Ook te Romphuizen had de maan haar welwillende taak volbracht, en
's anderendaags was het evenals eergisteren een prachtige Meidag.
Op de bovenvoorkamer van den majoor Kartenglimp is heden geen vuur
aangelegd, en het raam staat er open.
Zooals de majoor daar in zijn voltaire aan de ontbijttafel zit, is
hij bijna niet te herkennen. Toen zijn dokter hem de laatste maal
bezocht, toen scheen hij, met zijn rooden sjaal op den chambercloak,
en zijn reisdeken over de beenen, met de wanordelijk gekamde haren en
den ongeschoren baard, een man van ruim vijftig jaren voor 't minst;
thans echter zal men hem niet meer dan hoogstens veertig geven. Ja,
nu de majoor wat meer werk van zijn toilet heeft gemaakt, nu moet men
erkennen--hoewel 't hem is aan te zien dat hij ziek is geweest--dat
hij in vele opzichten een gunstig voorkomen heeft.--Kartenglimp,
ofschoon drie en veertig jaren oud, gaat dan ook nog gaarne voor een
"dikken dertiger" door; en, mogen er sommigen zijn die hem _juist_
taxeeren, er zijn er ook die hem inderdaad voor eenige jaren jonger
houden dan hij is, en het wel een bewijs achten van zijn militaire
verdiensten, dat hij op zulk een leeftijd reeds als gepensioneerd
Oostindisch hoofdofficier in 't Moederland op zijn lauweren rust.
Voor het overige weet men in Romphuizen zeer weinig met zekerheid
aangaande Kartenglimps afkomst en familie te vertellen. In 't
laatste najaar is hij uit den Haag naar Romphuizen gekomen, omdat
hij, zooals hij gezegd heeft: van een amicale sociëteit hield,
en de "Haagsche witte" zoo stijf als een hark was. Dat dit echter
de ware reden zou zijn waarom een nog betrekkelijk jong, bemiddeld
en gepensioneerd hoofdofficier, een provinciestad als Romphuizen
boven de residentie verkoos, liet zich niet zoo spoedig verklaren,
doch de meeste Romphuizers gevoelden zich door die gulhartig gegeven
verzekering gestreeld, en waren nu over 't algemeen met hem ingenomen,
te meer dewijl men hem in den afgeloopen winter als een getrouw en
uitmuntend quadrilleur, commerceur en domineur had leeren kennen.
't Was mede wel wat zonderling, meenden sommige Romphuizers, dat
Kartenglimp--een man in de kracht van 't leven--zich geen vrouw uit hun
midden koos. Ze hadden toch lieve dochters niewaar; en er waren ook
jonge weeuwtjes die haar tijd behoorlijk hadden uitgerouwd en steeds
de oogen moesten neerslaan als de majoor haar met zijn donkerbruine
kijkers had aangezien. Maar, de jongelingschap die altijd een uurtje
later in de "Socie" bleef, ze begreep al spoedig dat de majoor "te
bescheiden was om zich aan zooveel schoons of bevalligs--en voor haar
geheele leven--te willen opdringen!" Kartenglimp kon zoo "onder ons,
nog al aardig doorslaan." Als de papa's er niet bij waren, dan had
hij vooral van die avontuurtjes uit de Oost--enfin.... 't Was soms
fameus pikant. En--zoo redeneerde reeds een groot deel der Romphuizer
jongelingschap: au fond had de majoor met zijn principes gelijk:
Het huwelijk was een allerliefst en alleraardigst ding, vooral hier
in het bloedlooze Holland; maar als men vertellen wilde dat het een
instelling Gods was; bah! de heele natuur leerde integendeel dat
slechts menschelijke kortzichtigheid zulk een zotte overeenkomst
tusschen één man en één vrouw kon hebben in 't leven geroepen. Ja
waarlijk, als je den majoor er over hoorde, dan moest je zeggen dat
hij volmaakt gelijk had. Indien het huwelijk een normale toestand voor
de beide echtgenooten moet zijn, vanwaar komt het dan dat slechts het
geluk der zes eerste weken spreekwoordelijk bekend is? De bekendheid
van dat eerste geluk, maakt dat der volgende huwelijksjaren zeer
verdacht, en--is het dan ook geen feit dat er van de honderd huwelijken
nauwelijks tien middelmatig en misschien maar één volmaakt gelukkig
mag heeten?--Waarachtig, de majoor had altemaal zeer gewone bewijzen,
maar des te treffender waren ze: Wat een ontrouw zag men overal;
maar die ontrouw--door zulk een onzinnig huwelijksverbond den armen
geketende als schande toegerekend--wat is die inderdaad anders dan
de roepstem der natuur en der liefde? Nota bene, welk wijs wetgever
zal zijn landgenooten, indien ze reizen willen, verplichten om nooit
verder te gaan dan tot de naaste stad; ten eerste: om de families wat
meer bijeen te houden; ten tweede: om te waken dat men de zijnen niet
in den steek laat, en ten derde: opdat men zich niet te zeer vermoeie
of te veel geld vertere.--'t Was alleraardigst zooals de majoor er
over redeneerde, en, nóg eens, de kerel had gelijk: al die stijve
idees van den vroegeren tijd hadden uitgediend. Een leventje zooals
de majoor scheen geleid te hebben, daar zou een jonge Romphuizer wel
van watertanden, en de man zag er kapitaal uit, kapitaal!
