meer. Sedert was ik lang in Den Haag,

en nú ben ik _Mevrouw Helmond_. Men dient hier in huis toch te weten

wie het hoofd is,--zoo dunkt me!"

Na deze woorden verlaat Eva haastig de kamer. De weduwe, die reeds

het haar opgedragen werk had aanvaard, weerhoudt de tranen niet die

haar opwellen in de oogen, terwijl ze hoofdschuddend, de jonge vrouw

ziet verdwijnen. Ofschoon zelve een paar malen gevoelig door Eva's

woorden gekrenkt, vervult haar nu toch een andere smart. O, wat ze

in stilte wel eens heeft vermoed, dat werd voor haar in de weinige

dagen dat Helmonds echtgenoote onder het altijd zoo vreedzame dak

verkeerde, reeds zekerheid: de goede dokter zou met die vrouw niet

gelukkig wezen; en de dagen, die de bedroefde weduwe nog in de woning

van den weldoener zal doorbrengen, zijn zeker geteld.

Terwijl de doktersweduwe het werk verricht dat dienstbodenwerk

moet heeten wanneer het zóó wordt opgedragen; terwijl ze afwascht,

en weder gereedzet, en de tranen gedurig langs de wangen rollen,

is Eva in haar onrustige stemming naar haar slaapkamer gegaan. Daar

gekomen blijft ze eensklaps staan. Met één oogopslag ziet zij welk een

verandering er heeft plaats gehad, sedert ze een paar uur geleden die

kamers verliet. Een keurig frisch-groen behangsel met nette kwasten

is er om den hemel van haar echtkoets gehangen.

In weinige seconden was Eva beneden, en bevond ze zich in de voorkamer

der suite, die het uitzicht op den wal heeft. Zie, 't was er donkerder

geworden, maar waarlijk ja, daar hingen ze ook, de nette overgordijnen,

met zorg geplooid en ongebonden.--Dat stond goed, ja dat stond heel

goed; dat gaf waarlijk iets salonachtigs; iets niet-communs.--Wat is er

ook burgerlijkers te bedenken dan ramen zonder meubelgordijnen.--Jawel,

ze zijn zóó heel _heel_ ordentelijk, besluit Eva, terwijl ze de nieuwe

gordijnen nog eens op een afstand en dan van nabij beschouwt.--'t

Is aardig; dat moet mevrouw Van Hake van morgen gedaan hebben na 't

ontbijt.--'t Is eigenlijk toch een goed mensch. Een beetje saai. Maar,

och lieve hemel, wie zou er ook in Romphuizen _niet_ saai worden. Ja

waarlijk, ze heeft erg veel liefs.... Zie, daar staat dat mooie

zilveren beeldje onder 't stolpje ook nog. 't Was eigenlijk een mal

cadeau; je kondt er een voltaire of zoo iets voor gehad hebben, maar,

't bewijst toch dat ze een goed hart heeft. Ik geloof dat ze me die

kleine terechtwijzing een klein beetje kwalijk nam; misschien omdat ze

juist was bezig geweest met me een verrassing te bezorgen. Nu ja, maar

men moet toch begrijpen wie hier in huis nummer één is. Zedenpreeken

aan te hooren van menschen, die men letterlijk en zonder eenige

verwantschap 't genadebrood geeft; nee nee, daar bedanken we voor;

en.... Maar ze staan heel netjes die gordijnen. Och hemel, ik liet

de goeje sloof nog omwasschen ook; misschien was ze daar ook wel wat

knak over. 't Zou me toch spijten indien ik haar leed had gedaan....

Een geruimen tijd stond Eva nog in de voorkamer, straks met de

hand nog op haar boezem. Er was strijd daarbinnen: Nee ja, nee

ja.... nee.... ja! En--nu is ze voort; bij de deur der ontbijtkamer

aarzelt ze nog, maar, tóch gaat ze erbinnen.

Een laatste overwinning heeft er plaats; en dan, dan vat ze eensklaps

de oude dame, die Eva met blijde verbazing beschouwt, vertrouwelijk

bij de hand, en zegt:

"Als ik een hard woord heb gesproken, lieve mevrouw, och wil het

mij dan vergeven; u waart zoo goed en hebt alweer zooveel moeite

gedaan. Och, ik was ondankbaar...."

"Spreek zoo niet.... mevrouw Helmond. Ik gevoel...."

"Zeg dan Eva, _Eva_! Immers straks nog was ik onverstandig als een

kind? Vergeef mij dan als ik u leed heb gedaan! Uw tranen maken

mij beschaamd."

Juist op het oogenblik dat Eva de oude dame een zoen op de wang drukt,

treedt Helmond de kamer in:

"Ei ei, zóó mag ik het zien," zegt hij met blijde verrassing:

"dat is nu een zoen, die mij niet jaloersch zal maken.--Maar hoe,

ik zie tranen? Is er iets dat u bedroefd heeft mevrouw...?"

"Men kan immers ook schreien beste dokter," antwoordt de weduwe met

innige ontroering, "als het hart weldadig wordt aangedaan."

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 32 / 85 题