Van Hake."

Neen, Helmond mocht niet dralen.--Oom Van Barneveld maakte zich _zeer

bezorgd_ over Coba. Waarschijnlijk had zij opnieuw een flauwte gehad

zooals weinige dagen voor hun vertrek. Zijn plicht, zijn dankbaarheid,

zijn liefde voor oom en Coba roepen hem, ja, al ware het zelfs dat

oom zich zonder gegronde reden ongerust maakte, Helmonds besluit is

genomen: morgen keert hij met Eva zoo spoedig mogelijk naar Romphuizen

terug. Maar.... dat engelachtige vrouwtje; dat heerlijke schepsel met

haar hemelsch donkerblauwe kijkers, met die glanzig zwarte lokken;

dat lieve kind, zoo levenslustig keuvelend aan zijn zij, en zich

verheugend op het genoegen, dat haar nog verder in de wereldstad

wacht.... kan hij haar nú reeds zeggen....?

--En toch, het zal zoo moeten zijn. Wanneer men morgen met den

_eersten_ trein naar Brussel zal vertrekken, dan dienen de koffers

dezen avond zooveel mogelijk in orde gebracht, en de afreize aan het

dienstdoend hôtelpersoneel te worden bekend gemaakt.

"Eva, als we nu, op 't toppunt van ons geluk, eens door een onvoorziene

omstandigheid van elkander werden gescheiden....?"

Eva schrikt inderdaad; maar toch, met een ongeloovig lachje zegt ze:

"August, wat meen je?"

"Heb je goed gevoeld best wijfje, wat dat wezen zou, zoo'n scheiding!?"

"August, spreek zoo niet; ik zou er duizelig van worden."

"Je begrijpt wel lieve dat ik het zóó niet zou gezegd hebben als er

eenige quaestie van wezen kon."

"O Goddank!" zegt Eva, en Helmond ziet een paar groote tranen

schitteren in haar oogen: "Foei, je rekent wat veel op de sterkte

van mijn zenuwen. Wij scheiden!--Wij? Nee dát nooit. Dan liever

sterven August!"

"Dus als ik morgen eens ter wille van een patiënt naar Romphuizen terug

moest, dan ging je mee niewaar, liever dan alleen hier te blijven?"

Er zijn naturen die bij het zien van een groot gevaar--na een eerste

en verklaarbare ontsteltenis--zich krachtig gevoelen; die op den

brullenden leeuw zouden inhouwen, doch--angstig wijken, wanneer

diezelfde leeuw zich eensklaps in een muis veranderen kon.

Helmond ziet Eva wit worden.

Na zijn laatste woorden had zij aanstonds het ontvangen telegram in

verband met het gesprokene gebracht. Ze doorziet nu zijn bedoeling

om haar, door een voorstelling van het ergste, voor te bereiden op

geringer leed of teleurstelling; en, in den waan dat August haar

omtrent Kartenglimp de waarheid verzweeg, zegt ze eensklaps, met het

hoofd een weinig naar achter:

"Zou 't mogelijk wezen dat tóch die majoor....!"

"Nee lieve vrouwtje, dat niet; ik heb het immers gezegd. Maar ja,

hoe allerverdrietigst en ongelukkig het moge treffen, toch moeten

we morgen...."

"Moeten! August, je spot er mee. Naar Romphuizen moeten! nú, morgen

al! Nee, dat is niet waar! Nee nee, dat is gekheid; ik zie het wel aan

je gezicht, je wilt me weer in 't nauw jagen. Je speelt de Fransche

acteurs al prachtig na." Luide lachend: "Morgen eerst naar 't Grand

Hotel en dan naar Versailles niewaar? dat is wat anders, mijn ondeugd!"

"'t Zou me waarlijk niets helpen lieve kind, wanneer ik je nog een

poosje in die meening liet. 't Kost me meer dan ik zeggen kan mijn

besluit te moeten volgen."

"Maar dat zou een _dol_, een _akelig_ besluit zijn! Hoor eens, dat

kan niet; nee nee nee, dat kan en dat mag niet!" Bijna schreiend:

"Voor iemand die misschien wat kou heeft gevat.... om daarvoor.... Nee,

we zullen niet gaan niewaar? Zeg, zou je me zoo'n schrikkelijk verdriet

doen, zeg?"

"Wijfjelief! hou je _wezenlijk_ van me? Herinner je je alles wat je

me plechtig beloofd hebt?"

