't Sloeg op den Romphuizer toren juist halféén toen Jacoba Van
Barneveld den brief aan 't adres van "Monsieur le docteur A Helmond,
Hotel du Helder, rue du Helder, Paris," zorgvuldig in de brievenbus
liet glijden. Om van het postkantoor naar de woning van Elsje de
naaister te komen, moest zij de eerste straat rechts nemen. Maar
Jacoba kiest haar weg ter linkerzij. De groote kerk langs gaande,
vermindert zij een oogenblik haar tred, terwijl ze het oog slaat op
een der hooge kruisramen, en straks op het kleine poortje dat--zooals
dikwijls voor bijzondere catechisaties in de consistoriekamer--ook nu
openstaat. Toch vervolgt ze haar weg. Aan 't eind der Korte Kerkstraat
gekomen, loopt ze den timmerwinkel van baas Krul voorbij. Zes huizen
verder staat ze stil. Wie haar gadesloeg zou op haar gelaat een
uitdrukking bespeurd hebben alsof zij zich iets herinnerde 't geen
ze bijna vergeten had.--Een oogenblik later staat ze in de werkplaats
van Baas Krul, en verzoekt hem op _De Zonsberg_ te komen teneinde er
iets aan een van haar meubels te veranderen:
"Dat kun je immers wel, baas?"
"Kunnen, ja juffrouw, wat dat betreft, zoo goed als de beste; maar
omdat ik nooit voor menheer den ginderaal heb gewerkt, zoo ben ik
een beetje schrompiljeus om Kraals het brood uit den mond te stooten."
"O werk jij nooit voor pa; ik dacht het. Nee, dan.... dan.... Ik
wist dat niet. Maar in alle geval kun je voor mij wel iets maken,
bijvoorbeeld, een kistje niewaar? Zieje, voor mij. Jawel, zoo'n
vierkant kistje."
"Meent uwe zoo'n soort van naaidoosje zal ik maar zeggen?"
"Precies, zooals je d'r wel meer hebt gemaakt."
"Wel meer? wel meer? O ja, uwe meent misschien iets zooals voor Mietje
Ten Hoed?"
"Ja baas, zoo iets bedoel ik juist, maar dan heel netjes."
"Nou, dat mot de juffrouw maar aan me overlaten. Als de juffrouw
de astrantigheid wil hebben is eventjes mee achter te komen,
dan kan ze eigens is zien wat baas Krul met den fijnen beitel al
knutselen kan. Kom maar mee asjeblief.--Ga binnen juffrouw.--Dat
is de freule van _De Zonsberg_, moeder; die wou ik eens eventjes
m'n kleine poppe-lindekastje laten zien.--Wacht, zet jij die wieg
is opzij.... Nou watbliefje? Al dat kleine snijwerk dat gaat uit
de hand, niewaar moeder? Ja juffrouw, wat de stakker die boven leit
me d'r over vercomplimenteerd hêt dat zal ik niet navertellen; maar
die was d'r gek na, en weet je wat ik en de vrouw al gezeid hebben:
als ie weer beter wordt dan...."
"Wien meen je?" vraagt Jacoba.
"Wien ik meen? Weet de juffrouw dan niet dat de muziekmeester Donerie
hier bij _mijn_ woont? Och hemel, welzeker! ik dacht dat je dat wist
omdat de knecht nog strakjes...."
"O ja, nu je 't zegt, ja, nu weet ik ook wel dat de muziekmeester
hier boven woont; bij een timmerman--jawel!"
"Al zeven jaren answiet m'n lieve mensch! Maar wat ik zeggen wou:
als ie door Gods goedheid weer beter mocht worden, dan ware ik en
de vrouw overeenkomstig geworden om menheer Donerie dat kastje voor
zooveel als een muziekkastje op z'n kamer te zetten. Och 't is zoo'n
gemoedsvol man."
"Ja zeker dat is ie," zucht de vrouw: "en nou leit ie daar als 'en
geraamte.--Zoek ie 't een of ander juffrouw....? Och ja, ik begrijp
wel, 't zal je zeker aandoen, want de juffrouw is immers ook van
menheers eeleeves, en de heele grootheid van Romphuizen laat naar
'm vragen."