De majoor zit smakelijk te ontbijten. De geruststellende verzekeringen
van dokter Helmond hebben hem meer goedgedaan dan hij zou willen
bekennen. Hij gevoelt zich inderdaad geheel en al hersteld, en
sedert Helmonds laatste bezoek, letterlijk een ander mensch. In
den aanvang ja, toen had het hem wel pijnlijk getroffen dat Helmond
stilzwijgend heeft toegestemd dat hij aanleg voor een beroerte had;
maar--redeneerde Kartenglimp--als men die zaak toch goed bezag,
dan moest men al spoedig bekennen dat het nog beter was aanleg voor
een beroerte, dan bijvoorbeeld voor pokken of cholera of typhus te
hebben. Bij de minste epidemie zat je dan in 't nauw en terwijl het
in de eerste plaats nog niet bewezen is dat iemand die aanleg voor
beroertes heeft er een zal krijgen, zoo kan men bovendien tegen
dien vijand een beetje op zijn hoede zijn, al moge een voorloopige
bestrijding dan onvoorzichtig wezen.
"Matig versterken," heeft Helmond gezegd. Alzoo zal nu een
tweede kievitseitje geen kwaad doen; maar, den port zal hij in 't
vervolg menageeren; dat goed is te zwaar, waarachtig! En dan kalm
houden. Welzeker!--Nu ja, de oogenblikken kunnen er naar wezen. Maar
aan 't partijtje is hij altijd de kalmte in eigen persoon; dat kunnen
die grasgroene Romphuizers getuigen!
Ofschoon er zich over Kartenglimps gelaat een vreemde--men zou schier
zeggen een satanische lach verspreidt, zoo schijnt hem toch schier
tegelijk een onaangename herinnering te treffen, want boven zijn
koolzwarte wenkbrauwen vertoonen zich breede rimpels. Werktuiglijk
schenkt hij zich een glas port in, en eerst wanneer hij het in één
teug heeft geledigd, komt hij tot de bezinning dat dat goed "de pest"
is, en hij Mietje zal zeggen die karaf--althans 's morgens--nooit
meer op tafel te zetten.
Helmonds patiënt had buiten zijn ziekte en krachten gerekend. In zijn
gevoel van geheele beterschap, is hij dezen morgen meer dan een uur op
de been geweest om zich te kleeden en te "adoniseeren". Daarmee gereed,
heeft hij tamelijk overvloedig ontbeten en een vol glas portwijn
gedronken. Nu hij opstaat om een sigaar te rooken, nu.... wat er nu
aan hapert dat weet hij waarachtig niet. Hij is zoo lam in de beenen
alsof hij drie dagen en nachten aan den rol is geweest, en terwijl
zijn hoofd begint te gloeien is het hem alsof een vuurgloed door zijn
aderen stroomt.... alsof de raamkozijnen en behangselstrepen slangen
worden, en het plafond golft en hem tusschen het insgelijks golvend
tapijt te smoren dreigt.
Kartenglimp moet zich aan de tafel vasthouden. Wat duivel, wat
is dat!? Van één glas port kan een mensch zoo beroerd toch niet
worden. Als hij zes grogjes had gedronken, dan, nee dan zou hij
nóg niet gevoelen wat hij nu gevoelt.--Het klamme zweet breekt den
majoor de leden uit. Een vreeselijke vloek rolt van zijn lippen. Dat
moet de voorbode van een naderende beroerte zijn, indien het niet
werkelijk.... Nee nee, een beroerte.... nee....!
Een paar uren later stond Thomas Van Hake reeds voor de tweede maal
aan 't bed van den majoor Kartenglimp. Kartenglimp heeft de boete
voor zijn onverstandig doorgebrachten morgen betaald; slaap en koud
water hebben hem in een gewenschten toestand teruggebracht.
"....En u zult dus zelf moeten bekennen majoor, dat er volstrekt geen
reden bestaat om dokter Helmond te telegrafeeren."
"Dat beken ik je in 't geheel niet mannetje. Jij met al je wijsheid, je
kunt net zooveel weten wat me gescheeld heeft als die _beddekwast_. Ik
weet dat ik heel wel was, _heel wél_, en dan zou dat ontbijt met één
glaasje port...."
"Na uw ziekte majoor!"