"Ach ja August, ja! maar we gaan toch _morgen_ nog niet!" En of de

bron die slechts zelden vliette nu gemakkelijker vloeide, dewijl zich

straks, na die eerste stoute aanspraak, een paar groote tranen op den

dorpel der schoone oogen hebben vertoond, zeker is het dat ze thans

overvloedig stroomen, doch het zijn nu kleine, zeer _kleine_ tranen.

't Was een harde beproeving voor den jongen man; maar Eva's schreien,

haar vleiend vragen, ja bijna haar smeeken, baatte niet. Boven alles

gevoelde hij zijn plicht. Ware misschien een zijner gewone patiënten

ongesteld geworden, en had men er zelfs "om zeer bijzondere redenen"

op aangedrongen dat hij zijn reis zou bekorten, hij zou, evenals met

den majoor, volkomen vrijheid hebben gevonden om niet _aanstonds_

toe te geven aan een verlangen, vaak kranker dan het lichaam zelf.

Doch, waar het een zieke gold als Jacoba, de eenige dochter van zijn

weldoener, waar hij dien weldoener ondanks zijn gewone minachting voor

de geneeskunst en warsheid van medicijnen, nu _zelf_, maar zeker in

't geheim, zag sluipen naar de apotheek om er een geringe afleiding

te vinden voor de onrust die hem vervulde; nu Helmond weet dat de man

aan wien hij alles is verschuldigd, misschien de uren en minuten telt

die er nog moeten verloopen eer hij den neef "weer zoo eens terloops"

zal kunnen consulteeren; nu is er geen macht instaat om hem terug te

houden, en zelfs hebben die _kleine_ tranen geen vat op hem.

Halt! dat is zoo niet. Ze kwellen, ja ze folteren hem, al zullen ze het

vast genomen besluit niet meer doen wankelen. Wat hem hindert bovenal,

't is de koelheid waarmede dat anders zoo aanminnige vrouwtje hem

nu bejegent.

Maar Eva heeft toch reden ook. Hij laadt, bij de verdenking eener

ongemotiveerde tirannie, nog het verwijt van achterhoudendheid op zich,

door volstandig te weigeren haar het telegram te laten lezen, ja zelfs

door haar niet te zeggen wie de patiënt is, die zijn hulp verwacht.

Neen, haar ouders zijn het niet, noch haar zuster Louise; maar voor 't

overige moet zij niet vragen.--Helmond beseft terecht, dat het noemen

van Jacoba en den generaal, de grief tegen den laatste plotseling zal

doen herleven, en misschien een weerzin tegen hem verwekken, die niet

meer zoo gemakkelijk te, overwinnen zal zijn. Later, als hij haar door

't een en ander met deze teleurstelling zal verzoend hebben, dan zal

hij haar volkomen doen begrijpen dat het niet anders wezen kon, terwijl

zij, indien ze nú het telegram had gelezen, ongetwijfeld Helmonds

spoedig vertrek een dwaasheid zou noemen. Immers, met dat bericht in

handen kon men Van Hake gemakkelijk van overdreven ijver beschuldigen.

Hoe 't zij, Helmond weet wat hem te doen staat, en zijn besluit is

onwrikbaar vast genomen.

De bougies, die in het Hotel du Helder niet dagelijks werden vernieuwd,

teerden op haar laatste kracht en hadden Helmond reeds genoopt om

het was-nachtlicht te ontsteken.

Terwijl ze zich ontkleedde, heeft Eva niet meer gesproken of

geschreid, maar August kon zeer goed bemerken dat zijn vrouwtje het

onherroepelijke van zijn besluit had ingezien, dewijl ze, ofschoon

met weerzin, meer zorg aan het inpakken van haar koffer besteedde

dan ze zich had voorgenomen.

Terwijl ze nog in den koffer bezig is, en over den tweeden hoog

opgevulden bak een witten doek spreidt, is Helmond haar van achteren

genaderd, en den arm om haar middel slaande fluistert hij een paar

zoete woorden.

"Stil, laat me nu pakken Helmond; ik moet op bevel van mijnheer

immers morgen klaar zijn. Och wees nu niet zoo lief en aanhalig;

ik vind dat ronduit gezegd in deze oogenblikken laf en ongepast."

"Maar Eva, je gelooft toch...."

"Ik geloof Helmond, dat alle menschen hun gebreken hebben, maar dat

jij in 't bijzonder er één hebt dat onuitstaanbaar is voor een vrouw:

despotisme! geweld! ruwe kracht! onuitstaanbaar!"

"Ik geloof dat je gelijk hebt Eva, tenminste dat het er allen schijn

van heeft."

