Jacoba Van Barneveld weet niet dat August en Eva zich reeds op hun
terugreis bevinden. Ze heeft uitgerekend dat er nog twaalf volle
dagen vóór hun thuiskomst moeten verloopen.
Op haar schrijftafel ligt een blad papier gereed. Ze moet August
schrijven. Ze heeft er eindelijk toe besloten. Nog wacht ze een
oogenblik ofschoon het reeds halfelf is, en de brieven voor Parijs
uiterlijk te één uur op het postkantoor moeten bezorgd zijn. Ja ze
kan nog even wachten. Hendrik zal immers zoo aanstonds uit de stad
terugkomen, want, behalve een boodschap bij de naaister, had hij
niets te doen dan even bij baas Krul naar Donerie te vragen.
Jacoba luistert. Ze meende iemand bij haar kamerdeur te hooren.... maar
ze heeft zich vergist.
--'t Is vreemd dat Hendrik zoo schrikkelijk lang uitblijft. Doch
neen, de pendule zegt haar dat hij nauwelijks twintig minuten geleden
vertrokken is.
Jacoba bladert in Longfellows gedichten. Dat mag een paar minuten
duren, maar dan, dan staat ze weer op. Zichtbaar onrustig gaat ze
naar de schrijftafel; een oogenblik later staat ze bij 't venster,
waardoor ze het uitzicht heeft op het prachtige landschap met den
zilveren Rijn; doch--geen seconde later is ze bij haar schrijftafel
terug, en neergegleden in den gemakkelijk ronden stoel die er vóór
staat, vat ze de pen om.... Maar neen, sneller dan ze zitten ging is
ze weer opgestaan, en gaat nu de kamer uit.
Aan 't eind van den breeden corridor kan ze door het venster op
't hek van den straatweg zien. Nú kon Hendrik toch wel terug zijn.
"Ben je daar Coba?" vraagt een dame van omstreeks zestig zomermaanden,
die uit de deur der groote groene logeerkamer op den corridor komt,
en reeds gekleed voor het tweede ontbijt zich met hoed en parasol
heeft gewapend om eerst nog een kleine wandeling op het boventerrein
van _De Zonsberg_ te doen.
"Ja tante. Hé, ik had u niet gezien."
"Wacht je iemand?"
"Hendrik zou inkt meebrengen tante. Hij blijft vreeselijk lang weg."
"Hé, inkt. Je pa heeft altijd een heel kruikje.... Was dat leeg
misschien? Wacht, er is nog wel wat op mijn kamer; je hebt zeker zoo
heel veel niet noodig?"
"Een paar velletjes tante."
"Velletjes?"
"O, ik meen.... Maar Hendrik zal wel dadelijk komen. Dank u tante."
"Coba-lief kom eens hier; wat scheelt er aan?"
"Mij tante!?"
"Ja lieve kind, kom jij nu eens eventjes hier bij tante op de
logeerkamer. Jawel, eens eventjes."
"Tante ik heb waarlijk geen tijd. Ik wacht op Hendrik, en ik moet me
nog kleeden ook."
"Ja maar zoolang Hendrik er nog niet is, kun je wel even bij tante
Hermine komen niewaar? We hebben uit mijn kamer juist het oog op het
hek aan den straatweg. Voel je je weer niet zoo fiks Coba?"
"Jawel tante, ik voelde me juist van morgen weer heel flink."
"Och kom, is dat waarlijk zoo? Ik dacht dat je het maar aan je pa
zei om hem gerust te stellen. Je bent toch erg bleek, lieve kind."
"Vindt u tante; ik ben _altijd_ bleek, dat is mijn natuurlijke kleur."
"Ja maar Coba, je oogen staan waarlijk een beetje flets. Papa merkte
het gelukkig niet, maar ik kon wel zien dat je geschreid hadt toen
je van morgen beneden kwaamt."
"Geschreid! ik!? Lieve hemel tante, geschreid! ik zou niet weten
waarom."
"Nee ik ook niet Coba. Wie zou gelooven kunnen dat een meisje, dat
zoo alles en alles heeft, en krijgen kan wat ze begeert, reden zou
hebben om te schreien, maar...."
"'t Zou bespottelijk zijn tante."
Na dit gezegd te hebben wendt Jacoba zich van haar tante af en gaat
weer haastig naar de deur.
"Jacoba hoor eens."
"Riept u?"
