Ofschoon het déjeuner in _De Gouden Arend_ in vele opzichten
der beschrijving overwaardig mocht heeten, vooral dewijl het
verschil van maatschappelijke positie der gasten overvloedige
stof tot karakterstudie bood;--een kwalijk verbloemde onrust van
het bruidspaar, en het gedurig heimelijk op zijn horloge zien van
den generaal, werken--misschien wel gelukkig--aanstekelijk, en,
wie er van de gasten of misschien van de bedienden lust in heeft,
hij moge van het déjeuner vertellen, een déjeuner, zóó rijk en zóó
netjes als er in _De Gouden Arend_ nooit te voren een gegeven was,
doch wij--we zwijgen ervan. Misschien droeg de voortreffelijkheid van
het déjeuner er toe bij om de onrustige neergedrukte stemming van den
generaal te verhoogen; hij mocht zich althans overtuigd houden dat
hij gisterenavond met de vijftig gulden zijn berekening als gastheer
slecht gemaakt had.
De reiskoffers der jonggehuwden zijn reeds vroeger in twee
afzonderlijke vertrekjes van het logement gebracht. In die vertrekjes
zullen ze zich nog haastig verkleeden, om er mede aan ouders of
betrekkingen die, evenals zij, tersluiks den feestdisch zullen
verlaten, een zoen of handdruk ten afscheid te geven. Van Debeckes
laatste vleiende, een weinig ondeugende woorden aan den feestdisch,
heeft Eva volstrekt niets gehoord. August had haar zooeven zeer
zachtjes toegefluisterd:
"'t Is over halftwee; we zullen nu maar ineens, zoo ongemerkt...."
"Dan moet jij maar 't eerst...." heeft Eva teruggefluisterd.
Eva glimlachte naar Debeckes zij, zonder echter te weten waarover hij
sprak, en ving tegelijk van zuster Louise een hartelijk knikje op,
'twelk ze beantwoordde, maar zonder juist veel aan 't zusje te denken
dat ze wel liefheeft maar, dat toch altijd zoo iets.... zoo iets heel
anders heeft gehad.
"Jawel, daar broeit iets Louise;" zegt Thomas Van Hake, die naast
Louise Armelo zit.
"Nee guns, nóg niet. Zie maar, Helmond eet nog chipolata."
"Ja maar, 't is halftwee, en.... Wil je een stukje van de taart
Louise?"
"Een heel klein stukje. Nee nee, foei! een beetje kleiner." En dan
eensklaps met het oog naar het midden der tafel: "Guns, zie, ze zijn
al gevlogen; hun stoelen staan leeg!"
Toen de Romphuizer groote torenklok het klikke over tweeën deed
hooren, waren de koffers der jonggehuwden reeds op de vigilante van
_De Zonsberg_ geladen, en voor den fellen regen door een lederen
kleed bedekt. Willem en Hendrik hadden nu, op bevel van den generaal,
hun regenjassen aan. De oude koetsier--die "vrij wat meer parade op
den bok dan op de been maakt"--zat, recht als een kaars, regen en
storm te tarten, even kordaat als "de groote keizer" weleer de rampen
braveerde van een bloedigen krijg. Een knecht uit _De Arend_ heeft,
met de hand aan het portier bij de vigilante postgevat. Hendrik,
die de parapluie moet droog houden, staat in de voordeur, en werpt
nogmaals een blik in de breede hotelgang.--Boven moeten er ramen of
deuren zijn geopend, want eensklaps zuigt een geweldige tocht, zoodat
een openstaande zijdeur in het voorhuis met kracht wordt dichtgeworpen,
en de ganglantaarn schudt, en de pui-glazen rinkelen van den slag.
Er klinken voetstappen op de trap en in het achterhuis.
In het halflicht van de vrij donkere gang beweegt zich nu van verre
een kleine groep. In 't midden ervan bevinden zich twee personen, die
niet rechtstreeks onderscheiden wie het zijn die hen nog om strijd
de hand drukken. De groep nadert, en schijnt eensklaps vaneen te
scheuren. Uit haar midden komen ze snel naar voren, de beide personen
die men zooeven ten afscheid de hand gaf.
