NEGENDE HOOFDSTUK.

Jacoba Van Barneveld weet niet dat August en Eva zich reeds op hun

terugreis bevinden. Ze heeft uitgerekend dat er nog twaalf volle

dagen vóór hun thuiskomst moeten verloopen.

Op haar schrijftafel ligt een blad papier gereed. Ze moet August

schrijven. Ze heeft er eindelijk toe besloten. Nog wacht ze een

oogenblik ofschoon het reeds halfelf is, en de brieven voor Parijs

uiterlijk te één uur op het postkantoor moeten bezorgd zijn. Ja ze

kan nog even wachten. Hendrik zal immers zoo aanstonds uit de stad

terugkomen, want, behalve een boodschap bij de naaister, had hij

niets te doen dan even bij baas Krul naar Donerie te vragen.

Jacoba luistert. Ze meende iemand bij haar kamerdeur te hooren.... maar

ze heeft zich vergist.

--'t Is vreemd dat Hendrik zoo schrikkelijk lang uitblijft. Doch

neen, de pendule zegt haar dat hij nauwelijks twintig minuten geleden

vertrokken is.

Jacoba bladert in Longfellows gedichten. Dat mag een paar minuten

duren, maar dan, dan staat ze weer op. Zichtbaar onrustig gaat ze

naar de schrijftafel; een oogenblik later staat ze bij 't venster,

waardoor ze het uitzicht heeft op het prachtige landschap met den

zilveren Rijn; doch--geen seconde later is ze bij haar schrijftafel

terug, en neergegleden in den gemakkelijk ronden stoel die er vóór

staat, vat ze de pen om.... Maar neen, sneller dan ze zitten ging is

ze weer opgestaan, en gaat nu de kamer uit.

Aan 't eind van den breeden corridor kan ze door het venster op

't hek van den straatweg zien. Nú kon Hendrik toch wel terug zijn.

"Ben je daar Coba?" vraagt een dame van omstreeks zestig zomermaanden,

die uit de deur der groote groene logeerkamer op den corridor komt,

en reeds gekleed voor het tweede ontbijt zich met hoed en parasol

heeft gewapend om eerst nog een kleine wandeling op het boventerrein

van _De Zonsberg_ te doen.

"Ja tante. Hé, ik had u niet gezien."

"Wacht je iemand?"

"Hendrik zou inkt meebrengen tante. Hij blijft vreeselijk lang weg."

"Hé, inkt. Je pa heeft altijd een heel kruikje.... Was dat leeg

misschien? Wacht, er is nog wel wat op mijn kamer; je hebt zeker zoo

heel veel niet noodig?"

"Een paar velletjes tante."

"Velletjes?"

"O, ik meen.... Maar Hendrik zal wel dadelijk komen. Dank u tante."

"Coba-lief kom eens hier; wat scheelt er aan?"

"Mij tante!?"

"Ja lieve kind, kom jij nu eens eventjes hier bij tante op de

logeerkamer. Jawel, eens eventjes."

"Tante ik heb waarlijk geen tijd. Ik wacht op Hendrik, en ik moet me

nog kleeden ook."

"Ja maar zoolang Hendrik er nog niet is, kun je wel even bij tante

Hermine komen niewaar? We hebben uit mijn kamer juist het oog op het

hek aan den straatweg. Voel je je weer niet zoo fiks Coba?"

"Jawel tante, ik voelde me juist van morgen weer heel flink."

"Och kom, is dat waarlijk zoo? Ik dacht dat je het maar aan je pa

zei om hem gerust te stellen. Je bent toch erg bleek, lieve kind."

"Vindt u tante; ik ben _altijd_ bleek, dat is mijn natuurlijke kleur."

"Ja maar Coba, je oogen staan waarlijk een beetje flets. Papa merkte

het gelukkig niet, maar ik kon wel zien dat je geschreid hadt toen

je van morgen beneden kwaamt."

"Geschreid! ik!? Lieve hemel tante, geschreid! ik zou niet weten

waarom."

"Nee ik ook niet Coba. Wie zou gelooven kunnen dat een meisje, dat

zoo alles en alles heeft, en krijgen kan wat ze begeert, reden zou

hebben om te schreien, maar...."

"'t Zou bespottelijk zijn tante."

Na dit gezegd te hebben wendt Jacoba zich van haar tante af en gaat

weer haastig naar de deur.

"Jacoba hoor eens."

"Riept u?"

"Ja beste kind, kom nog eens even hier.--Zou je me een groot genoegen

willen doen?"

"Als ik kan, zeker!"

Mevrouw Mansburg vat Jacoba's fijne hand, en haar vriendelijk aanziende

zegt ze zeer overredend:

"Och, dan wou ik zoo graag dat je tante eens je vertrouwen schonkt. Er

is iets dat je hindert. Jawel Coba; een vrouw van jaren en ondervinding

zooals ik, ziet scherper dan een man, al is hij ook tienmaal een vader

zooals je beste pa.--Je pa maakt zich erg ongerust over je gezondheid,

veel meer dan hij weten wil."

"Maar ik verzeker u dat hij vandaag heel gerust is tante. Nadat ik

gisteren zoo trouw ingenomen en van nacht zoo heerlijk geslapen heb,

moest ik mij wel beter gevoelen. Ik heb het pa plechtig verzekerd,

want ook hij heeft me in 't verhoor genomen."

"Heb je waarlijk _waarlijk_ zoo heerlijk geslapen Coba?"

"Tante, ik vind het erg verdrietig en compleet om iemand ziek te maken

als men zich wél gevoelt, en iedereen ons dan telkens wil opdringen dat

we slecht geslapen hebben, er slecht uitzien en zekerlijk ziek zijn. Er

zijn immers voorbeelden van dat men gezonde maar aantrekkelijke

personen zóó een ziekte op 't lijf heeft gepraat.--Ik vind u waarlijk

heel lief tante, en ik hou ook heel veel van u, maar u moest mij heusch

niet altijd zoo vragen, en--zooals u gisteren en van morgen telkens

deedt--mij zoo van terzijde zitten aankijken. Ja ik weet wel dat het

belangstelling is, maar ik voel dat het mij bepaald kwaad zou doen."

Mevrouw Mansburg begrijpt nu dat ze een krasse wending moet wagen om in

't belang van dat bleeke kind haar vertrouwde te worden:

"Op gevaar af dat je me lastig zult noemen, beantwoord mij deze ééne

vraag: Is er iemand op de wereld dien je liever hebt dan papa?"

Of Jacoba op iets dergelijks heeft gerekend, althans haar gelaat

teekent geen de minste ontroering.

"Dat is een zonderlinge vraag tante. Nee, zekerlijk is er niemand

dien ik _zóó_ liefheb als mijn besten vader.--Ha daar komt Hendrik

het hek in! Tot straks tante; bonjour!"

Mevrouw Mansburg heeft haar doel niet bereikt. Twee dagen na Helmonds

huwelijk kwam ze bij haar broeder Van Barneveld op _De Zonsberg_

logeeren. Aanstonds heeft het haar getroffen zoo zwak en lijdend als

Coba er uitzag; en, aanstonds had zij tevens Van Barnevelds onrust

bemerkt, hoezeer hij die ook te verbergen zocht. En, zij heeft die

onrust gedeeld, vooral den dag na haar aankomst, toen Jacoba--nadat

men onder het theedrinken tamelijk druk over August en zijn jonge

vrouw had gesproken--een soort van flauwte heeft gekregen met

een zonderling benauwde ademhaling. Ofschoon mevrouw Mansburg die

plotselinge ongesteldheid volstrekt niet voor gevaarlijk hield, en

haar ondervinding schier dezelfde verklaring gaf als vroeger dokter

Helmond heeft gegeven, zoo moest zij op Van Barnevelds krachtige maar

wellicht slechts uitlokkende verzekering: dat het volstrekt _niets_

te beteekenen had, toch opmerken, dat Alexander het niet al te licht

moest tellen, want--mevrouw sprak wel eens in beelden--dat er nooit

een deur van zelf dichtging; was er geen hand die het deed dan deed

het een tocht of rukwind misschien.

't Is reeds bekend dat Van Barnevelds heimelijke onrust, door de

herhaling dier zenuw-attaque, en waarschijnlijk door het advies

van zijne schoonzuster, aanmerkelijk was toegenomen; en, hoewel met

tegenzin, heeft hij op het vragen der zuster langer over dat punt

gesproken dan hem lief is geweest. 't Was zeer verklaarbaar dat hij

mede de onderstelling heeft herhaald, of ook Helmonds huwelijk eenigen

invloed op Coba's zenuwgestel kon hebben uitgeoefend. Ofschoon Coba

bijna tien jaren jonger was dan hij, zoo waren ze toch, vóórdat August

naar de academie ging, in Van Barnevelds huis als kinderen te zamen

geweest. August hield bijzonder veel van zijn "klein bleekneusje;" en

later als hij met vacanties over was, o wat kon hij haar dan mokkelen

de aardige speelpop, het achtjarige zusje; rijden met haar op zijn knie

de heele wereld rond, of straks op den rug door het gansche huis--en

't was een groot mooi huis in Den Haag--naar boven, de breede trappen

op, al de kamers door, van de eene in de andere, de trappen weer af,

totdat hij er doodmoe bij neerviel.

Ook later heeft August altijd getoond dat hij veel van Coba hield. Toen

Helmond dokter te Romphuizen is geworden, en Van Barneveld daarna

op _De Zonsberg_ kwam wonen, ging Helmond--vooral in den beginne,

toen de praktijk niet zoo druk liep--er heel veel heen. Natuurlijk

is dat later wel iets verminderd, maar geregeld kwam hij er toch een

paar malen 's weeks dineeren, en, dan hadden die twee het altijd

druk, zóó zelfs dat papa wel eens tweemaal aan "zijn partijtje"

moest herinneren, want, van kwart over achten tot halftien speelde

de generaal graag een ombertje en famille.

Ja, Coba hield veel van broeder August.--En, in de laatste twee jaren

is er bovendien veel gebeurd. In die sombere dagen toen Philip door

zijn schandelijk gedrag den oom en weldoener zulk een smaad had

aangedaan, toen heeft haar zenuwgestel een sterken schok gekregen.

Van Barneveld wil het niet ontkennen dat hij Jacoba's voorspraak toen

wel wat ruw heeft afgewezen. 't Is den eenigen keer geweest dat hij

zijn kind harde woorden heeft toegevoegd, maar ze moest het gevoelen,

dat de generaal Van Barneveld, van elk ander dan zijn pleegkind,

bloed zou hebben geëischt voor zulk een smaad, en gevoelen ook dat

men door het zoeken van zijn minderen, zooals Philip had gedaan met

dat trouwen ver beneden zijn stand, tot alles instaat raakt, zelfs

tot het verguizen, het beleedigen van hen aan wie men het meest

is verschuldigd.

Jacoba heeft het begrepen; maar dat ze bij die droeve gebeurtenis

alweder aan de zij van broeder August heeft gestaan, en niet eerder dan

hij heeft willen berusten in het harde vonnis, 'twelk haar vader over

Philip had uitgesproken, het pleitte opnieuw voor de genegenheid,

die zij haar pleegbroeder toedroeg en de waarde die ze aan zijn

zienswijze hechtte.

En dan, is Coba niet telkens weer zijn krachtige voorspraak geweest,

wanneer de vader haar--en misschien wat al te veel--met zijn grieven

over het huwelijk van August had lastiggevallen? Ja, Helmonds keuze

heeft hem in den aanvang zeer gehinderd. Een oogenblik zelfs was het

voornemen bij hem opgekomen om zijn toestemming te weigeren--voor

zooverre die weigering beteekenis had,--en Jacoba zal er onder

hebben geleden zooals zij telkens Helmonds voorspraak heeft moeten

zijn. Immers, August had haar gezegd dat hij zoo onuitsprekelijk veel

van Eva Armelo hield, en toch de liefde van zijn braven pleegvader

zoo noode verliezen zou. Al wat ze kon heeft ze gedaan om haar vader

met dat huwelijk te verzoenen. Ze heeft er aan herinnerd dat Eva's

ouders, ofschoon ze van geringe afkomst waren, toch nu, door den

rang van mijnheer, tot den "fatsoenlijken stand" behoorden; ze heeft

de omstandigheid dat de kapitein om bijzondere redenen zoo vroeg is

gepensioneerd,--redenen die Van Barneveld kende--weten te vergoelijken,

door er op te wijzen hoe men nu--en zelfs in Romphuizen--er toch nooit

meer van hoorde dat de familie en vooral mevrouw Armelo, dépenses

maakte, die haar krachten te boven gingen. Wat Eva betrof, Jacoba

heeft haar zeer geroemd, althans voor zooveel ze dat kon. Ze was

zoo schoon, ze had zulk een slank figuur, zulk glanzend zwart haar,

en daarbij zulke mooie donkerblauwe oogen. Wat speelde ze prachtig

en wat zong ze overheerlijk!

Welnu, papa Van Barneveld heeft dan immers ook toegegeven. August moest

het weten. In den aanvang had hij hem wel zijn bedenkingen gemaakt,

en hem volgens zijn overtuiging, op de zwakke zij van Eva's karakter

gewezen, maar--men weet het--ten laatste heeft hij toch "zooveel

mogelijk het zijne gedaan om de onderlinge vrede en liefde te bewaren".

Inderdaad, er is genoeg geweest om een teeder gestel als dat van

Jacoba te ondermijnen. En wanneer men nu Coba's zusterlijk gevoel

voor August in rekening brengt, dewijl het toch vanzelf spreekt dat

Helmond veel minder dan vroeger op _De Zonsberg_ zal kunnen zijn, en

althans niet meer onverdeeld zooals vroeger, dan meent de generaal

wel grond te hebben voor zijn overtuiging, dat dit huwelijk bij

Jacoba zwaarder heeft gewogen dan hij het zich heeft voorgesteld, en

dat het zijn plicht zal wezen om, zoodra August en Eva terug zullen

komen--ofschoon met verstand, en steeds tegenover Helmonds vrouw met

de leuze: "eenvoud en zuinigheid"--het veelvuldig samenzijn, vooral

ter wille van Coba, zooveel mogelijk te bevorderen.

Driemaal achtereen heeft mevrouw Mansburg, na een veelbeteekenend

ophalen van de wenkbrauwen, dat laatste besluit van haar zwager met een

"Ja maar!" beantwoord, en ze dacht er bij: Mijn goede Van Barneveld,

al ben je misschien een man die alleen door de juistheid van je blik

de sterkste vesting zoudt nemen of een overmachtig leger verslaan,

het vrouwenhart doorzie je _niet_!

_Ja maar_! er kon iets anders zijn. Er kon iets anders leven in Coba's

boezem! En, 'tgeen mevrouw niet heeft uitgesproken, dat heeft Van

Barneveld toch aanstonds moeten raden;

--Hoe, wat! zou zoo iets mogelijk wezen....!?

En zuster Hermine heeft nogmaals zeer sterk, zoowel haar schouders

als wenkbrauwen naar boven getrokken. En, zij zou er zekerheid van

hebben, dat beloofde ze vast. Maar inweerwil van haar goede bedoeling,

en inweerwil van haar tact, mevrouw Mansburg heeft nóg geen zekerheid

gekregen, ofschoon ze er "des ondanks" nog zekerder van is dan den

vorigen dag.

"Welke boodschap heb je?" roept Jacoba den knecht toe die naar

boven komt.

Hendrik wipt snel eenige trappen hooger en zegt dan:

"Compliment, nog hetzelfde juffrouw."

"Ik meen van de naaister?"

"O, dat ze zorgen zou dat het naar uw zin zou wezen juffrouw."

"En van de zij? En zou ze het vooral netjes doen?"

"O, zij had ze genoeg, en jawel, de juffrouw zou heel tevreden zijn."

"Heb je de taf?"

"Jawel juffrouw.--Alsjeblief."

"Best Hendrik!"--In het teruggaan zich even omwendend: "Niets beter

met mijnheer Donerie?"

Hendrik, in 't naar beneden gaan stilstaande en omziende: "Nee

juffrouw; 'tzelfde; eer minder, was de boodschap."

"Zoo!"

Op haar kamer gekomen sluit Jacoba de deur zeer zachtjes van binnen

op het slot.

Van haar waschtafel neemt ze den flacon; doet een overvloedigen

scheut eau de cologne in het water, dat ze zich in de waschkom heeft

geschonken; dompelt er haar polsen in, en verfrischt daarna drie,

vier keeren haar hoofd.

Nu zit ze weder voor haar papier. Een wijle tuurt ze op de kleine buste

van Mendelssohn--in wiens trekken ze steeds een zekere overeenkomst

met hem.... meent te zien; en dan, na een paar malen de pen te

hebben opgenomen en weer weggeworpen; na nogmaals te zijn opgestaan,

en ginder eenige oogenblikken op den stoel bij het venster te hebben

gezeten, neemt ze eindelijk weer plaats voor het papier, en schrijft

met bevende hand:

"Beste August!

"Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren

vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig

uur. O, waarom heb ik niet gesproken toen je mij op dien avond

zoo deelnemend ondervroegt. Ik wist toen reeds wat ik vreezen

moest, maar kon niet denken dat mijn gevoel op zulk een harde

proef zou worden gesteld. Och waarom moest ik huichelen;

waarom je verbergen wat mij verteert...."

--Verbergen wat mij verteert? Hoe is het mogelijk dat deze woorden aan

mijn pen zijn ontsnapt, denkt Jacoba; en dan, nadat ze de geschreven

regels heeft herlezen:

--Nee, dat alles is bespottelijk; dat mag en dat kan zoo niet. Het

papier wordt nu ijlings door midden gescheurd; en, op een ander

blaadje schrijft ze:

"August!

"Bij papa's letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen

dat ik mij, ofschoon zelve best in orde, zeer ernstig ongerust

maak...."

--Maar dit kan evenmin blijven. Neen, ook August mag niet weten,

niet vermoeden zelfs....

Weder staart Jacoba eenige oogenblikken in gedachten op Mendelssohns

buste, terwijl ze het geschrevene in kleine stukjes scheurt.

--Ha! die inval komt als een lichtstraal. Ja, dát heeft haar

wel voor den geest geschemerd, maar nu eensklaps is het helder

geworden. Nogmaals neemt ze een ander blaadje en schrijft dan snel:

"Lieve August!

"Bij papa's letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen

dat ik mij ernstiger ongesteld gevoel dan ik hem bekennen

wil. Herhaalde flauwtes, binnenkoortsen en slapelooze nachten

doen mij vreezen dat ik binnenkort onherstelbaar wezen zal

indien, ja August, indien je niet spoedig terugkomt en mij

behandelt zooals je dat voornemens waart. Om papa niet ongerust

te maken heb ik hem gezegd dat ik mij zelfs beter gevoelde

dan vóór je vertrek, en hem uit het hoofd gepraat om je over

mij te schrijven, zooals hij een oogenblik van plan scheen,

ten einde je te kennen te geven dat een spoediger terugkomst

hem aangenaam wezen zou. Waartoe behoeft papa meer of langer

in onrust te zijn dan noodzakelijk is. Doch om zijnentwil

evenzeer, voelde ik mij verplicht je wel degelijk zelve te

schrijven. Mij te verliezen zou hem zwaar vallen. Je gevoelt

dat ik in geen geval zoo spreken zou indien wij--al ware het op

een paar uren afstand--een goeden dokter hadden. Biermans, die

onlangs Loovers kindje als klierachtig behandelde, totdat jij,

er bijgeroepen, verklaarde dat het een hersenontsteking was,

die man is òf afgeleefd òf nooit te vertrouwen geweest. Stel je

waarlijk eenig belang in je zusje, August, keer dan aanstonds

terug; ik zal je die liefde duizendmaal trachten te vergelden;

maar ook, lieve broeder, laat in 'shemelsnaam niet blijken

dat ik je zoo geschreven heb. Behandel mijn ziekte voor

't oog van papa maar luchtig, en geef als reden van die

overhaaste terugkomst op, dat er hier een ernstige zieke was,

die volstrekt onder je behandeling wilde zijn. Het treft in

zooverre gelukkig dat er juist zulk een zieke is, hoewel het

mij voor den armen sukkel spijt. Mijnheer Donerie is, zooals

ik vernam, na den dag van je trouwen weer veel erger geworden,

en om nu alles voor papa heel natuurlijk te maken, zal ik wel

zorgen dat Biermans bij mijnheer Donerie zijn congé krijgt,

of zelf verklaart een consult met je te wenschen. Och lieve

August, wat verlang ik naar je komst; stel het niet uit want

je ziet aan mijn schrift hoe ik beef van zwakte, en ik geloof

zeker dat jij me beter zult maken. Wist ik niet dat je liefde

voor je kleine zusje reeds voldoende zou zijn om je over

alle bezwaren te doen heenstappen, de kans om den Romphuizer

muziekmeester, den waarlijk niet ontalentvollen stumper, die

in de kerk nog zoo zijn best deed, meteen weer beter te maken,

die kans zou alleen reeds genoeg zijn om mijn geliefden broeder

tot een spoedige terugkomst te bewegen. Donerie's ziekte komt

in zooverre goed zegt pa, dat ik nu aan geen muziek kan doen.

"August, ik tel de uren, de minuten. De koorts verheft

zich.....

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 22 / 85 题