"Dat doet de ginderaal net zoowel vrouw."
"Ik strij 'et niet tegen Krul, daarvan niet; maar ik zeg alleen dat ie
veul vriendschap uit de stad ondervindt; al die vruchten en zeleitjes;
maar och heere, wat zon ie gebruiken!"
"Is het zoo.... erg met menheer Donerie?"
"Lieve juffrouw, als je d'r mijn naar vraagt, dan zeg ik...." De vrouw
zegt niets, maar haalt de schouders op en zet een zeer bedenkelijk
gezicht.
"Maar wat scheelt hem eigenlijk?"
"Ja, dat is de affaire juffrouw. Dokter Biermans zei dit, maar menheer
Van Hake die gisteren hier was, heeft--zoo van achteren op--laten
blijken dat ie den drank liever niet nemen moest, omdat...."
"Hei hola vrouw! nou ga je buiten je boekje; menheer Van Hake zei
nadrukkelijk dat ie dat heel onder de roos zei, want anders ging ie
z'n kompetensie te buiten."
"Nou Krul, we benne immers onder de roos, want de juffrouw zal d'r
niet van spreken niewaar?"
"En gebruikt menheer Donerie nu in 't geheel geen medicijnen?" vraagt
Jacoba.
Man en vrouw Krul zien elkander veelbeteekenend aan:
"Wel nee juffrouw. Nee zekerlijk niet!" zegt vrouw Krul.
"Hoor is Antje, laten we nou voor God en ons geweten niet liegen. Als
de juffrouw d'r niet van gesproken had dan zouwen we gezwegen hebben,
maar in stilte--jawel vrouw, waarheid bovenal--ziet u, in stilte
heeft menheer Van Hake...."
Vrouw Krul, die op Jacoba's gelaat iets zag voorbijgaan 'twelk ze voor
een teeken van bijzondere goedkeuring hield, valt haar man in de rede.
"Jawel, toen heeft menheer Van Hake 's avonds 't een of ander uit de
aptheek gebrocht, en we hebben van nacht met bloedzuigers getobd, och
Heere! en ofschoon 't niet beter is, menheer Van Hake zei strakjes
nog,--altijd onder de roos--dat ie zonder dat alles den dag niet
gehaald had."
"'t Zou heel jammer zijn geweest;" zegt Jacoba terwijl ze zich omwendt
en naar de deur gaat: "Ik hoop er het beste van!"
Juffrouw Krul maakte bij zich zelve de opmerking dat het gevoel der
_grootheid_ toch gauw bekoelde. Hoe koud was dat antwoord.
Krul heeft iets dergelijks gevoeld; 'tgeen hem te meer trof omdat de
juffrouw niemendal van zijn poppe-lindekastje heeft gezegd, geen boe
of ba:
"Jammer! ja, als je d'r jammer van zeggen kunt, dan zeg ik dat het
krek jammer zou zijn; en dan het adee dat zoo'n mensch--onder ons
gezeid en gezwegen--verknoeid is."
Jacoba blijft bij de deur staan, en omziende zegt ze als viel haar
wat in:
"Als dokter Helmond hem behandeld had dan zou het zoo erg misschien
niet geworden zijn?"
"Net wat we samen gezeid hebben juffrouw," herneemt Krul: "en 't
ergste is dat hij nu juist op reis moest wezen, en zoo wijd van hier;
want om je de waarheid te zeggen, dat ie menheer Helmond uwes broer
of neef, niewaar, beter vertrouwde dan den ouwen Biermans, dat kon
je al lang merken; niewaar Antje?"
"Ja. Ojee! als ie ielde dan was het schering en inslag: Helmond,
Helmond, en allerlei; maar van Biermans hoorde je nooit."
"Als menheer Donerie er zoo op aandrong dan is het toch vreemd dat
jelui dokter Helmond niet hebt laten telegrafeeren."
Krul ziet zijn vrouw met beteekenis aan:
"Nou Antje, wat heb ik gezeid?"
"Jij, nee wat heb _ik_ gezeid! Ik! En daarom heb ik menheer Van Hake
ook eigenlijk gesproken; maar die wou d'r niet aan; die durfde voor
een patiënt van Biermans geen telegraaf sturen; dat kon en mocht hij
niet doen. Zieje juffrouw, dat het aan ons niet lee....!"