"Ziekte of geen ziekte, ik zeg je dat ik niet naar Romphuizen
ben gekomen om me voor m'n tijd te laten kapot maken. Die ouwe
Bierton met z'n wauwelarij daar pas ik voor; ik zou 'em m'n kat niet
toevertrouwen; en voor jou pillenkennis heb ik zooveel respect als
voor m'n ouwe laars. Ik zeg je dat je zult telegrafeeren, terstond,
en zoo uitvoerig als 't maar kan, met bepaald verzoek dat de dokter
thuis komt.... Zwijg, want je maakt me nog gek."
"Maar waarachtig majoor, er is niets geen kwaad bij. U bent nu wat
overspannen omdat...."
Met een vreeselijken vloek valt de majoor den provisor in de rede. Van
Hake moest niet denken dat hij een kind voor zich had. Kartenglimp
heeft--zooals hij zegt--duizendmaal den dood onder de oogen gezien,
maar hij verkiest niet door de brutale onverschilligheid van een pil,
en plezierreisjes van een dokter, die zijn plicht moest kennen,
vóór zijn tijd in de kist te liggen.--Bij deze woorden brak den
reconvalescent, die zich heden te veel heeft gewaagd en nu nog driftig
erbij is geworden, opnieuw het klamme zweet de leden uit. Zijn tanden
klapperden en een doodelijk wit had zijn gelaat overdekt.
Van Hake, hoezeer hij er tegen geijverd heeft, hij gevoelde zich ten
slotte niet gerechtigd om geen gevolg te geven aan het verlangen
van den majoor. Ofschoon overtuigd dat onnoodige vrees den man
zoo onhandelbaar maakte, en met innig leedgevoel dat hij zijn
geliefden weldoener nu reeds in den vollen glans van zijn geluk
moest komen storen, beloofde hij aan Kartenglimps wensch te zullen
voldoen. Nochtans Van Hake nam zich voor om de zaak geheel naar
waarheid en zeer duidelijk--natuurlijk op kosten van den majoor--over
te seinen, en het telegram zóó in te richten dat Helmond--ofschoon
de provisor zich niet verantwoordelijk mocht stellen--overvloedige
vrijheid zou vinden om zijn reis te vervolgen, wanneer hij--dit moest
Helmond tusschen de regels lezen--slechts ter bevrediging van den
geagiteerden majoor een eenvoudig calmeerend receptje er bij zond.
't Was halfdrie in den middag toen mijnheer en mevrouw Helmond zich op
hun kamer in het Amsterdamsche hotel gereed maakten om uit te gaan,
want de vigilante stond voor de deur. Op het oogenblik, dat zij de
kamer zullen verlaten, wordt Helmond door een schenker het telegram
van Van Hake overhandigd.
Eva verneemt dat het telegram niets verontrustends behelst, 't Is over
zaken. August moest even antwoorden. Als het vrouwtje een oogenblik
wachten wil? hij is aanstonds gereed.
Eva nam de Haarlemsche Courant nog eens op, waarin haar huwelijk
reeds vermeld stond, en sloeg bij 't doelloos inzien ervan, telkens
een zijdelingschen blik in den grooten spiegel om zich te overtuigen
of het wit neteldoeksch kleed met groene bloempjes haar wel waarlijk
kleurde, en goed stond bij haar fijn kanten hoedje met lila brides.
De hotelbediende, die op het telegram wachtte, zag die mooie mevrouw
op den rug, en mocht, zoo in stilte, haar élégance bewonderen, toen
hij eensklaps ontstelde, want, die "levendige pas getrouwde oogen"
hadden onwillekeurig de zijne in den spiegel ontmoet.
--Wat kijkt hij mal die jongen, denkt Eva, maar zonder te weten
waardoor, werd ze nu eensklaps geheel overtuigd dat dit toilet haar
goed stond.--Nu gaat ze naar het venster en ziet uit de hoogte in de
drukke straat.
En Helmond schreef zijn telegram:
"T. Van Hake, Romphuizen,
Majoor kan gerust zijn. Gevolg van te veel inspanning en
gebruik. Nù terugkeeren onmogelijk en geheel onnoodig.
Het telegram werd ingevolge van Hakes wensch met een recept besloten,
en, straks in een omslag, aan den schenker ter verdere bezorging
gegeven.
Weinige seconden later reden Helmond en Eva naar een der
eerste gedeelten van de Prinsengracht. De naam van den advocaat
Mr. E. Woudberg stond op de deur, en de koetsier behoefde niet
te zoeken.
Nu de jonggehuwden om bijzondere redenen hun reisje over Amsterdam
hadden genomen, en er nagenoeg een dag stil waren, nu zou het
onvergeeflijk zijn geweest indien August zijn jonge vrouw niet aan
dien goeden Everard en zijn Emma gepresenteerd had. Met Everard had
hij te Leiden gestudeerd, en ze waren er vrienden van den echten
stempel geweest om het voor altijd te blijven, terwijl Emma bovendien
een kostschoolvriendin van Helmonds pleegzusje Coba geweest is.
