Ofschoon dokter Helmond na de afgelegde bezoeken een drukkende
hoofdpijn had, zoo wilde hij toch daarom zijn reisplan niet wijzigen,
en vertrok nog dienzelfden middag met zijn Eva naar Rotterdam, om
den anderen morgen van daar de reis naar Frankrijks hoofdstad te
kunnen vervolgen.
Eva heeft als een lief en erg meelijdend vrouwtje, zoowel te Amsterdam
als later in den trein, en ook in hun logement te Rotterdam, al het
mogelijke gedaan om op hare beurt dien geliefden dokter eens spoedig
geheel weer beter te maken. Of het baten mocht of niet, ze heeft bijna
een fleschje eau de cologne op dat dierbare voorhoofd "verblazen."
Wat keek hij lief maar droevig als hij zoo'n pijn had, die goede
dóór en dóór edele August. Eva kon het niet laten om hem een paar
malen een zoen op die gesloten oogen te drukken, Wie zou, als hij,
zoo óvergoedhartig zijn geweest om bijna een geheelen dag van
die reis te willen opofferen, alleen--ja, want daarom is het toch
inderdaad geweest--alleen om in een Amsterdamsche achterbuurt, een
bezoek te brengen aan een jongeren broeder die zich allerinfaamst
gedragen had? Zeker mocht het een bewijs zijn van Helmonds overgroote
vergevingsgezindheid en bijna overdreven geringschatting van zich
zelven, dat hij de minste heeft willen wezen, en een lichtmis de
hand ter verzoening--ja wat méér zegt, zijn hulp en financieele
ondersteuning had aangeboden. Ofschoon August bij het terugkomen uit
dat huis haar nog gevraagd heeft, of ze er niet toe besluiten kon
om toch even binnen te gaan, en die menschen als broer en zuster te
begroeten, zoo heeft hij ook aanstonds moeten toestemmen, dat hij haar
aan zulk een ontmoeting toch niet wagen mocht.--Zij is niet trotsch of
hoogmoedig--of het moest op haar besten dokter wezen, want haar "beetje
schoonheid is nu immers haar eigendom niet meer,"--maar een vrouw, en
vooral een jonggehuwde vrouw, behoort haar weg met bedachtzaamheid te
kiezen en zeer omzichtig in de keus van haar gezelschap te zijn.--Die
woning in de Tuinstraat was er geen waarin Eva, zonder zeer in 't oog
te loopen, kon binnengaan. En dan, behalve een doldriftigen lichtmis,
zou zij er een vrouw vinden die--voortgekomen uit een der laagste en
"meest zedelooze" standen der maatschappij,--niet heeft geaarzeld om
met opoffering van haar eer, het ongeluk van een onnadenkend jonkman
te bewerken.--Nee, August heeft het aanstonds moeten erkennen dat
zijn jonge echtgenoote niet, als zuster, de vrouw kon omhelzen,
die reeds als meisje tot zulk een peil was gezonken.
Uit Helmonds weinige woorden heeft Eva wel kunnen opmaken dat
dit bezoek hem niet zoo aangenaam is geweest als hij het zich had
voorgesteld; en, ofschoon August beweerde dat ze het zich moest
verbeeld hebben, zij vergist zich niet dat ze bij hun wegrijden van
die woning, een man voor een der bovenvensters heeft bemerkt die,
met verwoede pikzwarte oogen naar beneden zag, en--zij meende het
zeker--een dreigende vuist hield opgeheven.
's Anderendaags mocht August in het Badhotel te Rotterdam verkwikt
ontwaken, en gevoelde hij zich met een helder hoofd en aan de zij
van zijn schoone nu weer lachende Eva, een geheel ander mensch.
--Wat hij ten opzichte van Philip heeft kunnen doen, dat heeft hij
gedaan. Die overtuiging wischt de droeve herinnering weg aan dien
eersten dag na het huwelijksfeest.--Indien Eva had kunnen besluiten
er binnen te gaan, dan... Maar neen, 't zou niet verstandig en
zelfs niet kiesch zijn geweest indien hij sterker daarop had
aangedrongen. Goddank, die storm is voorbij.
--Wat ziet zijn engel er lief en vroolijk uit, terwijl ze hem--bijna
ten afreize gereed--met een zoen de kleine reistasch om den schouder
hangt. En hij, hij sluit haar in zijn armen en zegt:
"Nu zal het dan ernst met Parijs worden mijn heerlijk vrouwtje." "Hadt
je mijn raad gevolgd lieve, dan ware we er al gisteren geweest;"
antwoordt Eva, terwijl ze half lachend met den vinger dreigt.
Maar hij:
"Toch is het zoo beter lief kind."
En Eva--of zij hem niet begreep:
"Ik ben tenminste maar blij dat die hoofdpijn verdwenen is."
Geen half uur later snelde het gelukkige echtpaar op de breede vleugels
van den stoom de vele genietingen te gemoet, die vooral het jonge
vrouwtje reeds van verre toelachten uit die heerlijke wereldstad.