"Maar mij dunkt, jelui zult er toch de naasten toe wezen. Ik heb er mij
niet mee te bemoeien, maar de verantwoording zou me wat zwaar zijn."
"Ja waarachtig Antje, de juffrouw heeft gelijk. Ziet u, als we wisten,
niewaar, dat dokter zou komen; en waar ie ergens bezeild was, dan...."
"Ja Krul--maar zoo'n telegraaf.... en...."
"Eigenlijk heb ik geen tijd," zegt Coba, meer naderbij komend: "maar
als jelui d'r zoo op gesteld bent, dan wil ik wel even zoo'n telegram
opschrijven; om je plezier te doen natuurlijk, en omdat menheer boven
er zoo op aandringt."
"Aandringen; nu ja, aandringen is de rechte benaming wel niet,
maar...."
"Jawel Krul, dat roepen: Helmond, Helmond, dat noem ik aandringen."
"In één woord, als jelui er bij _mij_ op aandringt, geeft dan maar
een stukje papier...."
Krul en de vrouw zien rond alsof ze het gevraagde op den vloer zouden
vinden, maar eindelijk zegt Antje:
"Je zakboek Krul!"
"Ah ja Juist!--Wacht."--Hij scheurt er een blad uit en biedt het met
zijn timmermanspotlood Jacoba aan.
"Heb je geen inkt?"
Weer zien de echtgenooten hun kamertje rond.--Nee, in dat glazen
fleschje, waaruit een vuil stompje ganzepen steekt, is niets dan een
weinig verdroogd zwart te ontdekken.
"Zie dat is nou spijtig, maar inkt hebben we niet in huis;" zegt Krul.
Jacoba met het oog op een "Onze Vader" in sierlijk schrift aan den
muur, vraagt, blijkbaar afgetrokken maar toch met een bijzonderen
nadruk op het voorlaatste woord:
"Hé! geen inkt in het _heele_ huis!"
"Wel Krul, nou zou je niet eens aan _boven_ denken;" zegt de vrouw:
"Op de voorkamer van meneer is een heele toestel."
"Accoord, dat wou ik net zeggen!" herneemt de man: "loop jij maar
eventjes naar boven en haal het hier."
"Maar dan moet je den zieke storen;" zegt Coba met eenige trilling
in de stem, terwijl ze steeds het "Onze Vader" ziet.
"Nee, excuus juffrouw, menheer leit achter."
"Ah--zoo--heeft ie een vóór- en achterkamertje?"'
"Kamertje!!" vallen Krul en de vrouw schier gelijktijdig uit, en
de laatste vervolgt: "Nou 't benne in 't geheel geen kamertjes,
maar zuivere _kamers_ hoor! en heelemaal op z'n grootelui's
gemeubieljeerd. Nee, als de juffrouw ze zien wil, kom dan maar is
mee--asjeblief?"
Jacoba met den rug naar de echtgenooten Krul, wijdt haar bijzondere
aandacht aan een paar zwarte knipsels naar reeds overleden Romphuizer
dominee's.
"En als de juffrouw van schilderijen houdt, zooals ik zie dat ze doet,"
zegt Krul: "dan kan ze daar nog m'n eigen vrouws vader en moeder in
miliatuur zien hangen, dat was ook grootheid, niewaar moeder?"
Vrouw Krul blijft niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen. De
herinnering aan die--altijd eenigszins betrekkelijke grootheid,
verlevendigt haar wensch dat de juffrouw van _De Zonsberg_ eens zien
zal, hoe haar eigen huis er boven uitziet, en niet langer zal denken
dat het zoo min is.
In 't einde zal ze echter dien wensch moeten opgeven. Juffrouw Van
Barneveld schijnt niets nieuwsgierig te zijn.
"Nou Antje," zegt Krul gemoedelijk: "we moeten de juffrouw niet
forceeren. Ik zal maar eventjes dat inktpotje halen; de trap is ook
nog al stik voor de juffrouw."
"Och nee, wat dat betreft," zegt Coba: "als je erop gesteld bent,
och dan wil ik waarlijk wel eventjes meegaan."
