De plechtigheid der kerkelijke inzegening is afgeloopen. Volgens
Romphuizer gewoonte zullen de jongelieden zich nu aanstonds met
hun gezelschap naar de pronkkamer van het met de kerk verbonden
kostershuis begeven, om er, voor 't eerst zonder vreemde oogen,
begroet te worden als man en vrouw.
Bij dat heengaan, terwijl het orgel nog zijn tonen door den straks
verlaten tempel zendt, voelt de jonge echtgenoot den arm van zijn Eva
in den zijne beven, en ziet hij dat groote tranen haar in de oogen
blinken. Sterker dan te voren drukt hij den arm van het innig geliefde
wezen, van _zijne vrouw_. Ja, hij verstaat die tranen; hij gevoelt wat
het zeggen wil voor het fijngevoelige maagdenhart, om den draad te zien
afgesneden die haar hechtte aan het schoone tijdperk der blonde jeugd,
ofschoon dan ook een hechtere band, en voor een heerlijker toekomst,
gesloten was.
Helmonds sterkere ondersteuning kon echter niet verhinderen dat Eva,
juist bij het afstappen van het meergenoemde Deventer tapijt over
een omgeslagen punt ervan struikelde, en misschien zou gevallen zijn,
indien zij zich niet aan een lans van het koorhek had vastgegrepen.
Tot haar eer moet gezegd worden, dat het zoo uitdrukkelijk door haar
begeerde tapijt, tot nog toe geen oogenblik haar opmerkzaamheid had
getrokken. Nu ze er over gestruikeld was, nu glimlachte ze vluchtig
door hare tranen heen, en zag naar den gescheurden witglacé handschoen,
die zoo onverhoeds de lans had gegrepen.
"Nee lieve August, volstrekt niet;" zegt Eva in antwoord op een half
angstig belangstellend vragen van den man, die zijn grootste en pas
verworven schat een oogenblik in gevaar heeft gezien; sloeg toen
den blik naar boven, waar, zooals 't haar toescheen, de orgeltonen
elkaar omarmden en zich ophoopten alsof ze niet scheiden konden;
en--ze dacht weer aan den avond toen een jonkman met bruine oogen en
donkere krulharen een Cavatine voor haar speelde, en haar zeide, dat
hij die op den dag van haar terugkomst in Romphuizen gemaakt had....
"Mijn lief best vrouwtje is toch wel wat geschrokken;" fluistert
Helmond.
"Nee August, waarlijk niet. Een oogenblik misschien; maar nu is
't heelemaal voorbij mijn beste; heelemaal!"
't Verwonderde August minder, maar het ergerde hem des te
meer dat oom Van Barneveld tot nu toe de eenige is die, na de
kerkelijke plechtigheid, noch zijn bruid noch hem een woord heeft
toegesproken. Die koets uit _De Gouden Arend_ moest er schuld aan
zijn. Nu ja, maar dat was kleingeestig.--Kleingeestig was het reeds
dat oom zoo bang voor zijn eigen koets is geweest dat hij haar,
bij zulk een gelegenheid, niet wilde missen, alleen omdat het wat
regende. Maar, nóg kleingeestiger mocht het heeten dat in oogenblikken
als deze, wanneer de neef--het pleegkind van wien men zegt zooveel te
houden--den gewichtigsten stap van zijn leven heeft gedaan, wanneer
hij een engel van schoonheid en lieftalligheid geheel de zijne
mag noemen, dat in zulke oogenblikken de "liefhebbende pleegvader"
geen heilwenschend woord, ja zelfs geen zoen en handdruk voor het
jonge echtpaar overheeft, en dit alleen omdat een nette bruid haar
trouwkleed niet graag ineens bederven wil, en daarom een schrikkelijk
beslijkte vigilante wegzendt teneinde er een ander rijtuig voor in de
plaats te nemen. Helmond zal zijn ergernis zoo goed mogelijk verbergen.
"Oom heeft ons al op 't stadhuis gefeliciteerd Eva;" fluistert hij
terug op een aanmerking daarover van hare zijde.
"'t Gezelschap dier heeren schijnt hem bijzonder te bevallen;" herneemt
Eva: "Nee, 't is wat erg.... zie, nu moet hij dien onuitstaanbaren
neef Lieder nog aanspreken. Nee lieve, ik vind het zachtst genomen
_lomp_! Als ik niet zoo in-gelukkig was dan zou ik me boos kunnen
maken."