Ternauwernood heeft Hendrik den tijd om zijn parapluie op te
steken. In een oogwenk was een schoone jonge vrouw hem terzij en
voorbijgesneld. Ofschoon hij geen oogenblik draalde, zoo zal het
bruinzijden dak haar echter niet beschutten; een nijdige windvlaag
slaat onder het scherm, en, als Eva, ofschoon op den voet door haar
echtvriend gevolgd, nochtans zonder zijn steun, in de vigilante vliegt,
dan spant Hendrik al zijne krachten in teneinde het omgeslagen en
weerbarstig klapperende stuk in zijn voegen terug te brengen.
"Helmond! Hel....mond!" roept een vrouwenstem op den natten dorpel
van _De Gouden Arend_. De geroepene ziet om. 't Is mevrouw Armelo die
met den zakdoek boven haar feestmuts, nogmaals, inweerwil van regen,
storm en toeschouwers, haar roepen herhaalt.
Helmond die zich niet zonder moeite staande houdt, en met een licht
overjasje aan, in een oogenblik dreigt nat te worden, wendt zich
schielijk om, en de oogen voor den snijdenden regen half dichtgeknepen,
gaat hij de stoeptreden weer op, nadert de wenkende dame, en dan:
"Hadt u nog iets mevr.... mama?"
En mevrouw Armelo _had_ nog iets. Och ja! Haar oogen vestigden
zich smeekend op den beminden schoonzoon. En dan, aarzelend, bijna
onhoorbaar:
"Och August, zul je bedenken dat ze mijn _mijn_ kind is! O zul je,
zeg!?"
August gaf de begeerde verzekering met een zeer plechtigen oogwenk,
ofschoon hij volstrekt niet begreep wat zijn bedenken dat Eva
bepaald een kind van mevrouw Armelo was, bijzonders tot haar geluk
zou bijdragen. Bovendien in oprechtheid gesproken, of zij een dochter
van háár of van een andere was, hoewel er op dit punt geen de minste
twijfel bestond--'t is hem in deze oogenblikken volmaakt onverschillig.
Goddank! die fooi aan den natten logementsbediende dat was het
laatste. Het portier werd dichtgesmeten; het raampje ijlings door hem
opgehaald; Coco en Victor schoten voorwaarts; en, nogmaals Goddank! nu
was hij alleen--alleen met zijn wijfje!
--Hoe! ze heeft haar heerlijk hoofdje afgewend?
"Eva! mijn engelachtig vrouwtje!"
Zij antwoordt niet.
Stil, ze schreit. 't Zal beter zijn dat hij haar een oogenblik geheel
aan haar zelve overlaat.--Hoe zal een jonge man gepaste woorden vinden
op het oogenblik dat de vrouw zijner keuze haar ouders en magen ja
allen verlaat, om hém te behooren geheel en al, hém dien ze slechts
kent uit gulden dagen.
Neen, Helmond zal een oogenblik zwijgen; haar zenuwen zijn geschokt,
en hoe licht kon een onbedachtzaam woord bederven wat hij juist goeds
er mee te bewerken dacht.
Dat besluit wordt spoedig gewijzigd. Een frissche koelte, meent hij,
zal haar wel goeddoen.
"Zullen we het raampje wat neerlaten lieve; een klein beetje aan de
zij waar geen wind is?"
Bijna onhoorbaar en snikkend klinkt het:
"Och.... 't is.... mij...."
"Zeker _goed_ niewaar?" vult Helmond aan: "Ja 't zal beter
zijn.... Wacht!"
Maar, er kwam zooveel regen naar binnen dat Eva ijlings onder 't
schreien door, haar keurig reiskleed van grijs alpaka terugtrok,
en August aanstonds het raampje weer dichtdeed.
Dokter Helmond is een vijand van spiritus en andere opwekkende
middelen. Hij heeft ze niet bij zich. Nu het frissche luchtbad niet
kon aangewend worden, nu keert hij tot zijn eerste besluit terug;
legt zijn hand vertrouwelijk op de hare, en zwijgt.
En Eva houdt haar lief gelaat nog altijd afgewend, en haar schreiend
snikken wordt sterker.
In een groot half uur zal men het eerstvolgende spoorstation te
Briesborg bereikt hebben. Indien Eva zoo doorschreit dan zou men
het haar straks terdeeg kunnen aanzien; 't publiek maakt zoo spoedig
zijn gevolgtrekkingen, en.... Helmond slaat den arm om haar middel;
haalt haar nader tot zich, en dan;
"Mijn wijfje is nu toch gelukkig niewaar?"