't Was goed dat vrouw Krul op de trap achteraan kwam--een oogenblik
werd Coba zoo raar, doch 't duurde één oogenblik slechts, en zonder
dat de timmermansvrouw er iets van behoefde te merken, kwam Coba boven.
"Hier juffrouw asjeblieft: hier heb je nou de voorkamer. Dáár, die
deur, dat is de slaapkamer. Ik spreek wat zachtjes omdat de stakker
daar leit, weet u, en als ie me hoort dan wil ie me graag hebben ook."
"Ligt ie dan alleen, heel alleen?" zegt Jacoba zeer snel.
"Dat is te zeggen, nee, m'n oudste dochtertje, zoo'n aankomeling,
die zit bij 'em, en past 'em op, als _ik_ of m'n man d'r niet bij
benne. Wacht, gaat uwe nou hier maar in. Hé, dat hadt je zoo niet
verwacht! Riant niewaar? Prebeer die stoelen maar eens, ekfetief
paardenhaar! Onderwijl zal ik toch is eventjes kijken of ie nog
slaapt. Och als 'et maar rust was!"
Na deze woorden verlaat vrouw Krul het zooeven binnengetreden vertrek;
ontdoet zich op het portaal van haar pantoffels, en gaat op de kousen
het slaapkamertje van Donerie in.
Jacoba is alleen.
--Zou het mogelijk zijn dat iemand het kloppen hoorde van mijn hart,
denkt ze, terwijl ze de eene hand erop houdt gedrukt en die vluchtig
aan het voorhoofd brengt: Wat heb ik gedaan! Hier te komen, hier!--Zie,
dat moet zijn piano wezen.--Dat vrouwenkopje er boven....?--Zou dat
misschien het portret zijn van eene.... die....?
Met een snellen blik heeft Jacoba zich overtuigd dat het bedoelde
portret een gravure is. Maar, 't is de zeer fraaie gravure van
een beeldschoon meisje.--Een huivering overvalt Van Barnevelds
dochter. Toevallig heeft ze haar eigen bleek en mager gezichtje in
den spiegel gezien.
--Stil, daar komt de vrouw terug:
"Goddank!" zegt ze: "ofschoon hij niet slaapt, hij ligt toch
rustig. Och lieve God, de stakker! Maartje zei dat ie straks nog
driemaal in 't ielen Helmond riep: en dan van den kapitein Armelo
en z'n familie ielt ie ook. Maar omdat ie den dokter noemt, blijf
ik er bij dat we dokter met de telegraaf moeten hier halen. Wacht,
hier is inkt in overvloed, als je nou schrijven wilt...?--Je bent
d'r toch óók ontdaan van juffrouw; ik zie 'et aan je bevende hand."
Jacoba verklaarde wel bewogen te zijn en wel medelijden met den
zieke te hebben, maar dat beven kwam toch van iets anders ... de trap
was tamelijk steil; en zie, terwijl ze schreef lag haar pols op den
scherpen rand der tafel.... Doch, nu beeft ze niet meer....
--Ja tóch, nu wel, Maar o God, wie zou er ook _niet_ gebeefd hebben
van dien droeven kreet.
Met een ontsteld gezicht vertoont zich Maartje op den drempel en
wenkt hare moeder.
Nogmaals blijft Jacoba alleen.--Zij luistert.... Bitter pijnlijke
kreten doen zich telkens hooren. Aan een onduldbaar lijden moet die
arme kranke ten prooi zijn. Terwijl de moeder met haar kind de deur
der ziekenkamer opent en er binnengaat, snijdt een schrikkelijke
wanhoopskreet de luisterende Jacoba door de ziel.--Nu klinken die
kreten weer doffer. Men had de deur gesloten. Nochtans de woorden,
die hij somwijlen met verheffing uitgalmt, zijn wel verstaanbaar
te midden van een klankenvloed zonder samenhang--treffend gelijk
plotselinge ratelslagen bij het doffer dondergerommel van verre.
Jacoba's hart bonst met pijnlijk geweld. Op den drempel der voorkamer,
starend in de richting der deur van Donerie's slaapvertrek, staat ze
met het hoofd voorovergebogen en zich vastklemmend aan den deurpost.