Kippelaan die--dank zij zijn straks gegeven fooi--in de kosterskamer is
binnengedrongen, en, dewijl hij de jongelieden ongemerkt is genaderd,
hun snel gesproken woorden voor een deel heeft opgevangen, vindt het
nu een uitmuntend geschikt oogenblik om zijne hartelijke belangstelling
nogmaals op alle manieren te betoonen:
"Tot in lengte van dagen hoorje!--Mevrouw Helmond, mijn enorm
compliment! Ik weet amice, dat je op deelneming gesteld bent. Jawel,
jawel daar is een mensch op gesteld. Ik weet het, je zoudt 't me
kwalijk hebben genomen indien je me hier niet gezien hadt; jawel,
en ik zelf zou het me kwalijk hebben genomen. Parole! A-propos
amice! bekend dat ze in _De Arend_ gemeene champagneglazen hebben. Wil
je d'r anderhalf dozijn? Mevrouw Helmond, wil je? Gerust! Ze zijn
nog van mama's kant, de Parladotti's. M'n neef de professor had er
nooit fijner gezien. Je bent met vijftien personen aan tafel niewaar?"
"Dankje Kippelaan, dankje bepaald."
"Anders van harte gemeend! A-propos, dat schoot me nog in: Van Dins
de stationschef is een vriend van me: perfecte kerel. Ik zal 'em gaan
vragen of ie een afzonderlijke coupée voor je open wil houen.--Eerste
niewaar? Naar Rotterdam niewaar? Enfin we zullen dat wel plooien.--Nee,
nee, geen complimenten; met alle plezier.--Met den trein van drieën,
of....?"
Zonder dat Eva of Helmond het hadden bemerkt was dominee Hoogerberg,
die hen bij de inzegening recht hartelijk heeft toegesproken--nu van
toga en bef ontdaan--de kamer ingetreden.
Van Barneveld heeft op zijn komst gewacht. Het geluk van dat jonge
paar--van dien pleegzoon in 't bijzonder--ligt hem na aan het
hart. Hij gevoelt dat zijn terughouding in deze oogenblikken hen
pijnlijk moet aandoen; doch, veinzen kan hij niet. Hij is ontstemd,
zeer ontstemd. 't Zijn kleinigheden, welzeker, altemaal kleinigheden,
maar juist op dezen dag moeten ze hem met bezorgdheid voor de toekomst
vervullen. Bij het rijden van het stadhuis naar de kerk was het hem
gebleken dat mevrouw Helmond de vigilante van _De Zonsberg_ niet
voldoende is geweest. En dan: In het laatste kwartier heeft mijnheer
Lieder uit Amsterdam de voorzorgen van Eva's moeder verijdeld, want,
onwillekeurig eenigszins in 't nauw gebracht, doordien hij van mijnheer
Wolf "den veearts" heeft gesproken, "wiens zwager ongetwijfeld die
fraaie verlakte laarzen had gemaakt", is hij mede tot de gemoedelijke
ofschoon ongevergde verklaring gekomen, dat hij zelf te Amsterdam
ondermeester op een der stadsarmenscholen was. Neen, het deed er niet
toe wat die menschen waren; Eva was de dochter van een man die het
tot officier had gebracht, en als zoodanig kon Helmonds huwelijk geen
directe mésalliance genoemd worden, doch, als daar iets leeft in den
mensch om telkens met geweld iets meer te willen schijnen dan hij is;
als men dan--en zelfs op dezen hoogstgewichtigen dag--dien toeleg bij
de familie Armelo ten sterkste ziet uitkomen; als hij Eva's toilet
nauwkeurig beschouwt, een toilet dat in Romphuizen na dezen dag zeker
nooit meer gedragen kan worden; als hij.... Maar genoeg, hij heeft
op dominee gewacht; door een weinig te wachten eer hij een woord tot
de jonggehuwden sprak, heeft hij zich zelven wat kalmer gestemd, maar
'tgeen hij op het hart heeft dat moet hij zeggen, of anders--anders zou
hij die jonge schoone vrouw niet den vaderlijken zoen kunnen geven,
zoals hij er een aan het "ander ik" van zijn geliefden pleegzoon
verschuldigd is.