Eva, met de vrienden Woudberg onbekend, gevoelde er zich, op
dezen eersten dag na haar huwelijk, niet recht prettig. Mevrouwtje
Woudberg, een vroolijk klein ding, met drie spruitjes, waarvan de
jongste in een berceau binnen de kamer sliep, mevrouw Woudberg vond
die nieuw aangekomene in Hymens tempel prachtig mooi maar, wel wat
stijf--misschien een weinig gegeneerd--en trachtte haar door velerlei
verhalen van guitenstreekjes der kleinen een weinig "op haar gemak
te zetten."
Wat Eva betrof, die guitenstreekjes waren haar even onverschillig als
de geheele familie Woudberg. Hier te zitten terwijl August met dien
ouden vriend--nota bene--over de wet op het geneeskundig staatstoezicht
sprak, terwijl die mevrouw van de lieve jeugd verhaalde, en haar ventje
van drie jaren versjes liet brabbelen! Hier te zitten in een saai,
tamelijk donker Amsterdamsch zaaltje, met het uitzicht op een slecht
begroeid tuintje met leelijke hooge huizen er achter, neen, dat was
op den eersten dag van 't reisje inderdaad niet verkwikkelijk, en, op
net oogenblik dat mevrouw Woudberg even de schreiende kleinste uit de
berceau nam, en mijnheer Woudberg een boek ging halen waarin men iets
zou nazien--'tgeen August hem echter mede graag geschonken had--in
dat oogenblik gaf Eva haar August fluisterend en met een wenk te
kennen, dat ze hier niet langer wilde blijven, en vooral niet _alleen_
terwijl hij, zooals afgesproken was, dat andere bezoek ging brengen.
Woudberg en zijn vrouw waren bij het afscheid recht dankbaar en
gevoelig voor de allerliefste visite:
"We mogen er heusch wel trotsch op zijn," besloot mevrouw: "want om
je de waarheid te zeggen, in de eerste dagen na ons trouwen--niewaar
Es--toen bedankten we voor familie en vrienden."
Terwijl de vrienden Woudberg er bij stonden, heeft August aan den
koetsier gelast om naar 't hotel terug te rijden; maar nu nabij
den hoek eener zijgracht, tikt hij op het voorglas, en beveelt:
"Tuinstraat No. Twaalf."
"Ik dacht een oogenblik dat je besloten hadt er méé heen te gaan
_Eva_."
"Maar August, hoe kon je dat denken?"
"Nee 't is ook waar. Ofschoon.... 'k zeg alleen, dat ik het een
oogenblik _dacht_."
"'t Was dunkt me al wel, lief mannetje, dat ik mee naar je vriend
ging. Je hebt zelf gehoord hoe andere menschen over dat bezoeken van
vrienden en familie op hun huwelijksreisje denken."
"Ja zeker, 't was al heel lief van je om aanstonds toe te geven. Maar
ik dacht nu.... een eigen broer!"
"'t Spijt me lieve, dat je er nog over gedacht hebt; ik meende dat
we vast...."
"Zeker mijn wijfje, we hebben dat _vast_ afgesproken."
"'t Zou hen toch ook geneeren August."
"Juist kind; 't kwam me nog een oogenblik voor dat ze 't hartelijk
zouden vinden; een bewijs van belangstelling, maar...."
"Och nee August, wie vroeger in weelde was, wordt niet graag in zijn
armoede bezocht, en 't minst door nieuw aangetrouwde familie."
"Ja, 't zal beter zijn dat ik alleen ga. Je bent ook wel wat heel
chic gekleed. Nee nee, _heel goed_ en _lief gekleed_ beste kind,
uitmuntend voor de Woudbergs en voor mij; maar, voor dáár.--Dus blijf
je dan zoolang in het rijtuig?"
"Niet te lang beste man.--Ha! ik kan me, in dien tijd zoo'n reistaschje
koopen."
't Zag er sjofel uit in die Tuinstraat. De hooge smalle huizen
waren meestal zeer verveloos. In de kelders hoorde men ijzer
smeden, ton-kuipen, hanen kakelen en kinders schreeuwen. Hier zag
men groenten uitgestald; daar rood en ander lijnwaad te drogen
gehangen over de grauwe leuning van een smalle hooge stoep. Ginder
bij een pothuis stonden eenige vrouwen rondom een kruiwagen met doode
bot. Een terugkeerende armenlijkwagen laveerde tusschen turfkarren
en turfmanden door, en een der heeren bidders die met afhangende
beenen erop zat, liefkoosde in 't voorbijrijden met de versleten
punt van zijn gegespten schoen, eene jonge Tuinstraatsche, wie deze
vreemdsoortige liefkoozing echter gansch niet beviel, en haar met
een weinig vleienden grauw beantwoordde.