Reeds twee volle dagen bevinden zich de echtgenooten te Parijs, en
ofschoon Eva vast aan haar ouders beloofde om al spoedig te zullen
schrijven, zoo is haar zulks tot nu toe onmogelijk geweest,--althans
zij beweert het--omdat ze bij haar aankomst in die groote stad terstond
bemerkte dat ze allereerst wat meer werk moest maken van een voegzamer
toilet, want met haar achterhoekschen hoed, haar ouderwetsch kapsel,
en laarsjes zonder hooge hakken moest ze er voor een Francaise wel
uitzien pour se pamer de rire.
Nu, na het ontbijt, terwijl August een paar regels aan Van Hake, en
een langen brief aan den generaal schrijft, zal Eva zich eindelijk
van haar kinderplicht kwijten. Haar pen vliegt over het papier:
"Hotel du Helder, Mai 18....
"Mes très-chers parents!
"Haast zou ik in 't Fransch vervolgd hebben, want men raakt er hier al
spoedig aan gewoon, maar ik weet dat u niet veel Fransch leest, en dus,
enfin!--Wij zijn sedert Vrijdag-avond in ons hotel rue du Helder, en
ik schrijf nu in de ontbijt- en eetzaal--die niet veel meer is dan een
langwerpige, tamelijk sombere roef zonder eenig uitzicht. Wanneer dit
begin u den indruk gaf dat ik hier niet op mijn aise zou zijn--nl. in
Parijs--dan zoudt ge u zeer vergissen. Ik vind het hier _dol_. O, als
men er niet geweest is dan kan men er zich geen begrip van vormen. 't
Leven heeft hier doorgaans iets van een heerlijken droom--iets wits,
blinkends: altijd ruimer, altijd hooger, altijd meer; ik weet het niet
anders uit te drukken.--Bij dat alles valt alleen ons hotel erg af. 't
Is een zoogenaamd deftig logement; en ofschoon ik erkennen moet dat
ik, om iets te noemen, onder al de Romphuizer jongelui er nooit een
zoo chic heb gezien als de garçons in ons hotel--en van den morgen
tot den avond,--zoo vind ik het logement zelf toch tamelijk somber,
en heb August bepraat om morgen naar het Grand Hotel te verhuizen,
waar men, voor weinige franken meer, het Parijsche hotelleven in
den volsten zin van 't woord geniet. Maar van dat alles vertel ik
u mondeling nader. Ook kan ik u geen verhaal doen van alles wat
wij reeds prachtigs bezichtigden; in den Baedeker dien we meenamen,
kunt u later alles lezen. In éen woord, ik vind het hier goddelijk! U
hebt geen denkbeeld van al de pracht van bijouteriën in de winkels en
vooral in die van het Palais-Royal. Een garnituur, broche en knoppen,
heb ik gezien.... nee maar heusch, u hebt er geen idee van. Voor een
aardigheid gingen we er eens in: Deux mille trois cent francs! 't Viel
me nog mee. Niet dat Helmond er over dacht; u kunt wel begrijpen dat,
al zou hij zoo iets een oogenblik in 't hoofd hebben gekregen, ik
't hem zeker afgeraden, ja zelfs zou verboden hebben. Wat zou ik met
zulk een garnituur in Romphuizen doen:
"De kerk Notre-Dame is ook beeldig, en vooral die miskleeren zijn
prachtig; zoo iets rijk geborduurds met goud en edelgesteenten, daar
hebt u geen begrip van. Gelukkig dat ik niet begeerig naar al die
luxe ben, want aan mijn August heb ik genoeg. O, u weet niet wat een
heerlijk leven ik met mijn lieven man heb. Hij is zoo goed. Letterlijk
zou hij alles doen om mij genoegen te geven; maar juist dáárom zoek
ik op mijn beurt uit te vinden wat hem het aangenaamst is en waar
hij het liefst heengaat. De Keizerlijke Bibliotheek en de Morgue daar
heeft hij echter op mijn verzoek van afgezien, omdat die bibliotheek
voor mij nu heelemaal niets was, en die Morgue zoo akelig is dat ik
er van droomen zou. Maar, om hém plezier te doen zijn we toch naar
de buitenplaats van Père Lachaise geweest. U weet dat dat het groote
Parijsche kerkhof is. Eerst had ik er _tegen_; want ik dacht fi! een
kerkhof op ons huwelijksreisje! Maar 't is niemendal akelig; 't viel
me tenminste vreeselijk mee. Ten eerste ligt dat kerkhof heel hoog en
veel rianter dan eenig kerkhof bij ons; maar ook door al de prachtige
mausoleums, de schoone beelden en bas-reliefs, de afwisseling van
kransen, bloemen en versiersels bij en op de fraai overdekte graven,
dat alles laat niets sombers na, en de Parijzenaars krijgen op hun
kerkhof dunkt mij zoo volstrekt geen indruk van het nare denkbeeld
"begraven worden". Papa zal wel zeggen dat ik nu ook weer heel aardsch
en zonder nadenken redeneer; nu ja, maar u begrijpt wel hoe ik het
meen, en hier in ons hotel, bij de débris van een keurig déjeuner met
koude kip, oeufs à la coque, croissants--delicieuze broodjes--hors
d'oeuvres, monster-garnalen enz. en heerlijke koffie, hier in een
Parijsch hotel, met de voorstelling van een rit in een open rijtuig
door 't Bois de Boulogne, en daarna 't zien van een steeple-chase
enz. in 't Hippodrôme, kunt u mij niet kwalijk nemen dat ik geen
diepzinnige bespiegelingen maak.