Zij vlijt haar hoofd op zijn schouder, en 't klinkt met een nokkenden
zucht:
"Och.... August!"
"'t Zijn bijzondere, heel bijzondere oogenblikken in ons leven,--mijn
_eigen aangebeden_ vrouwtje!"
Zij ziet hem met haar beschreide oogen onweerstaanbaar liefdevol aan,
en barst dan opnieuw in een luider snikken uit.
Eva Armelo is nooit geweest wat men zenuwachtig of overgevoelig
noemt. Er zijn er zelfs die haar wel eens van hardheid
en ongevoeligheid hebben beschuldigd. Vraag nu aan Eva Helmond
niet waarom ze schreit. Ze zou het niet geheel onder woorden kunnen
brengen. August heeft het naar waarheid gezegd: "'t zijn bijzondere,
heel bijzondere oogenblikken." En ofschoon Eva zichzelve dan ook
geweld doet om dien "dwazen tranenstroom" te bedwingen--misschien
dewijl ze vreest dat haar August den oorsprong ervan onjuist verklaren
zal, misschien ook omdat ze aan glurende passagiers in station en
spoorwagen denkt--telkens overmeestert haar weer dat "onverklaarbare"
't welk haar gemoed vervult, en snikkend zegt ze:
"Waarlijk, ik kan het niet helpen August; ik weet niet hoe
het.... komt.... en toch...." Eva kon niet eindigen. "En toch, ik
ben zoo gelukkig;" heeft ze willen zeggen.
Maar dat _geluk_ was immers de _oorsprong_ dier tranen niet. Velerlei
gewaarwordingen werkten voorzeker te zamen om een fiksche natuur
als de hare een oogenblik van streek te brengen.--De zekerheid dat
ze heden afscheid van haar blonde jeugd heeft genomen, mocht haar
een traan in het oog gebracht, en de voorstelling eener wel lachend
afgebeelde maar toch geheimzinnige toekomst, kan haar voor een wijl
den blos van het aangezicht verjaagd en met ernst hebben vervuld,
doch, voor dat zenuwachtig en langdurig snikken moest er een andere
oorzaak zijn; althans bij een jonge vrouw als Eva Helmond-Armelo.
Niet straffeloos speelt men met de natuur, niet zonder wraak laat zij
zich geweld aandoen.--Den ganschen dag heeft Eva zich beheerscht om te
schijnen wat ze niet was.--In het oog van allen die haar zagen moest
ze de heldin van den dag wezen, en ondanks den blik van welgevallen,
waarmee ze zichzelve des morgens in haar feestgewaad beschouwde, heeft
ze al spoedig, en tot het einde toe, een gevoel gehad alsof men haar de
vreugd van dezen dag misgunde, en voor 't meerendeel de hulde onthield,
waarop ze met het volste recht mocht aanspraak maken. Ja zij weet het
zeker: 't is de houding van den generaal Van Barneveld geweest, die
zoo doodelijk op de feestgenooten gewerkt, en haar als met looden hand
heeft neergedrukt. Zoo ooit dan kreeg ze op haar trouwdag de zekerheid,
dat die man met zijn streng--misschien aristocratisch voorkomen, een
schriel, onwellevend mensch, en bepaald haar vijand was. Wat heeft hij
op dezen dag voor zijn pleegzoon gedaan? Hij heeft hem vernederd in het
liefste wat hij bezat, in zijne bruid, in zijn jonge echtgenoote. 't Is
slechts de baron Debecke geweest die haar een paar malen iets vleiends
over haar uiterlijk en trouwtoilet heeft gezegd. Niet, dat haar "de
laffe vleierij van zulk een oud man"--in 't geringste aangenaam was;
neen, maar 't heeft den blik van den generaal te sterker doen spreken,
den blik die niet op haar rusten kon, zonder dat men de vraag er op
las: Wat zou in 'shemelsnaam zulk een _toilet wel gekost hebben_!