Helmond is uitgestapt, en heeft den koetsier gelast om mevrouw naar
een voorname galanteriewinkel te brengen; over een groot half uur
moest hij hier terug zijn.
No. 12 was een van de fatsoenlijkste huizen in de Tuinstraat. In het
kelderhuis woonde een schoenlapper; op de eerste verdieping een oud
heer met een goudsche pijp, een nicht, twee katten en een papegaai,
en een verdieping hooger.....
"Jawel meheer, gaat uwé maar gerust naar boven," zegt de nicht,
die een rist uien in de hand, en een kat aan haar boezem heeft:
"meheer Hellemond is voor een half uurtje thuis gekomen. Voorzichtig,
de trap is een beetje gesleten. Oom zou 'em opknappen, ziet uwé,
maar oom is een oud mensch, en...."
Helmond is reeds naar boven gegaan.
't Zag er zeer armoedig maar toch ordentelijk uit in het kleine vertrek
't welk August is binnengestapt. Op het oogenblik dat hij in die kamer
kwam, heeft een jonge zeer slanke vrouw met prachtig zwartgolvend haar,
door de deur die naar een achterkamer leidde, dat vertrek verlaten.
De bezoeker heeft de jonge vrouw nog even van terzij kunnen zien. Hij
zou haar zeker gegroet hebben; maar zij, ze heeft gedaan alsof ze
hem niet zag. August meende dat ze vreeselijk wit was geworden.
"Hoe gaat het Philip?" zegt de oudere broeder terwijl hij den jongere
de hand reikt.
"'t Zou valsch van me wezen August, indien ik je welkom heette en
je de hand gaf.--Als je me wat te zeggen hebt, en wilt zitten, daar
staat een stoel--als ie je niet te _gemeen_ is."
"Op dien toon had ik het niet verwacht Philip."
"Dat spijt me. 't Is me een bewijs dat je met al je menschenkennis
en geleerdheid, op dit oogenblik niet verder ziet dan je neus lang is."
"Ik kom je opzoeken als broer; mij dunkt dat ik niets beters kan doen
om je te toonen dat ik je altijd als mijn goeden Philip het beste
hart heb toegedragen. Philip, kom, geef me de hand?"
"Zeg eens, je noemt me _goed_ August; maar weet je wel dat ik me zelf
vervloekt _laag_ zou vinden als ik je aanstonds die hand gaf?"
"Nog eens Philip, zulk een ontvangst had ik niet verwacht;--wanneer
ik die had kunnen voorzien...."
"Dan zou je niet hier zijn gekomen, 't Ware misschien beter geweest."
"Philip, goeje kerel! wat heb ik gedaan dat je mij...."
"Wat je gedaan hebt August? _Niets_! waarachtig, je hebt _niets
niemendal_ gedaan!"
"Je bedoelt....?"
"Ik bedoel alles wat je zeer goed begrijpt."
"Zeg niet Philip, dat ik _niets_ gedaan heb. Ben ik niet je krachtige
voorspraak bij oom geweest? Ik zou er van gezwegen hebben indien je
me niet het tegendeel verweten hadt. Is het mijn schuld dat oom...."
"Wie spreekt van je schuld! Je bent zoo onschuldig als een lam. Je
broederlijke raadgevingen bewaar ik als goud. Daar ginds in de la van
dat meubel--_gemeen_ hê zoo'n houten kast--daar ligt nog die prachtige
brief. De slotregels waren heel mooi; ik ken ze van buiten. Hoor:
"Keer berouwvol tot onzen besten oom en weldoener terug. Zeg hem dat
je in onbezonnen drift die woorden hebt gesproken. Zet beste Philip,
die liaison uit je hoofd; waarlijk ze zal je ongelukkig maken. Een
student! en zonder eenig fortuin! Wees verstandig; later zul je zelf
inzien dat het doorzetten van dat huwelijk je ongeluk zou geweest
zijn. Mijn beste broeder had, zoover ik weet, nooit een zin voor het
_gemeene_...."--Genoeg! Wat je met dat laatste woord bedoelde, daar
wil ik mij nu zelf geen oogenblik in verdiepen. Als ik het deed dan
ging mij 't bloed aan 't koken, dan.... dan.... Wat jij gemeen durfde
noemen August, het is de _vrouw_ die ik liever heb dan mijn leven,
en jij--je hebt oom helpen opzetten tegen die vrouw!"
"Bij al wat heilig is Philip, dat is _onwaar_!"
"Zweer niet; ik heb je immers den slotregel van je mooien brief
herhaald."