"Wat ik u nog vertellen wil, 't is hoe wij het overheerlijk hebben
getroffen dat Helmonds vriend monsieur De Musart, in de stad was. Door
diens relaties met een zeer voornaam heer die over de theaters--of
sommige ervan, gesteld is, kregen we gisteren een paar prachtige
plaatsen in het groote Thèâtre de la Gaieté--fauteuils de balcon
avant-scène--vlak vooraan op den hoek bij het tooneel. Dat waren
letterlijk de eerste plaatsen uit de heele komedie. O, delicieuze
fauteuils! en aan de balustrade heeft men vóór zich écrans van
groene zij--weet u, die men op en neer kan schuiven om geen hinder
van 't voetlicht te hebben.--We zaten daar, bijvoorbeeld als in
den Haag de Koninklijke familie, maar eigenlijk nog veel ruimer
en chicker. We konden zoo zien dat ze allemaal dachten dat we zeer
voornaam waren. Helmond moest er om lachen zoo gedegageerd als ik
den meesten tijd in mijn fauteuil lag, en--alsof ik het dagelijks
gewoon was, naarmate het voetlicht al dan niet hinderde, dien écran
op en neer schoof. Ik ben er zeker van dat een deftig heer, met
drie ridderorden, mij voor een barones of zoo iets heeft aangezien,
want hij maakte bij 't binnenkomen, in de afdeeling naast ons, een
enorm hoofsche buiging. Nu, wat August betreft, die ziet er ook recht
gentlemanlike uit, niewaar, en dat helpt fameus!
"Het stuk dat wij gezien hebben was prachtig. Van de élégance der
toiletten beste mama, kan men zich geen begrip vormen. Een actrice,
die in de rol eener madame Duvanont overheerlijk speelde, en ons
een vrouw voorstelde die uit innige liefde voor haren minnaar
haar echtgenoot vermoordt; ja zelfs om hem te overtuigen dat zij
niemand liefheeft dan hem, aan haar bediende den last geeft om
haar kind--spelevarend met een bootje, in den vijver--heimelijk
te doen omkomen; die actrice had in datzelfde stuk--ik heb het
goed geteld--acht verschillende toiletten. Als wij zulk een vrouw
en moeder in de werkelijkheid zagen, wij zouden er natuurlijk van
gruwen, maar als men zoo iets op het tooneel ziet, dan geeft het een
geheel anderen indruk. Men weet ten eerste dat het niet waar gebeurd
is, en bovendien, 't was een beeldschoone vrouw; en die heerlijke
toiletten! en die stem toen ze zoo zei: "Mon Edgard, sans toi le ciel
me serait un enfer!" o dat was onuitsprekelijk mooi; en de claque
heeft toen ook geapplaudisseerd à l'infini. Waar ik echter het meest
naar verlang is de Fransche en vooral de Italiaansche opera. Dezen
avond denk ik wel dat mijn beste August tot de eerste besluiten zal;
en dan--Patti zal ik in de Italiaansche hooren! In één woord lieve
ouders, wij genieten hier met volle teugen, en zullen nog oneindig
veel meer genieten! Van de heerlijke boulevards, van de prachtige
paleizen met bijna eindelooze danszalen, van dat onbeschrijfelijk
prettige sans-gêne 'twelk hier heerscht, en zoo ongeloofelijk gunstig
afsteekt bij al wat Hollandsch is; van dat alles schrijf ik u nader,
of, zoo ik daartoe geen tijd meer mocht vinden, dan vertel ik er u
bij onze terugkomst van. Gelukkig blijven we nog tien volle dagen
hier. Denk er aan uw brieven te adresseeren: Grand Hotel. Zet u voor
een aardigheid eens op het adres: Madame la Baronne; dat zou.... Maar
nee, nee! ik schreef dit uit gekheid; ik zou om die lafheid dezen
heelen brief kunnen verscheuren, maar ik heb geen tijd meer om een
nieuwen te schrijven, want zoo aanstonds komt het rijtuig. Nu 't was
maar een grapje, dat begrijpt u wel.
"Van harte hoop ik dat u en zusje Louise wél zult zijn. Louise
zou zich hier niet op haar plaats gevoelen, althans niet als ze in
ons gezelschap was. Ik heb voor u allen reeds een souvenir in mijn
koffer. De goede August heeft me hier een blauw satijnen japon gekocht,
een waar ik dol op was; acht franken de el; maar u moet er niet van
spreken, want er zijn altijd menschen, wien het hindert als iemand
genoegen heeft en iets meer bezit dan zij; of ook zijn er andere--in
vele opzichten misschien goede, maar toch erg schriele menschen, die
altijd den angst krijgen dat iemand zijn laatsten stuiver zal uitgeven.
"Leeft wel! Vele groeten van mijn August!