Neen, niets ter wereld heeft die man gedaan om het trouwfeest van
zijn pleegzoon eenigen luister bij te zetten. Niets! Zijn rijtuigen,
zijn kleeding, de totale absentie van andere leden zijner familie dan
de houterige ofschoon goedaardige Jacoba--terwijl juist _twee dagen
later_ een zuster van den generaal zou komen logeeren--dat alles,
maar inzonderheid zijn indigne uitdrukkingen in die kosterskamer, ze
hebben haar immers ten volle overtuigd, dat ze recht heeft om dien
zoogenaamden hoogstverstandigen en degelijken man, een bekrompen
despoot en haar vijand te noemen. Niemand, niemand weet het wat
het haar gekost heeft om zich goed te houden; schijnbaar vroolijk,
lachend en tevreden te zijn, ter wille van dien braven August--die
nochtans voor de lompheden van zijn oom gesloten oogen en een bijna
aan zwakheid grenzend geduld heeft gehad.
Deze overspanning nu was de hoofdbron van Eva's overvloedige tranen.
Of er misschien in haar binnenste nog iets anders roerde dan het
gevoel van miskenning, waardoor haar het zoet van den schoonsten
feestdag was vergald....? Zooveel is zeker, toen Eva straks haar
prachtig trouwkleed voor haar net eenvoudig reisgewaad had verwisseld,
toen voelde ze zich als van een drukkenden last ontheven.
Tegen den avond van dienzelfden dag, terwijl de trein het laatste
station vóór Amsterdam verliet, was het noodweer bedaard. De maan
"had het opgetrokken", en de natuur was tot haar vroegere kalmte
teruggekeerd.
Binnen een compartiment van de eerste klasse zaten twee personen zeer
dicht naast elkaar, met de handen vast ineengesloten, slechts bespied
door het vriendelijk-stralende aangezicht 'twelk zooveel onstuimigs
had naar boven gehaald.
"Ja August, oom Van Barneveld wil ik achten en liefhebben. Ja, ik
ben een dwaas kind geweest. Was ik ijdel misschien? Maar op zulk een
dag! Och August, als ik slecht of niet lief ben, zeg het mij gerust;
over oom zal ik anders spreken, dat beloof ik je mijn beste man!"
Nu dokter Helmond zonder eenig geweld zulk een schitterende overwinning
heeft behaald, nu wil hij zijn triumf op die aangebedene niet vieren,
en in deze oogenblikken het allerminst. Vaster klemt hij haar aan
het hart, en dan, in schier overspannen verrukking:
"Ja Eva, oom zal je kennen en waardeeren. Waarachtig hij zal mij nog
jaloersch maken met zijn liefde voor mijn engel!"
"Die arme oom!"
"Hij moet erkennen dat mijn liefste, de nederigheid zelve is, waar
ze bij haar vollen rijkdom van schoonheid en talenten nog wil aanzien
en goedvinden wat buiten haar ligt: als ze zelfs één éénig wezen wil
zijn met den eenvoudigen kleinsteedschen medicus."
"Hoe dan.... als jij nu dwepen gaat!" fluistert Eva na een lange
omhelzing: "Heb ik niet juist mijn _dokter_ genomen omdat hij uitblonk,
omdat ik met hem schitteren zou. Mijn lieve _professor_!"
Toen Eva zich bij deze woorden alweder de liefdetolken op het gelaat
voelde drukken, en, naar buiten ziende, de bleeke maan achter een
voorbijschuivend wolkje verdwijnen zag, toen--ze wist niet hoe het
kwam--toen dacht ze vluchtig aan Donerie; en ze hoorde hem zeggen--dat
hij haar liefhad; maar.... ze weet niet wat ze geantwoord heeft.
De vigilante, die Helmond en zijn jonge vrouw in de groote Amstelstad,
sluis op- sluis af, naar hun hotel bracht, had er geen weet van welk
een bijzondere vracht ze reed. De eerste schenker in _Het Keizershof_
had er al spoedig het zijne van. Oogknipjes aan confraters, en
bijzondere beleefdheid voor _mevrouw_, zeiden genoeg. Maar, de
beleefdheid zou niet van langen duur zijn. Toen hij had boven gebracht
'tgeen Helmond heeft besteld, toen verlangde men niets meer, niets
niemendal, en hoorde de schenker na 't verlaten der kamer nog maar
alleen--dat de deur van binnen ofschoon tamelijk zachtjes, op het
slot werd gedaan.