Terwijl Eva den brief aan haar ouders sluit, herleest Helmond vluchtig
het slot van 'tgeen hij aan oom Van Barneveld heeft geschreven.
"....Wat mijn lief wijfje betreft, zij is den ganschen dag in
verrukking. 't Spreekt vanzelf dat de smaak eener jonge vrouw van
nauwelijks twintig lentes nog al uiteenloopt met dien van een dertiger,
wiens lust het zou wezen om behalve in de Keizerlijke Bibliotheek eens
een paar dagen in het Anatomisch Museum te snuffelen, of wel eenige
hospitalen te bezoeken en de klinieken van Raspail of Nélaton te gaan
bijwonen. Nooit in mijn leven heb ik er echter zooveel genoegen in
gevonden om mijn eigen wenschen voor die van een ander te vergeten
als nu. Maar ook, wat mij vroeger onbeduidend toescheen, ik leer het
aan Eva's zij als voortbrengsels van smaak en industrie, ja soms als
kunst waardeeren.--Zeker geloof ik, lieve oom, dat de omgang met een
vrouw die een open oog heeft voor het schoone--zelfs voor het schoone
dat wij beuzelachtig noemen--zeer weldadig moet werken op een man
die zich zooals ik, gewoonlijk slechts in den poel der menschelijke
kwalen en ellenden, van het boekenstof kan ontdoen.
"Er is iets onverklaarbaar liefs in die ingenomenheid van mijn goed
vrouwtje met al het fraais en kostbaars 'twelk ze ziet, zonder het
echter voor zich zelve te begeeren.
"Hoe langer hoe meer kom ik tot de overtuiging, dat, zoo Eva haar
zwakke zijde heeft, die zwakheid haar grond vindt in den adel harer
ziel: de zucht naar hooger en beter, de zucht naar volkomenheid. 't
Is dan immers alleszins verklaarbaar dat de jonge vrouw bij haar edel
streven--nochtans gebonden aan een stoffelijke wereld--ook te eerder
een oogenblik zal stilstaan bij 'tgeen haar in dat stof als edel en
volkomener toeblinkt. Hoe diep-gevoelig en lief zij is, het bleek
mij nog gisteren toen zij op den Boulevard des Italiens, zeer nabij
ons hotel, een schreiend meisje aansprak, en, vernemende dat het een
frank had verloren, haar met zich naar het hôtel nam; haar op chocolade
tracteerde, en met een vijffrankstuk weer vertrekken liet. In stilte
vreesde ik wel dat de bruinoog op een anderen Boulevard, straks nóg
eens over 't verlies van een geldstuk zou gaan schreien, maar de daad
van mijn engel was er mij niet te minder om, en met mijn vermoeden
kwelde ik haar niet. Ik bid u dan, beste oom, blijf mijn grootsten
schat liefhebben zooals zij 't verdient.--De ondervinding heeft ons
immers met mijn armen broeder geleerd, dat een _geringschatting_ van
de eischen aan zijn stand verschuldigd, niet tot zegen leidt.--Eva
heeft u lief als een dochter. Met beminnelijke eenvoudigheid heeft zij
mij daarvan op den avond van ons huwelijk de verzekering gegeven. Zóó
moet het zijn en blijven. En terwijl Eva mijn goeden oom en weldoener
hoe langer hoe meer zal hoogachten en liefhebben, zal ook oom van
zijn zijde al de innerlijke schoonheden van mijn kostelijke bloem
leeren ontdekken en waardeeren. Dat het Parijsche leven, hoeveel
schoons en aanlokkends het door zijn nieuwheid moge hebben, mijn Eva
op den duur zou bevallen, betwijfel ik zeer. Reeds gisteren bij het
verlaten van het Théâtre de la Gaieté, waar een prachtig gemonteerd
maar overigens horrible stuk was opgevoerd, zag ik haar onder een
indruk van kwalijk verborgen misnoegen; en ofschoon haar lief karakter
gaarne de verschoonende zij wil opmerken, zoo deelde zij toch geheel
mijn oordeel: dat zooveel rijkdom van mise-en-scène en toiletten aan
iets beters had behooren besteed te zijn."
Het besluit van den brief zou August maar niet nalezen. Men had geen
tijd te verliezen, en al spoedig zaten de gelieven in de gemakkelijke
open voiture de remise, en rolden en wielden ze langs de vroolijke
boulevards, te midden van de honderden op- en neerjagende rijtuigen,
karren, vrachtwagens en omnibussen, de laatste inzonderheid met de
ronde forsch gebouwde schimmels.