"Philip, nu het een feit is geworden wat ik voor onverstandig hield,
en nóg houd--je ziet het, ik ben oprecht evenals jij--nu zou je
broederlijk handelen met dien brief voor een deel ongeschreven te
beschouwen. Ja ik noemde het onverstandig een meisje te trouwen
dat...."
"De man die meineed en ontrouw voor verstand wil laten doorgaan,
dien veracht ik. Als jij het doet, ga dan naar dien edelen generaal
die je zulke principes leerde, en folter mij niet meer."
"Philip, waarachtig, je oordeelt onrechtvaardig; en wanneer ik je
minder liefhad, dan zou ik zelfs je harde woorden niet verdragen. Er
is verschil in de opvatting van trouw aan zijn woord. Dat verschil
verklaart veel, zoo niet alles.--Oom wierp je tegen: "Wie zijn woord
houdt in een _kwade_ zaak, is een verrader van zich zelf." Maar
genoeg. Wat oom betreft, hij vergeeft je de woorden niet, die hem wel
vreeselijk moesten grieven en waardoor zijn verzet te krachtiger is
geworden. Zeer stellig heeft hij nog onlangs verklaard daar nooit
op terug te komen, en bovendien bleef hij onverzettelijk bij zijn
besluit om je nooit meer, noch bij zijn leven noch na zijn dood,
iets van het zijne te doen genieten, maar...."
"Wie heeft hem dat gevraagd? Wie? Wat meent hij wel de...."
"Zacht Philip! bedenk dat ik hem liefheb, en dat hij van der jeugd
afaan onze weldoener is geweest."
"Had hij zich onzer niet aangetrokken, ik zou misschien een ambacht
geleerd hebben, en gelukkiger zijn."
"Je bent dus _niet_ gelukkig Philip?"
"Wie zegt dat!"
"Niet ik. Maar je omgeving; je.... in één woord, alles doet mij
vermoeden dat je met moeielijkheden te kampen hebt.--Laat mij even
uitspreken Philip, en je bittere grieven trachten weg te nemen. Geloof
mij, terwijl ik sedert lang, maar tevergeefs, op 't spoor van je
verblijf zocht te komen, was het steeds mijn voornemen je te bezoeken
en je te zeggen, dat ik zooveel ik mag en kan, wil bijdragen om je
geluk te helpen bevorderen. Nee, luister nu een oogenblik! Al keur
ik niet alles goed wat je deedt, en al heb ik getracht je van die
liaison af te brengen, in mijn ziel heb ik je altijd om je trouw aan
dat meisje geëerd en liefgehad. Zoo je meent dat ik oom--dewijl ik meer
met hem dan met mijn opgewonden broeder instemde--tegen dien eenigen
broeder of zelf tegen dat meisje heb opgezet, dan dwaal je Philip."
"Genoeg August, genoeg! Ik denk er het mijne van."
"Je gelooft me niet? Waarvoor zie je mij dan aan? Zou ik hier komen
om je als broeder de hand te reiken wanneer er bedrog was in mijn
hart? Philip, misken mij dan niet. Ik ben kalm, maar je weet toch dat
ik evenals jij het bloed der Helmonds in de aders heb. Kom Philip,
geef mij de hand; roep je vrouw; zeg haar dat August haar graag een
broederlijken zoen wil geven. Laat er geen kloof zijn tusschen ons, al
loopen onze wegen wat uiteen. Mij gaat het goed in mijn praktijk; jij
hebt het niet breed. Weiger mij niet Philip, om je van tijd tot tijd
metterdaad te toonen dat ik je broer ben. Neem vast dit bagatel. Kom
Flip, pak aan, eer je je vrouwtje roept. Je waart immers altijd mijn
goede opbruisende maar eerlijke kameraad. Neem aan Philip!"
Slechts een oogenblik heeft er in de donkere oogen van den jongsten
broeder iets geflikkerd, 'twelk strijd verried bij het zien van dat
bankbriefje van veertig gulden. 't Is echter een schier ondeelbaar
oogenblik geweest.--Terwijl August, die geen plaats had genomen,
voor de tafel is blijven staan, stond Philip nog aan de andere zijde
ervan naast het venster:
"Dus, zakelijk gesproken, zou je waarlijk zijn hier gekomen August, om
ons te toonen dat je de vrouw die mij dierbaar is, als je zuster wilt
erkennen en liefhebben? Je weet het, zij is de dochter van een gering
acteur. Haar misdaad was,--stil, ik wil ervan spreken--haar misdaad
was dat ze mij op mijn eerewoord geloofde.--Toen ik haar trouw had
beloofd, toen was ze voor 't oog van God mijn vrouw, als moest de wet
ons verbond nog bekrachtigen. Dat alles is geschied. Zonder middelen
om mijn studies ten einde te brengen, moest ik uitzien naar een middel
van bestaan. Beiden gevoelden we roeping voor het tooneel. Met het oog
echter op de kleingeestige wereld, bedenkend dat mijn naam ook de naam
van mijn broeder was, maar 't meest--ik erken het--om mijn Virginie
niet bloot te stellen aan de vele ellenden van zulk een leven in ons
vaderland, besloten we daarvan af te zien. Op dit oogenblik August,
is je schoonzuster de vrouw van een tweeden klerk op het bureau van
een begrafenisfonds. Na al wat er tusschen ons voorviel--stil, laat
mij nu óók uitspreken--na de bedreiging in den straks genoemden brief,
dat ik er niet op behoefde te rekenen ooit eenigen steun van je te
zullen ontvangen...."