Op Hoogerberg toegetreden, zegt de generaal nu tamelijk luid, als
verzocht hij daardoor meer algemeene aandacht, terwijl zijn stem,
ofschoon er het metaal van den hoofdofficier in gevonden wordt,
toch een zekere beroering verraadt:
"Dominee, ik heb gewacht met de jonggehuwden, na uw inzegening toe te
spreken totdat je zoudt tegenwoordig zijn. Allereerst wou ik je de hand
drukken, om je te toonen hoezeer ik de goede woorden waardeer, die je
tot hen gesproken hebt.--'t Was een waar gezegde, al is het niet nieuw
misschien, dat het huwelijksgeluk --ja alle geluk--in _waardeering_
bestaat. Zeer juist. De mensch mag--ik zou zelfs zeggen hij _moet_
met kracht ook naar stoffelijken vooruitgang streven, mits hij het
doe met geheele waardeering van 'tgeen hij goeds _bezit_ en niet
slechts van het _betere_ 'twelk hij elders ziet of meent te zien en
nooit zeker is te zullen verkrijgen.
"Jonge echtgenooten!" vervolgt de generaal, en terwijl nu die zekere
trilling in zijn stem is verdwenen, treedt hij op het bruidspaar toe:
"'t Is zeker een mooi woord door den wakkeren volgeling van den grooten
Stichter onzer religie--onzen Heiland-- gesproken: "De liefde zij
ongeveinsd!"--Zóó begrijp ik het ook. En als ik u nu toespreek _hier_,
als 't ware op den drempel van het huis waar we God eere brachten;
hier veel liever dan straks aan een feestmaal met een roemer wijn in
de hand.--dan verwacht gij van een oud-soldaat geen sierlijke rede,
maar een kort woord, ongeveinsd uit het hart. Helmond en Eva, je bent
voor het oogenblik gelukkig; als er op aarde een volkomen geluk kon
bestaan dan zou ik zeggen _volkomen_ gelukkig! Laat dat zoo blijven,
langer dan de weken of maanden die daarvoor door de wereld als regel
zijn gesteld. Eischt niet te veel. Waarachtig geluk is niets anders
dan _tevredenheid_. 't Gaat met het geluk zoo dikwijls als met den
ransel, die door den al te begeerigen soldaat met een vermeesterden
buit was overladen. Onder 't marcheeren barstte de ransel, en, niet
slechts gingen de goudstukken verloren maar ook het noodige, waaraan
hij zoo dringend behoefte had. Of het waar gebeurd is dat weet en
geloof ik zelfs niet, maar dat het zoo gaat in de wereld dat weet ik
zeker, en dat anderen dan komen om den buit op te rapen en voor zich
te behouden.... ik geloof dat die stelling niet te gewaagd is.
"August, al zal ook je dagelijksch brood, geëvenredigd naar den stand
waarin God je plaatste--het allermeest de vrucht van je eigen werk en
studie--zeker voldoende, ja zelfs niet karig zijn, toch vertrouw ik dat
jij met de vrouw van je keuze, ook bij een sober deel, rijker zoudt
wezen dan een koning: gelukkig in haar bezit. Als dat geluk duurzaam
zal zijn, heb haar dan lief met een kloeke verstandige liefde. Laat
haar somtijds de zweetdroppels zien van den landman wanneer hij het
koren maait, want zelfs de dorste broodkruimels zullen dan waarde
krijgen in haar oog.--August, als een kind grijpt naar de vlam eener
kaars dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en--heb haar lief."
"Oom, ik bid u," fluistert Helmond strak voor zich ziende, zeer zacht
en zonder dat iemand dan Van Barneveld en Eva het hooren kunnen! want,
met een vluchtigen opslag der oogen heeft hij bespeurd dat Eva
doodelijk bleek is geworden.