"Ja beste kind, kom nog eens even hier.--Zou je me een groot genoegen
willen doen?"
"Als ik kan, zeker!"
Mevrouw Mansburg vat Jacoba's fijne hand, en haar vriendelijk aanziende
zegt ze zeer overredend:
"Och, dan wou ik zoo graag dat je tante eens je vertrouwen schonkt. Er
is iets dat je hindert. Jawel Coba; een vrouw van jaren en ondervinding
zooals ik, ziet scherper dan een man, al is hij ook tienmaal een vader
zooals je beste pa.--Je pa maakt zich erg ongerust over je gezondheid,
veel meer dan hij weten wil."
"Maar ik verzeker u dat hij vandaag heel gerust is tante. Nadat ik
gisteren zoo trouw ingenomen en van nacht zoo heerlijk geslapen heb,
moest ik mij wel beter gevoelen. Ik heb het pa plechtig verzekerd,
want ook hij heeft me in 't verhoor genomen."
"Heb je waarlijk _waarlijk_ zoo heerlijk geslapen Coba?"
"Tante, ik vind het erg verdrietig en compleet om iemand ziek te maken
als men zich wél gevoelt, en iedereen ons dan telkens wil opdringen dat
we slecht geslapen hebben, er slecht uitzien en zekerlijk ziek zijn. Er
zijn immers voorbeelden van dat men gezonde maar aantrekkelijke
personen zóó een ziekte op 't lijf heeft gepraat.--Ik vind u waarlijk
heel lief tante, en ik hou ook heel veel van u, maar u moest mij heusch
niet altijd zoo vragen, en--zooals u gisteren en van morgen telkens
deedt--mij zoo van terzijde zitten aankijken. Ja ik weet wel dat het
belangstelling is, maar ik voel dat het mij bepaald kwaad zou doen."
Mevrouw Mansburg begrijpt nu dat ze een krasse wending moet wagen om in
't belang van dat bleeke kind haar vertrouwde te worden:
"Op gevaar af dat je me lastig zult noemen, beantwoord mij deze ééne
vraag: Is er iemand op de wereld dien je liever hebt dan papa?"
Of Jacoba op iets dergelijks heeft gerekend, althans haar gelaat
teekent geen de minste ontroering.
"Dat is een zonderlinge vraag tante. Nee, zekerlijk is er niemand
dien ik _zóó_ liefheb als mijn besten vader.--Ha daar komt Hendrik
het hek in! Tot straks tante; bonjour!"
Mevrouw Mansburg heeft haar doel niet bereikt. Twee dagen na Helmonds
huwelijk kwam ze bij haar broeder Van Barneveld op _De Zonsberg_
logeeren. Aanstonds heeft het haar getroffen zoo zwak en lijdend als
Coba er uitzag; en, aanstonds had zij tevens Van Barnevelds onrust
bemerkt, hoezeer hij die ook te verbergen zocht. En, zij heeft die
onrust gedeeld, vooral den dag na haar aankomst, toen Jacoba--nadat
men onder het theedrinken tamelijk druk over August en zijn jonge
vrouw had gesproken--een soort van flauwte heeft gekregen met
een zonderling benauwde ademhaling. Ofschoon mevrouw Mansburg die
plotselinge ongesteldheid volstrekt niet voor gevaarlijk hield, en
haar ondervinding schier dezelfde verklaring gaf als vroeger dokter
Helmond heeft gegeven, zoo moest zij op Van Barnevelds krachtige maar
wellicht slechts uitlokkende verzekering: dat het volstrekt _niets_
te beteekenen had, toch opmerken, dat Alexander het niet al te licht
moest tellen, want--mevrouw sprak wel eens in beelden--dat er nooit
een deur van zelf dichtging; was er geen hand die het deed dan deed
het een tocht of rukwind misschien.
