ELFDE HOOFDSTUK.

't Is een oud, misschien een goed gebruik in het stadje Romphuizen,

dat de torenklok der gemeente verkondigt wanneer er een doode naar

zijn laatste rustplaats wordt gevoerd. De klok had echter heden niet

noodig haar droef "memento mori" te doen klinken, want reeds voordat

ze haar stem verhief, was er veel volk op de been. Geen wonder,

er zal wat bijzonders te zien en te hooren zijn.

Ginder, buiten de zoogenaamde Zijperpoort, trekt de zwarte stoet

langzaam voorwaarts, en de zware lindenlaan in, op wier helft het

groote kerkhofhek reeds geopend staat.

De zon lacht en spartelt zoo vroolijk in de breede laan alsof het

een feeststoet ware, die zich onder de vallende bloesems voortbewoog.

Spotte zij misschien met den vreeselijken huilebalk wanneer zij

tusschen de bladeren door, snelle lichten op dat zinlooze hoofddeksel

kantte? Lachte zij met den terugstootenden lijkwagen als ze vonken

spatte op die doodshoofden en gekruiste beenderen, op de doodskoppen

vooral, die natuurlijk niet zien kunnen--dat er een zon aan den hemel,

en het heelal met ontelbare werelden doorzaaid is.

Wanneer men op de Zijperbrug bleef staan en van daar de laan inzag, dan

was er nochtans iets plechtigs, ja iets aangrijpends in dien optocht.

Onder het tintelend groen der zware linden, verloor de hooge koets

zich van lieverlede in een fijn-blauwe tint. Zoo van verre had die

lijkwagen wel eenige overeenkomst met een monument, een vierkant

grafgesteente met een urn er boven op.

En zie, aan den voet van dat monument verheft zich, boven de golvende

menigte, een zilverwit voorwerp--juist blinkend in een zonnestraal. 't

Is de kleine zilveren harp boven de rooskleurige banier der muziek-

en zangvereeniging "Koning David". Het rood satijn der banier met

zijn zilveren letters is door een zwart floers omgeven, maar nochtans

komt die kleur--evenals die blinkende harpknop erboven--steeds zeer

duidelijk uit tegen den vaalblauwen toon van dat monument, den langzaam

wegschuivenden wagen.

En de golvende schaar, wier aanblik het hart met weemoedigen ernst

vervult, zij getuigt het mede dat er in dezen lentemorgen geen

gewone begrafenis plaats heeft. Immers, 't zijn niet enkel mannen en

jongelingen die den wagen volgen. Neen, meer dan dertig meisjes en

jonge vrouwen gaan met kloppende harten mede, om aan een afgestorvene,

die haar zoo lief was, nog een laatste hulde te brengen, en straks

bij de versch gedolven groeve saam te stemmen in het lied waarvan de

slotzang luidt:

Slaap zacht!

Op den krans dien we u vlochten,

Slaap zacht!

Tot den morgen die u wacht.

Goeden nacht! Goeden nacht!

Hoor, het geboem-bam der torenklok dreunt nog voort. En zie, de

lijkkist van de zwarte sprei ontdaan, staat reeds boven de groeve.

Met bevende hand heeft een der meisjes een frisschen lauwerkrans op

het deksel der kist gelegd, terwijl een jonge vrouw van de andere

zijde genaderd, er eene van immortellen daarnevens plaatst.

't Is nu dominee Hoogerberg die op de lijkkist toetreedt en straks,

na een korte inleiding, zijn hartelijke toespraak aldus vervolgt:

"Ja, een wolk nam hem weg van deze aarde. Nog ruischt ons de Hymme

in de ooren, die hij deed klinken toen twee geliefden zich voor

het oog des Almachtigen hadden vereenigd, en hij, instemmend met

hun blijdschap, als een andere David heerlijke tonen lokte uit zijn

verheven speeltuig. En,--dat die tonen de laatste zouden zijn! Velen

onzer wisten het ternauwernood dat hij zich ongesteld gevoelde op

dien morgen, en geen enkele was er die vermoeden kon dat reeds de

kille hand des doods hem had aangegrepen toen nog zijn vingeren het

orgel deden juichen: "Loof, loof den Heer mijne ziel!"

"Hij is niet meer! De man die op het gebied der heerlijke toonkunst

zulk een leven in onzen doodsslaap wekte; die gedurende een zevental

jaren ons en onze kinderen voorging waar het de verhevenste der

kunsten gold; hij is van ons heengegaan: een wolk nam hem weg voor

onze oogen.--Dat hij leeft of leven zal in een betere wereld, ter

eindelooze volmaking, het is onze hoop, ons blij vertrouwen. Maar, als

ik de tranen zie, jongelingen en maagden, de tranen die u vloeien langs

de wangen, terwijl wij ouderen ze zelfs met moeite bedwingen of niet

bedwingen kunnen, dan zeg ik met u: 't is ons niet genoeg te hopen,

noch zelfs zeker te weten dat een dierbare broeder of zuster leeft in

hoogeren werkkring; immers wij missen, wij betreuren hem, wij dragen

rouw over hem. Maar wél dan, indien we bij een blijmoedig: Daar zal

licht zijn aan gene zij van het graf! ook kunnen roemen van hem of

van haar die stierf: Onze broeder of zuster leeft _nog op aarde_!

"En onze vriend, onze leidsman in het rijk der tonen, hij leeft en

zal met ons leven, ofschoon wij hem missen zullen, heden en telkens

weer. Hij leeft, ook voor ons! Wat hij goeds stichtte dat blijft, dat

zal voortleven in ons en in de kinderen die hem liefhadden.--Ziet onze

banier: _Koning David_!--Neen, de groote koning is _niet_ gestorven

ofschoon er eeuwen over zijn graf zijn gegaan. Is het omdat hij tot

koning werd gezalfd, of, omdat uit zijn geslacht de Eenige onder de

menschen is voortgekomen? Neen, hij leeft bovenal, omdat hij dichter

was, omdat hij liederen zong vol gloed en bezieling; hij leeft als

de harpenaar, en zijn vorstelijk paleis is nu de gansche wereld.

"In bescheidener huis dan een David zal onze ontslapen vriend woning

behouden op aarde: In _onze_ harten, in _onze_ dankbare _herinnering_

zal hij gehuisvest zijn.

"Mijn vrienden! Werke hij dan in reiner oorden, naar des Almachtigen

welbehagen, ook _hier_ zal zijn geest wonen, ook hier zal hij met

ons leven. Amen! Amen!!"

En na deze woorden, op diepgeroerden toon gesproken, valt het koor in,

en zingen Donerie's vrienden:

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 25 / 85 题