O God! zóó erg heeft ze niet gedacht dat het wezen zou. Daar moet
aanstonds, _aanstonds_ hulp komen: een professor uit Utrecht! O,
dat is een vreeselijke ijlkoorts. Hoor:
"Laat mij!!--Laat los!!" zoo klinkt het: "Ik wil haar grijpen! Zij
vliegt over de daken. Zie maar, verscheurd door een tijger...! Laat
los! ik ben een tijger!... Heisa! Laat los! ik moet haar vangen! In
de secretaire. Ho! ho! pakt hem! pakt hem! Helmond! O, o! Helmond!"
In hetzelfde oogenblik stormt het kind van den timmerman angstig
geworden ter ziekenkamer uit.
"Vader! vader! help!" roept het gillend aan de trap.
Jacoba weet niet meer waar ze zich bevindt; het donkere portaal is haar
als een graf; maar altijd hoort ze toch die kreten; ja, ondanks haar
verdooving nu zelfs sterker dan te voren. O, wat klaaglijk gesteun. Wat
vreeselijke smart in dien toon.--Ha, nu weet ze weer waar ze zich
bevindt. Ginder ligt de jonkman wiens dierbaar beeld haar geheele
ziel vervult. Daar ginder ijlt en lijdt hij; en ruwe handen verzwaren
zijn lijden misschien! En zij, wat moet, wat mag ze doen? Zal ze
haar zachte handen drukken op dat schoone, nu kranke voorhoofd? Hem
zoete woorden toefluisteren, om zoo mogelijk kalmte te brengen in
dat verhitte brein? Met koud water die blanke slapen bevochtigen;
immer koelend totdat een zachte slaap zijn oogleden sluit; en dan
waken aan zijn sponde, en den doodsengel verjagen door de innigste
gebeden? Hem met haar adem bijstaan als de zijne te ontvlieden dreigt;
hem liefkoozen ... zoenen op die bleeke lippen...!?
Neen! neen!! O groote God, neen! dat heeft Jacoba niet gezegd;
zelfs niet _gedacht_ in dezen stond.--Al rijten die vreeselijke
kreten haar ook den boezem vaneen, geen schrede mag zij verder. Daar
is een krachtige stem in haar binnenste die 't haar verbiedt; en
immers, voor haar verbeelding staat daar een dreigende vader, die
vertwijfelen zou indien hij vermoeden kon wat er omgaat in het hart
van zijn teergeliefde eenige dochter.
Van hier dan Jacoba! Spoed! Verzend dat telegram, of, doe nóg sneller
hulp opdagen, de beste die te bekomen is. Maar voort, van hier!--En
toch, moet zij de stem van dien arme dan hooren, zoo angstig, zoo
radeloos bijwijlen, en zonder hem te zien? O God, al is hij dan
niet meer gelijk voorheen, zooals hij dikwijls naast haar zat, met
de glimmend zwarte krulharen en den fijnen knevel scherp geteekend
tegen het mannelijk blank van zijn edel welgevormd gelaat; al zijn
die donkerbruine oogen, nú de oogen vol geestdrift niet wanneer hij
met den fijnbesneden mond aan zijn gretig luisterende leerlinge van
den kunstroem der klassieken sprak; al moet de schoone kloeke jonkman,
nu ten prooi aan de vreeselijkste ijlkoortsen, slechts de schaduw zijn
van 't geen hij zoo kort geleden nog was, ach, kan zij dan vanhier
gaan zonder een enkelen blik te werpen in dat vertrek; zonder den
juisten indruk te hebben van zijn toestand; zonder hem nog eens,
o God! misschien voor 't _laatst_ te hebben aanschouwd?
Zie, de deur der ziekenkamer staat op een kier. Met bonzend hart en
op de toonen zachtkens voorwaarts komend, doet ze een schrede in de
richting dier kamer ... een tweede ... een.... Neen, eensklaps deinst
ze terug:
"Laat los! Hoor je niet, los!" roept Donerie weder; en akelig klinkt
zijn hijgende stem: "Zij is de mijne!--Ha! Op de voorkamer is ze. Laat
los! of ze vliegt het raam uit; over de daken. Ha: heisa! los!"
Een dreun, een slag heeft Jacoba nog gehoord. Toen is het nacht voor
haar geworden, heelemaal nacht.