't Is reeds bekend dat Van Barnevelds heimelijke onrust, door de
herhaling dier zenuw-attaque, en waarschijnlijk door het advies
van zijne schoonzuster, aanmerkelijk was toegenomen; en, hoewel met
tegenzin, heeft hij op het vragen der zuster langer over dat punt
gesproken dan hem lief is geweest. 't Was zeer verklaarbaar dat hij
mede de onderstelling heeft herhaald, of ook Helmonds huwelijk eenigen
invloed op Coba's zenuwgestel kon hebben uitgeoefend. Ofschoon Coba
bijna tien jaren jonger was dan hij, zoo waren ze toch, vóórdat August
naar de academie ging, in Van Barnevelds huis als kinderen te zamen
geweest. August hield bijzonder veel van zijn "klein bleekneusje;" en
later als hij met vacanties over was, o wat kon hij haar dan mokkelen
de aardige speelpop, het achtjarige zusje; rijden met haar op zijn knie
de heele wereld rond, of straks op den rug door het gansche huis--en
't was een groot mooi huis in Den Haag--naar boven, de breede trappen
op, al de kamers door, van de eene in de andere, de trappen weer af,
totdat hij er doodmoe bij neerviel.
Ook later heeft August altijd getoond dat hij veel van Coba hield. Toen
Helmond dokter te Romphuizen is geworden, en Van Barneveld daarna
op _De Zonsberg_ kwam wonen, ging Helmond--vooral in den beginne,
toen de praktijk niet zoo druk liep--er heel veel heen. Natuurlijk
is dat later wel iets verminderd, maar geregeld kwam hij er toch een
paar malen 's weeks dineeren, en, dan hadden die twee het altijd
druk, zóó zelfs dat papa wel eens tweemaal aan "zijn partijtje"
moest herinneren, want, van kwart over achten tot halftien speelde
de generaal graag een ombertje en famille.
Ja, Coba hield veel van broeder August.--En, in de laatste twee jaren
is er bovendien veel gebeurd. In die sombere dagen toen Philip door
zijn schandelijk gedrag den oom en weldoener zulk een smaad had
aangedaan, toen heeft haar zenuwgestel een sterken schok gekregen.
Van Barneveld wil het niet ontkennen dat hij Jacoba's voorspraak toen
wel wat ruw heeft afgewezen. 't Is den eenigen keer geweest dat hij
zijn kind harde woorden heeft toegevoegd, maar ze moest het gevoelen,
dat de generaal Van Barneveld, van elk ander dan zijn pleegkind,
bloed zou hebben geëischt voor zulk een smaad, en gevoelen ook dat
men door het zoeken van zijn minderen, zooals Philip had gedaan met
dat trouwen ver beneden zijn stand, tot alles instaat raakt, zelfs
tot het verguizen, het beleedigen van hen aan wie men het meest
is verschuldigd.
Jacoba heeft het begrepen; maar dat ze bij die droeve gebeurtenis
alweder aan de zij van broeder August heeft gestaan, en niet eerder dan
hij heeft willen berusten in het harde vonnis, 'twelk haar vader over
Philip had uitgesproken, het pleitte opnieuw voor de genegenheid,
die zij haar pleegbroeder toedroeg en de waarde die ze aan zijn
zienswijze hechtte.
En dan, is Coba niet telkens weer zijn krachtige voorspraak geweest,
wanneer de vader haar--en misschien wat al te veel--met zijn grieven
over het huwelijk van August had lastiggevallen? Ja, Helmonds keuze
heeft hem in den aanvang zeer gehinderd. Een oogenblik zelfs was het
voornemen bij hem opgekomen om zijn toestemming te weigeren--voor
zooverre die weigering beteekenis had,--en Jacoba zal er onder
hebben geleden zooals zij telkens Helmonds voorspraak heeft moeten
zijn. Immers, August had haar gezegd dat hij zoo onuitsprekelijk veel
van Eva Armelo hield, en toch de liefde van zijn braven pleegvader
zoo noode verliezen zou. Al wat ze kon heeft ze gedaan om haar vader
met dat huwelijk te verzoenen. Ze heeft er aan herinnerd dat Eva's
ouders, ofschoon ze van geringe afkomst waren, toch nu, door den
rang van mijnheer, tot den "fatsoenlijken stand" behoorden; ze heeft
de omstandigheid dat de kapitein om bijzondere redenen zoo vroeg is
gepensioneerd,--redenen die Van Barneveld kende--weten te vergoelijken,
door er op te wijzen hoe men nu--en zelfs in Romphuizen--er toch nooit
meer van hoorde dat de familie en vooral mevrouw Armelo, dépenses
maakte, die haar krachten te boven gingen. Wat Eva betrof, Jacoba
heeft haar zeer geroemd, althans voor zooveel ze dat kon. Ze was
zoo schoon, ze had zulk een slank figuur, zulk glanzend zwart haar,
en daarbij zulke mooie donkerblauwe oogen. Wat speelde ze prachtig
en wat zong ze overheerlijk!
