't Is een oud, misschien een goed gebruik in het stadje Romphuizen,
dat de torenklok der gemeente verkondigt wanneer er een doode naar
zijn laatste rustplaats wordt gevoerd. De klok had echter heden niet
noodig haar droef "memento mori" te doen klinken, want reeds voordat
ze haar stem verhief, was er veel volk op de been. Geen wonder,
er zal wat bijzonders te zien en te hooren zijn.
Ginder, buiten de zoogenaamde Zijperpoort, trekt de zwarte stoet
langzaam voorwaarts, en de zware lindenlaan in, op wier helft het
groote kerkhofhek reeds geopend staat.
De zon lacht en spartelt zoo vroolijk in de breede laan alsof het
een feeststoet ware, die zich onder de vallende bloesems voortbewoog.
Spotte zij misschien met den vreeselijken huilebalk wanneer zij
tusschen de bladeren door, snelle lichten op dat zinlooze hoofddeksel
kantte? Lachte zij met den terugstootenden lijkwagen als ze vonken
spatte op die doodshoofden en gekruiste beenderen, op de doodskoppen
vooral, die natuurlijk niet zien kunnen--dat er een zon aan den hemel,
en het heelal met ontelbare werelden doorzaaid is.
Wanneer men op de Zijperbrug bleef staan en van daar de laan inzag, dan
was er nochtans iets plechtigs, ja iets aangrijpends in dien optocht.
Onder het tintelend groen der zware linden, verloor de hooge koets
zich van lieverlede in een fijn-blauwe tint. Zoo van verre had die
lijkwagen wel eenige overeenkomst met een monument, een vierkant
grafgesteente met een urn er boven op.
En zie, aan den voet van dat monument verheft zich, boven de golvende
menigte, een zilverwit voorwerp--juist blinkend in een zonnestraal. 't
Is de kleine zilveren harp boven de rooskleurige banier der muziek-
en zangvereeniging "Koning David". Het rood satijn der banier met
zijn zilveren letters is door een zwart floers omgeven, maar nochtans
komt die kleur--evenals die blinkende harpknop erboven--steeds zeer
duidelijk uit tegen den vaalblauwen toon van dat monument, den langzaam
wegschuivenden wagen.
En de golvende schaar, wier aanblik het hart met weemoedigen ernst
vervult, zij getuigt het mede dat er in dezen lentemorgen geen
gewone begrafenis plaats heeft. Immers, 't zijn niet enkel mannen en
jongelingen die den wagen volgen. Neen, meer dan dertig meisjes en
jonge vrouwen gaan met kloppende harten mede, om aan een afgestorvene,
die haar zoo lief was, nog een laatste hulde te brengen, en straks
bij de versch gedolven groeve saam te stemmen in het lied waarvan de
slotzang luidt:
Slaap zacht!
Op den krans dien we u vlochten,
Slaap zacht!
Tot den morgen die u wacht.
Goeden nacht! Goeden nacht!
Hoor, het geboem-bam der torenklok dreunt nog voort. En zie, de
lijkkist van de zwarte sprei ontdaan, staat reeds boven de groeve.
Met bevende hand heeft een der meisjes een frisschen lauwerkrans op
het deksel der kist gelegd, terwijl een jonge vrouw van de andere
zijde genaderd, er eene van immortellen daarnevens plaatst.
't Is nu dominee Hoogerberg die op de lijkkist toetreedt en straks,
na een korte inleiding, zijn hartelijke toespraak aldus vervolgt:
"Ja, een wolk nam hem weg van deze aarde. Nog ruischt ons de Hymme
in de ooren, die hij deed klinken toen twee geliefden zich voor
het oog des Almachtigen hadden vereenigd, en hij, instemmend met
hun blijdschap, als een andere David heerlijke tonen lokte uit zijn
verheven speeltuig. En,--dat die tonen de laatste zouden zijn! Velen
onzer wisten het ternauwernood dat hij zich ongesteld gevoelde op
dien morgen, en geen enkele was er die vermoeden kon dat reeds de
kille hand des doods hem had aangegrepen toen nog zijn vingeren het
orgel deden juichen: "Loof, loof den Heer mijne ziel!"
"Hij is niet meer! De man die op het gebied der heerlijke toonkunst
zulk een leven in onzen doodsslaap wekte; die gedurende een zevental
jaren ons en onze kinderen voorging waar het de verhevenste der
kunsten gold; hij is van ons heengegaan: een wolk nam hem weg voor
onze oogen.--Dat hij leeft of leven zal in een betere wereld, ter
eindelooze volmaking, het is onze hoop, ons blij vertrouwen. Maar, als
ik de tranen zie, jongelingen en maagden, de tranen die u vloeien langs
de wangen, terwijl wij ouderen ze zelfs met moeite bedwingen of niet
bedwingen kunnen, dan zeg ik met u: 't is ons niet genoeg te hopen,
noch zelfs zeker te weten dat een dierbare broeder of zuster leeft in
hoogeren werkkring; immers wij missen, wij betreuren hem, wij dragen
rouw over hem. Maar wél dan, indien we bij een blijmoedig: Daar zal
licht zijn aan gene zij van het graf! ook kunnen roemen van hem of
van haar die stierf: Onze broeder of zuster leeft _nog op aarde_!
"En onze vriend, onze leidsman in het rijk der tonen, hij leeft en
zal met ons leven, ofschoon wij hem missen zullen, heden en telkens
weer. Hij leeft, ook voor ons! Wat hij goeds stichtte dat blijft, dat
zal voortleven in ons en in de kinderen die hem liefhadden.--Ziet onze
banier: _Koning David_!--Neen, de groote koning is _niet_ gestorven
ofschoon er eeuwen over zijn graf zijn gegaan. Is het omdat hij tot
koning werd gezalfd, of, omdat uit zijn geslacht de Eenige onder de
menschen is voortgekomen? Neen, hij leeft bovenal, omdat hij dichter
was, omdat hij liederen zong vol gloed en bezieling; hij leeft als
de harpenaar, en zijn vorstelijk paleis is nu de gansche wereld.
"In bescheidener huis dan een David zal onze ontslapen vriend woning
behouden op aarde: In _onze_ harten, in _onze_ dankbare _herinnering_
zal hij gehuisvest zijn.
"Mijn vrienden! Werke hij dan in reiner oorden, naar des Almachtigen
welbehagen, ook _hier_ zal zijn geest wonen, ook hier zal hij met
ons leven. Amen! Amen!!"
En na deze woorden, op diepgeroerden toon gesproken, valt het koor in,
en zingen Donerie's vrienden: