Uwe Jacoba."

Of Jacoba inderdaad koorts heeft, of, dat haar stemming iets

koortsachtigs had, zooveel is zeker dat een ongewoon blosje haar

wangen kleurde toen zij den brief vouwde en, na het couvert te hebben

dichtgeplakt, nog een tamelijk breed lak er op deed, om eindelijk

het eenvoudige adres te schrijven: "Aan August."

Nu gaat ze naar haars vaders "bureau".

"Hier is mijn epistel voor onzen zwierbol, pa."

"Ah zoo Coba," zegt Van Barneveld die aan 't schrijven was: "ik dacht

al, 't is kwartier voor twaalven; 't werd tijd. Om twaalf uur moet

Hendrik er mee weg."

"Hendrik komt pas uit de stad terug pa. Ik wou 'm zelf even brengen. De

uwe is immers klaar?"

Van Barneveld ziet haar verwonderd aan:

"Ja, hier is mijn brief, maar wou jij dien naar de stad brengen? Eer

Willem de paarden klaar heeft, zal..."

"Nee ik wou te voet gaan."

"Te voet! Nú te voet.... jij! Heeft tante je daartoe bepraat?"

"Nee pa, maar August heeft wandelen zeer aangeraden.--Ik moet bij de

naaister zijn. Hendrik heeft iets vergeten."

"Je schijnt vandaag bijzonder wèl te wezen, beste meid."

"O, ik ben weer heel flink!" Zij zoent den vader op zijn hooge

voorhoofd: "Toe, sluit u nu mijn epistel in; 't wordt immers tijd

beste pa?"

"Maar wat een vreeselijk lak Coba. Dat couvert dient er af.... Wil

ik maar even?"

Jacoba ontneemt hem onverhoeds haar brief:

"O nee, wacht.... dat mag ik niet vergen, wacht!".... En met den

brief snelt ze voort.

"Niet vergen! ha ha ha, niet vergen!" lacht Van Barneveld haar

achterna: "dat noem ik discretie....!"

Maar eensklaps betrekt zijn gelaat. Jacoba's goed uiterlijk en haar

vroolijke stemming hebben hem voor een oogenblik doen vergeten,

'tgeen hem toch sedert het gesprek met zijn schoonzuster gedurig als

een akelig spooksel voor den geest heeft gestaan.

Zoo dat schrijven aan August op zich zelf niets beduiden mocht, dat

zonderlinge wantrouwige wegrukken van den brief toen hij het couvert

er af wilde doen, dat zegt iets meer.... ja! dat zegt veel _veel_ meer:

"Ah zoo Coba, is er nu een ander couvert om?"

"Ja zonder lak.--Ik had het heele couvert kunnen weglaten omdat u hem

insluit; maar, nu het er weer om is, nu kan het zoo blijven niewaar?"

"'t Couvert verzwaart een heelen boel; als het je 'tzelfde is dan

liet ik het er toch liever af; mij dunkt...."

"Nee nee!" zegt Coba haastig, en als Van Barneveld--alsof hij die

zekere vrees niet verklaren kan--haar vragend aanziet, dan herneemt

ze heel luchtig, met een glimlach:

"Als men bestellingen in Parijs doet dan kan men redenen hebben

waarom zelfs.... un très-cher général"--zij strijkt hem zachtjes met

het magere vingertje langs den neus--"heel discreet moet wezen. Kom

pa'tje-lief, nu wat spoedig, want u hebt zelf gezegd: beter drie

kwartier te vroeg bezorgd dan één seconde te laat. Bovendien ik ben

niet van plan om mij te overloopen, maar denk het doodbedaard te doen."

Terwijl Van Barneveld Coba's brief in den zijne sluit, en, nog

eens naar haar opziende, weder dat lachje om haar lippen bemerkt;

nu hij plotseling een geheim in dien brief vermoedt, 't welk op een

verrassing voor hem zal uitloopen, nu kan hij toch niet anders dan in

stilte erkennen, dat er sedert gisteren--wie weet, na dat getrouwer

innemen en dat heerlijke slapen--iets in die bleeke kleur is gekomen

wat men _leven_ mag noemen.

Ja, die vroolijke trek om hare lippen doet eensklaps het vreeselijke

denkbeeld verdwijnen 't welk hem in de laatste uren zoozeer beangst,

en, zijn zorg voor de gezondheid der dierbare is schier geheel naar

den achtergrond gedrongen. 't Was hem plotseling alsof er in 't

geheel geen reden tot vreeze meer bestond, en terwijl nu de _hoop_

zijn liefde voor dat kind te sterker doet opvlammen, legt hij,

straks opgestaan, zijn beide handen op Coba's teedere schouders,

en zegt met de innigste verrukking, ofschoon uiterlijk kalm:

"Ik geloof waarlijk dat je een _heelen boel_ beter bent Coba. Nu dat

dacht ik ook wel.--Ja komaan, waarom zou je niet wandelen als je er

lust in hebt; een kwartiertje heen en een kwartiertje terug.--Ei,

wat zou je ervan zeggen als papa eens meeging, hé?--Maar kindlief,

hoe beef je zoo?"

"Uw handen drukken wat zwaar pa."

"O popje, popje! Hij zoent haar op de wang: "Kom kruidje-roer-me-niet,

dan gauw maar den hoed opgezet. Hier heb ik den mijne. Tante zullen

we natuurlijk vragen om van de partij te wezen."

"Hoor eens pa-lief. 't Zou mij waarlijk geneeren als u en tante

meegingt. Ik heb allerlei met Elsje te bepraten. Laten we van middag te

zamen naar den boschwachter rijden, en dáár wandelen; maar nu, naar de

stad om mijn commissies te doen, waarlijk, nú ga ik liever _alleen_!"

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 23 / 85 题