Welnu, papa Van Barneveld heeft dan immers ook toegegeven. August moest
het weten. In den aanvang had hij hem wel zijn bedenkingen gemaakt,
en hem volgens zijn overtuiging, op de zwakke zij van Eva's karakter
gewezen, maar--men weet het--ten laatste heeft hij toch "zooveel
mogelijk het zijne gedaan om de onderlinge vrede en liefde te bewaren".
Inderdaad, er is genoeg geweest om een teeder gestel als dat van
Jacoba te ondermijnen. En wanneer men nu Coba's zusterlijk gevoel
voor August in rekening brengt, dewijl het toch vanzelf spreekt dat
Helmond veel minder dan vroeger op _De Zonsberg_ zal kunnen zijn, en
althans niet meer onverdeeld zooals vroeger, dan meent de generaal
wel grond te hebben voor zijn overtuiging, dat dit huwelijk bij
Jacoba zwaarder heeft gewogen dan hij het zich heeft voorgesteld, en
dat het zijn plicht zal wezen om, zoodra August en Eva terug zullen
komen--ofschoon met verstand, en steeds tegenover Helmonds vrouw met
de leuze: "eenvoud en zuinigheid"--het veelvuldig samenzijn, vooral
ter wille van Coba, zooveel mogelijk te bevorderen.
Driemaal achtereen heeft mevrouw Mansburg, na een veelbeteekenend
ophalen van de wenkbrauwen, dat laatste besluit van haar zwager met een
"Ja maar!" beantwoord, en ze dacht er bij: Mijn goede Van Barneveld,
al ben je misschien een man die alleen door de juistheid van je blik
de sterkste vesting zoudt nemen of een overmachtig leger verslaan,
het vrouwenhart doorzie je _niet_!
_Ja maar_! er kon iets anders zijn. Er kon iets anders leven in Coba's
boezem! En, 'tgeen mevrouw niet heeft uitgesproken, dat heeft Van
Barneveld toch aanstonds moeten raden;
--Hoe, wat! zou zoo iets mogelijk wezen....!?
En zuster Hermine heeft nogmaals zeer sterk, zoowel haar schouders
als wenkbrauwen naar boven getrokken. En, zij zou er zekerheid van
hebben, dat beloofde ze vast. Maar inweerwil van haar goede bedoeling,
en inweerwil van haar tact, mevrouw Mansburg heeft nóg geen zekerheid
gekregen, ofschoon ze er "des ondanks" nog zekerder van is dan den
vorigen dag.
"Welke boodschap heb je?" roept Jacoba den knecht toe die naar
boven komt.
Hendrik wipt snel eenige trappen hooger en zegt dan:
"Compliment, nog hetzelfde juffrouw."
"Ik meen van de naaister?"
"O, dat ze zorgen zou dat het naar uw zin zou wezen juffrouw."
"En van de zij? En zou ze het vooral netjes doen?"
"O, zij had ze genoeg, en jawel, de juffrouw zou heel tevreden zijn."
"Heb je de taf?"
"Jawel juffrouw.--Alsjeblief."
"Best Hendrik!"--In het teruggaan zich even omwendend: "Niets beter
met mijnheer Donerie?"
Hendrik, in 't naar beneden gaan stilstaande en omziende: "Nee
juffrouw; 'tzelfde; eer minder, was de boodschap."
"Zoo!"
Op haar kamer gekomen sluit Jacoba de deur zeer zachtjes van binnen
op het slot.
Van haar waschtafel neemt ze den flacon; doet een overvloedigen
scheut eau de cologne in het water, dat ze zich in de waschkom heeft
geschonken; dompelt er haar polsen in, en verfrischt daarna drie,
vier keeren haar hoofd.
Nu zit ze weder voor haar papier. Een wijle tuurt ze op de kleine buste
van Mendelssohn--in wiens trekken ze steeds een zekere overeenkomst
met hem.... meent te zien; en dan, na een paar malen de pen te
hebben opgenomen en weer weggeworpen; na nogmaals te zijn opgestaan,
en ginder eenige oogenblikken op den stoel bij het venster te hebben
gezeten, neemt ze eindelijk weer plaats voor het papier, en schrijft
met bevende hand:
"Beste August!
"Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren
vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig
uur. O, waarom heb ik niet gesproken toen je mij op dien avond
zoo deelnemend ondervroegt. Ik wist toen reeds wat ik vreezen
moest, maar kon niet denken dat mijn gevoel op zulk een harde
proef zou worden gesteld. Och waarom moest ik huichelen;
waarom je verbergen wat mij verteert...."
--Verbergen wat mij verteert? Hoe is het mogelijk dat deze woorden aan
mijn pen zijn ontsnapt, denkt Jacoba; en dan, nadat ze de geschreven
regels heeft herlezen:
--Nee, dat alles is bespottelijk; dat mag en dat kan zoo niet. Het
papier wordt nu ijlings door midden gescheurd; en, op een ander
blaadje schrijft ze:
"August!
"Bij papa's letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen
dat ik mij, ofschoon zelve best in orde, zeer ernstig ongerust
maak...."
--Maar dit kan evenmin blijven. Neen, ook August mag niet weten,
niet vermoeden zelfs....
Weder staart Jacoba eenige oogenblikken in gedachten op Mendelssohns
buste, terwijl ze het geschrevene in kleine stukjes scheurt.
--Ha! die inval komt als een lichtstraal. Ja, dát heeft haar
wel voor den geest geschemerd, maar nu eensklaps is het helder
geworden. Nogmaals neemt ze een ander blaadje en schrijft dan snel:
"Lieve August!
"Bij papa's letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen
dat ik mij ernstiger ongesteld gevoel dan ik hem bekennen
wil. Herhaalde flauwtes, binnenkoortsen en slapelooze nachten
doen mij vreezen dat ik binnenkort onherstelbaar wezen zal
indien, ja August, indien je niet spoedig terugkomt en mij
behandelt zooals je dat voornemens waart. Om papa niet ongerust
te maken heb ik hem gezegd dat ik mij zelfs beter gevoelde
dan vóór je vertrek, en hem uit het hoofd gepraat om je over
mij te schrijven, zooals hij een oogenblik van plan scheen,
ten einde je te kennen te geven dat een spoediger terugkomst
hem aangenaam wezen zou. Waartoe behoeft papa meer of langer
in onrust te zijn dan noodzakelijk is. Doch om zijnentwil
evenzeer, voelde ik mij verplicht je wel degelijk zelve te
schrijven. Mij te verliezen zou hem zwaar vallen. Je gevoelt
dat ik in geen geval zoo spreken zou indien wij--al ware het op
een paar uren afstand--een goeden dokter hadden. Biermans, die
onlangs Loovers kindje als klierachtig behandelde, totdat jij,
er bijgeroepen, verklaarde dat het een hersenontsteking was,
die man is òf afgeleefd òf nooit te vertrouwen geweest. Stel je
waarlijk eenig belang in je zusje, August, keer dan aanstonds
terug; ik zal je die liefde duizendmaal trachten te vergelden;
maar ook, lieve broeder, laat in 'shemelsnaam niet blijken
dat ik je zoo geschreven heb. Behandel mijn ziekte voor
't oog van papa maar luchtig, en geef als reden van die
overhaaste terugkomst op, dat er hier een ernstige zieke was,
die volstrekt onder je behandeling wilde zijn. Het treft in
zooverre gelukkig dat er juist zulk een zieke is, hoewel het
mij voor den armen sukkel spijt. Mijnheer Donerie is, zooals
ik vernam, na den dag van je trouwen weer veel erger geworden,
en om nu alles voor papa heel natuurlijk te maken, zal ik wel
zorgen dat Biermans bij mijnheer Donerie zijn congé krijgt,
of zelf verklaart een consult met je te wenschen. Och lieve
August, wat verlang ik naar je komst; stel het niet uit want
je ziet aan mijn schrift hoe ik beef van zwakte, en ik geloof
zeker dat jij me beter zult maken. Wist ik niet dat je liefde
voor je kleine zusje reeds voldoende zou zijn om je over
alle bezwaren te doen heenstappen, de kans om den Romphuizer
muziekmeester, den waarlijk niet ontalentvollen stumper, die
in de kerk nog zoo zijn best deed, meteen weer beter te maken,
die kans zou alleen reeds genoeg zijn om mijn geliefden broeder
tot een spoedige terugkomst te bewegen. Donerie's ziekte komt
in zooverre goed zegt pa, dat ik nu aan geen muziek kan doen.
"August, ik tel de uren, de minuten. De koorts verheft
zich.....