Eerst na middernacht keerden de jonge echtgenooten, die den avond
in de Fransche opera hadden doorgebracht, in hun logement terug. Bij
hun binnentreden werd Helmond, met den sleutel van n°. 59, door den
portier een telegram overhandigd, dat reeds op de trap--doch niet
zonder weerzin--door hem geopend werd.
"Alweer zaken lieve?" vroeg Eva, terwijl ze, vermoeid van den
heerlijken dag en het beklimmen van de veertig hoteltrappen tot
besluit, op een sofa is neergegleden.
"Ja.... kh'm.... 't is niets.... maar...."
"God August.... toch geen kwaad? Je doet me schrikken. Is pa of
ma....?"
"Nee nee nee! niemendal! Foei, een doktersvrouw moet
niet zoo schrikachtig zijn, beste kind. 't Heeft niets te
beteekenen. Tenminste...."
"Tenminste....?"
"Nu ja, tenminste.... 't Is over zaken, en de _zaken_ behoeven 't
vrouwtje niet te verontrusten."
"Als ze dan 't genot van mijn besten man ook maar niet
vergallen.--Zeker weer die nare majoor?"
"Nee Eva."
"O gelukkig! Nu, ik ben verder niets nieuwsgierig. Mijn knappe August
zal er wel komen zonder 't hoogwijs advies van zijn wijfje.--Ben ik
je lieve wijfje August?"
"Beste kind!" zegt August en hij streelt haar de wang.
--Maar August is toch erg onder den indruk van die zaken. Hij is zoo
verstrooid en ziet zoo.... nee boos is het niet, maar zoo ernstig. Zij
trekt hem zachtjes naast zich, en, met den arm om zijn hals, zegt ze:
"Wat heb ik weer genoten vandaag, en van avond vooral. Wat zongen
Faust en Mephisto overheerlijk. En Siebel's lied." Zij zingt:
"Faites lui mes aveux,
"Portes mez voeux."
"Ja, 't was alles heel mooi; en ne.... mooi weer was het ook."
"'t Is hier dunkt me _altijd_ mooi weer.--Zonder gekheid, ik begrijp me
haast niet hoe het er hier met _slecht_ weer moet uitzien. Hê August,
als jij _hier_ eens dokter waart! hê!--Ja, als ik geen familie in
Holland had dan zei ik dadelijk va! 't Is toch ongelijk verdeeld in de
wereld: hier zoo veel, en daar zoo niets! Weet je wat ik iederen avond,
inweerwil van al 't genot, zoo'n nare gedachte vind....? Niet?--Nou,
zeg dan eens behoorlijk _nee_, lieve ventje."
"Nee Eva, nee--wat dan?"
"Dat die dag alweer om is.--Van morgen schreef ik tien, en nu zijn
't nog maar negen dagen.--Dit is het laatste nachtje in onze rue
du Helder niewaar? Heerlijk, morgen Grand Hotel. Gaan we bijtijds,
of....? Mij dunkt we moesten nog vóór het dejeuner vertrekken."
"Ja.... welzeker, maar...."
"Je kijkt naar de koffers. O, in een kwartier is mijn boeltje er
in. Zoo'n hooge koffer met bakken pakt gemakkelijk, en 't hoeft
nu zoo mooi niet voor dat verhuizen. Aardig, wij _verhuizen_ in
_Parijs_! Aardig niewaar?"
"Heel aardig. Maar.... dat Grand Hotel.... Ik weet niet, dat Grand
Hotel, 't is...."
"Nee August, je moet me niet plagen. Beloofd is beloofd! Hoor eens, of
we nu hier zijn of daar, dat scheelt je tout au plus veertig franken;
we hebben het immers als ouwe luidjes berekend."
"Ja kindlief, dat weet ik wel; maar toch...."
August Helmond blijft nogmaals steken. Hoe kon hij die engel nu zoo
eensklaps als wegstooten uit den hemel van haar kinderlijk geluk. Zulk
een teleurstelling zal haar te kras zijn. Neen, hij kan en mag haar
dezen avond niet bedroeven met het bericht dat men inplaats van naar
het Grand Hotel te verhuizen, waarschijnlijk reeds morgen de terugreis
naar Nederland zal aannemen. Het telegram was weder van Van Hake,
en luidde, in 't Nederlandsch vertaald, woordelijk aldus:
"Generaal hier geweest; scheen zeer bezorgd over Jacoba. Wilde
in geen geval schrijven; een ander raadplegen veel minder;
vroeg mij een zenuwmiddel. Mocht mijnerzijds u niets
verzwijgen. Anders alles wel; behalve Donerie; gevaarlijk ziek.