"Maar Philip, ik heb immers gezegd dat je een brief uit die dagen
van spanning niet meer in rekening brengen moet."
"Ik weet het, maar je begrijpt toch dat ik me zelf verachten zou indien
ik nu aalmoezen van je aannam. Van dat geld kan geen sprake zijn;
berg het gerust in je portefeuille. We spreken er nu slechts over,
of ik geen laagheid bega met mijn broeder de hand te geven, en mijn
vrouw niet compromitteer met haar aan dien broeder voor te stellen."
"Maar Philip!"
De jongste Helmond schijnt reeds lang te hebben geaarzeld. Hij was in
tweestrijd of hij rechtstreeks op zijn doel zou afgaan. Een oogenblik
heeft hij naar buiten gezien; nu kijkt hij den broeder fiks in de
oogen en herneemt:
"Je bent getrouwd; gisteren. Ik las het van morgen in de Haarlemsche
krant die mijn huisbaas me leent."
"Ik kon je geen kennisgeving zenden omdat ik eerst dezen morgen je
adres heb uitgevonden."
"Genoeg, ik wist het, August. Door dezelfde omstandigheid die je,
eerder dan ik verwachtte, mijn adres deed vinden, vernam ik dat je
in de stad waart. Ofschoon ik het in 't geheel niet wenschte, zoo
voorzag ik de mogelijkheid dat je mij bezoeken zoudt, en nam zooveel
ik kon maatregelen dat je mijn vrouw niet alleen zoudt vinden. Mijn
voorgevoel heeft me niet bedrogen; en gave God dat ik nu zeggen kon,
je verkeerd te hebben beoordeeld."
Minder gevoelig dan hij de laatste woorden sprak, vraagt nu de Jonge
Helmond snel:
"Dus August, je schaamt je de vrouw van je broer niet, en wilt haar
de eer geven die haar toekomt....?"
"Ja Philip, twijfel niet meer. Komaan, roep je vrouwtje!"
Philip zwijgt een oogenblik, en dan eensklaps met een stem die van
dien inwendigen strijd getuigt, zegt hij bijna snerpend:
"Roep jij eerst de jouwe!"
"Wat! wát meen je?" zegt de oudere broeder, en Philip ziet hem bleek
worden; "Haar roepen! hoe zou ik haar roepen! Zij is...."
"In het hotel misschien?"
"Ja, ik denk het.--Tenminste...."
"Hoe! is die, dáár.... is _dát_ dan je vrouw niet?" herneemt Philip met
fonkelende oogen terwijl hij naar beneden in de straat wijst: "Is de
mooie dame die zoo op- en rondkijkt uit die vigilante, niet dezelfde
die je straks de hand hebt gegeven toen je er uitstapte, zeg....?"
"Nu ja, zij is het; maar kon ik haar wagen aan een ontvangst als
deze.... aan....?"
"Ha! alsof ik mijn wereld niet kende! Was zij aanstonds meegekomen, ik
geloof dat hier de ontvangst een heel andere zou geweest zijn!--Nee, je
roept haar niet. Natuurlijk! ik begrijp dat je haar met roepen _kunt_."
"Men kan toch van een jonge vrouw niet vergen Philip, dat zij op den
eersten dag van haar huwelijk bezoeken aflegt."
"Maar wel bezoeken bij vrienden op de Prinsengracht! Ha! nu kunje toch
liegen niewaar? Toen ik van 't kantoor kwam heb ik dienzelfden voerman
bij den ouden academievriend voor de deur zien staan. Zie je wel,
dat ik vervloekt laag zou hebben gedaan met je de hand te geven. Zie
je wel!--In een achterafhoek van Amsterdam, op een stille bovenkamer,
daar zul je, door niemand gezien, aan die vrouw--ha! die _gemeene_
vrouw! een hand willen geven! 't Kon soms het reisgenot vergallen als
je bedacht, dat daar in de Amsterdamsche achterbuurt een broeder gebrek
leed omdat hij, zonder die hulde, geen aalmoes had aangenomen. Maar
Goddank, je aalmoes behoeven we evenmin als je schijn vertooning van
hartelijkheid. Zie, ik zou je kunnen verachten indien ik niet wist
dat je van nature goed waart.--Maar pijnig me nu niet langer. Doe me
't genoegen deze kamer te verlaten. Die plaats dáár, dat is de plaats
van mijn vrouw. Niemand zal haar verhinderen hier te zijn zoo ze dat
verkiest. Boven alles ter wereld staat _zij_; ze is me als een deel
van m'n lichaam.--August, ga heen!"