"Nee--haal me niet aan.--Zeg, _gaan_ we morgen of blijven we hier?"

"We _gaan_ Eva, zeker!--Maar luister dan toch. Als het nu werkelijk

mijn plicht is...."

"Je plicht! jawel, _plicht_, basta!"

"Zou het niet jou plicht zijn Eva--nee, je bepaalde _wil_ om aanstonds

te vertrekken, als een van je ouders stervende was?"

"Maar dat is nu zoo niet; en, ware mij zoo iets gemeld ik zou het

je _zeggen_. Voor mij is 't echter genoeg dat Mijnheer _beveelt_

te gaan. Maar als hij dan aan zijn eigen vrouw de reden blieft te

verzwijgen, waarom dat fatale besluit wordt genomen; wanneer hij

zijn vrouw alle verstand ontzegt, en haar niet waardig acht om over

't geldige van dien plicht te oordeelen; wanneer het bewaren van de

goede verstandhouding, het één zijn in alles, reeds op den zesden

dag van 't huwelijk zoo prachtig wordt nageleefd, dan...."

"Eva, ik heb je gezegd dat de schijn tegen mij is; en ofschoon het

waarlijk beter zou wezen dat ik zweeg, om je te toonen dat ik 't

allerminst voor mijn wijfje een tiran of een despoot wil zijn--och

je weet dat ook wel beter--zie dan hier; mij dunkt de drie laatste

woorden van Van Hake's telegram zullen je doen gevoelen dat er reden

genoeg is om nu te vertrekken, en een langer verblijf in Parijs eens

tot later uit te stellen."

Terwijl Eva het _tot later uitstellen_ met een ongeloovig

schouderophalen beantwoordt, toont Helmond haar het omgevouwen

telegram.

Maar het sprak vanzelf dat Eva haar hoofd houdt afgewend: ze behoefde

nu volstrekt geen opheldering meer. August kwam er een beetje al te

laat mee. Trachtte hij nu door zulk een halfheid haar liefkozingen

te herwinnen!

"Dankje Helmond; dankje wel. 't Is me nu totaal onverschillig."

"Maar Eva, als je me waarlijk liefhebt, lees dan, en oordeel of dit

laatste niet reeds genoeg is."

Met zachten dwang doet hij haar het hoofd naar de zij van het papier

wenden, en, ofschoon nog onwillig leest Eva nu de woorden:

"Donerie dangereusement malade!"

Een vuurrood overtoog eensklaps haar schoon gelaat. Ze gist zelfs van

verre niet dat zij omtrent de ware reden van hun aanstaand vertrek door

Helmond op een dwaalspoor is gebracht. Ze denkt er niet aan--ofschoon

ze het weten kon--dat Donerie een ander tot dokter had.

In de eerste oogenblikken staat haar slechts die gevaarlijk zieke

jonkman voor den geest, en dan, dan ziet ze daar Helmond aan haar

zij: In haar blos heeft hij toch niets kunnen lezen--neen, want

slechts een voorbijgaand medelijden, een plotselinge ontsteltenis,

de verrassing heeft haar dat rood op de wangen gelegd. En, nu vlijt

ze zich weder aan zijn borst, en als hij haar vaster aan het hart

sluit dan fluistert hij:

"Dat blosje heeft me genoeg gezegd. O lief meelijdend wezen, als je

nu altijd maar gelooven wilt dat ik geen tiran ben...."

"Stil August, stil, niets meer! Mijn lieve man _kent_ zijn plicht en

ik nu den mijne!"

's Anderendaags reeds vroeg in den morgen verliet een fiacre met de

koffers van Nº. 59 erop, het Hotel du Helder.

De eerste garçon die zooeven in de porte-cochèro zijn gelaat tot

een recommandatiekaart verwerkte, en meesterlijk uitdrukte dat

het vertrek der beide gasten zoowel voor zijn persoon als voor het

hôtel een onherstelbaar verlies zou wezen, de garçon herinnert den

commissionair die, bij het wegrollen der fiacre zich er aan vast

klemt en op den bok springt, nog haastig: "Rue Lafayette vingtsix,

Bassot bijoutier-joaillier;" waarna hij in het hôtel terugkeerend,

den half duttenden portier voorbijgaat, en dan met een wenk van het

hoofd naar buiten:

"Ça vaut la peine Gérard! Belle hollandaise!" en, rammelend met een

paar vijffrankstukken in den zak: "Coquin de mari! C'est monsieur

Bassot qui rira le dernier, hein!"

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 21 / 85 题