De oudere Helmond heeft zich vast voorgenomen om kalm te blijven. De
valsche positie waarin hij zich tegenover dien trouwen maar dikwijls
onbesuisden broeder bevindt; zijn eigen sluimerend vermoeden dat
Eva--al mocht ze tot een bezoek te overreden zijn--toch niet veel
goeds zal bewerken; de wensch van zijn edel hart, dat Philip en hij
als broeders mochten scheiden, dit alles werkt samen om hem toegevend
te stemmen.
Hij heeft wel ingezien dat een karakter als Philip door dit
bezoek--terwijl August's jonge vrouw daar wacht in dat rijtuig--zich
eer beleedigd dan aangenaam getroffen moest gevoelen. Eensklaps tot
een besluit gekomen zegt hij nu zacht met liefde:
"Philip, om je vriendschap te herwinnen zou mij in dit oogenblik bijna
geen opoffering te groot zijn. Geloof mij nu. Maar ook, gebruik nog
eens je kloek verstand: Doe ik niet alles wat je met reden van mij
verlangen kunt, wanneer ik hier kom om je vrouw als mijn zuster te
omhelzen? Maar ook, kan ik een jonge vrouw, die gisteren nog mijn
bruid was, reeds heden dwingen...."
"Nu is 't waarlijk genoeg August. Je kalmte zou me haast razend maken;
maar ik beheersch me ter wille van de vrouw die dáár is, dáár in die
kamer, en die ons waarschijnlijk woord voor woord zal verstaan. Weet
nu kort en goed, dat ik ten opzichte van de moeder van mijn kind geen
halfheid versta. Wil je mijn broederhart, waarachtig! kom dan met
je jonge vrouw, mij en mijn eenige met open armen en zonder woorden
te gemoet. Wij zijn broeders, zij zusters. Mij liefhebben en haar
miskennen dat is mij beleedigen, ja, erger: _trappen_! Versta je
August: is je die vriendschap ernst, dan ben je hier onze gasten;
dan gaan de beide Helmonds met hunne vrouwen dezen avond te zamen
naar park of opera. Nog eens, die mijn vriendschap verlangt, die
_respecteere_ allereerst de vrouw die mij lief is boven alles!"
"Maar broeder Philip, zou er dan volgens je meening niets, volstrekt
niets bestaan, waardoor mijn jonge vrouw er tegen op kon zien om
aanstonds.... Nee, 't zijn geen verwijten; maar, in oprechtheid,
is Virginie dan altijd, _altijd_ zoo te _respecteeren_ geweest als
je verlangt dat ze nu.... gerespecteerd zal worden?"
August Helmond moest wel in een zonderling bewogen toestand verkeeren
om in deze oogenblikken en op die wijze, zulk een teedere snaar te
durven aanroeren.
Philips oogen schoten vonken vuur. De leuning van den stoel, dien hij
in de hand houdt, kraakt in zijn vuist.--Moest hij dát komen verwijten;
hier, in haar eigen woning, ja, in haar eigen oor!--Is dan het kind
te beschuldigen wanneer een dolle stoeier het een breekbaar voorwerp
uit de hand slaat; wanneer een zoete vleier het overreedt om hem een
kostbaar kleinood ter bewaring te geven!
"Drijf en terg mij niet tot een uiterste!" snerpt Philip zijn ouderen
broeder toe, terwijl hij hem doodsbleek met bevende lippen blijft
aanstaren: "Ga heen, ga heen zeg ik je! Bezoedel met je vormelijk
slijk ons rein geluk niet. Vertrek! dit is een _gemeene_ woning;
maar zij is de _onze_! Die er een vinger naar mijn schat durft
uitsteken, dien kon ik den kop verpletteren, al was hij duizendmaal
mijn broeder.... Ga heen zeg ik je!"
"Philip bij God, ik wil vrede en liefde!"'
"Zwijg!" dondert de broeder: "zwijg of anders!"
Op hetzelfde oogenblik, dat hij den stoel nogmaals doet kraken, gaat
de deur open, waardoor de slanke vrouw straks is verdwenen. Zichtbaar
ontroerd treedt ze nu de kamer weer binnen. Haar ontroering verwinnend
ziet ze vluchtig naar Philip, op wiens gelaat zich verbazing in den
toorn heeft gemengd, en terwijl zij den bezoeker noch een schrede
naderbijkomt, zegt ze zacht doch met klem:
"Mijn man verzoekt u te vertrekken mijnheer.... _Ons kindje slaapt_!"