Van Barneveld gevoelt eensklaps dat hij te ver is gegaan. Maar, ligt
het geluk van dien laatsten pleegzoon hem dan niet onuitsprekelijk na
aan 't hart!--Heeft hij niet gehoopt dat een waarschuwend woord van den
grijzen soldaat in _deze_ ure een indruk zou kunnen maken, beslissend
misschien voor het geheele leven?--Maar juist: hij is oud; hij is geen
redenaar die zijn woorden behendig kiest; hij was ontstemd. Hij had
niet moeten spreken. Neen, althans niet nú: Hij ziet den geliefden
pleegzoon daar voor zich staan en meent op zijn gelaat de uitdrukking
te lezen: Als ge haar kwetst dan beleedigt ge mij, en al ben ik u veel
verschuldigd, dát verdraag ik niet.--En Eva's wit--witter dan haar
satijnen kleed; en het onrustig jagen van haar boezem, ontgaan hem
evenmin; en--of hij eensklaps een dreigend spooksel zag verrijzen,
dat hem nogmaals van 't hart dreigt te scheuren wat hem lief is:
een tweeden pleegzoon; of ook dat hij slechts beseft een bitter woord
te moeten goedmaken, zeker is het dat plotseling een warm gevoel de
borst van den grijzen pleegvader doorstroomt. Met aandoening vat hij
Eva's hand, en, zonder dat er voor den min-aandachtigen toehoorder
een merkbare stoornis in zijn rede is geweest, herneemt hij:
"God weet het Eva, dat er voor Helmonds lieve vrouw een ruime plaats
in mijn hart is. De oude soldaat heeft niet altijd de zoetste woorden
gereed; maar dat hij het waarachtig goed met je beiden meent, daarvoor
is zijn woord je borg. Eva, ik ben er van overtuigd dat je den zoon
van mijn braven krijgsmakker gelukkig wilt maken. Je schoonheid,
je lieftalligheid, je talenten. Ja ja, je talenten.... Kom kom,
geen tranen! Je bent de dochter van een militair niewaar? Welnu, ik
zeg.... ik zeg immers wel vast overtuigd te zijn, dat je hem gelukkig
zult maken.... Fi fi, die tranen weg! Komaan kind, geef jij me maar
een zoen....? Jawel--ziezoo...." En--de generaal omhelsde de jonge
vrouw van zijn geliefden pleegzoon.
Van Barneveld vloekte nooit, of althans in de laatste jaren slechts
zeer _zeer_ zelden; maar toen hij de grijze knevels opstreek nadat
hij Eva een zoen had gegeven, en Helmond hem op gansch anderen toon
dan daar straks een: "Dank u oom," heeft toegebracht, toen wendde hij
zich eensklaps af, en moest dominee Hoogerberg een woord opvangen,
dat hij niet van den generaal gewoon was. Maar de anders zoo kloeke
oude man, scheen ook zeer van zijn stuk te zijn en meer bewogen dan
hij uiterlijk schijnen wilde.
Zwijgend--als om den storm te doen bedaren--drukte Hoogerberg den
grijzen pleegvader de hand, en zacht klinkt het antwoord;
"Nee nee dominee, 't was verkeerd: een oud-soldaat moet geen openbare
preek houden; maar ja, 't zou me knagen aan 't hart als ik den jongen
niet gelukkig zag."
De feestgenooten hebben de toespraak van den generaal, die met zulk
een hartelijke omhelzing was besloten, voor 't meerendeel hoorende
niet gehoord, in de vaste overtuiging dat de generaal den schoonsten
van alle heilwenschen ontboezemde. Mevrouw Armelo werd zelfs door den
zoen aan haar kind gegeven, tot tranen geroerd, en hoezeer zij ook van
de "gelijkheid der partijen" overtuigd was--"allemaal militair"--toch
heeft ze, toen de rijke heer van _De Zonsberg_ haar eigen Eva zoende,
mevrouw Van Hake die naast haar stond, in 't oor gefluisterd:
"O 't is een engel van een man, en tóch vijf rangen hooger niewaar?"
Terwijl mevrouw Armelo die woorden sprak, kostte het haar moeite om
een zekere agitatie te verbergen. Maar toch, niemand zal gissen dat
ze zich eenigszins zoekt voor te bereiden op het mogelijke geval dat
de generaal, in zijn bewogen stemming, ook háár, als de moeder van
zijn nieuwe nicht en "schoon-pleegdochter" ten aanschouwe van zoo
velen omhelzen zou. Och ja, waarom niet!
Maar de generaal heeft er volstrekt geen plan op. Bij het binnentreden
van deze kamer had hij aanstonds, zooals het paste, aan de ouders
der jonge vrouw zijn compliment gemaakt.
Kapitein Armelo voelt zich nu door zijn ega aan de wijde mouw van
zijn uniformrok trekken. Hij verstaat haar. Als vader der bruid is
hij verplicht hier ook iets te zeggen: "Ja ja Marie, ik weet wel! Maar
't is hier geen gemakkelijke taak. Enfin!" Na een korte aarzeling en
drie kordate stappen, staat hij voor het jonge echtpaar.
"Mijnheer Helmond!"--Omziende: "Watblief?--_Kinderen_ meen ik.... Eva,
enfin! ik refereer me geheel aan de gevoelens van den generaal! Wat de
geachte leeraar heeft gezegd, daar ben ik het ook volmaakt mee eens:
God sprak, het was met goed dat de mensch alleen stond in de armee...."
"Guns Armelo!--Hij meent de _wereld_;" fluistert mevrouw.
"Dat het niet goed was in de _wereld_;" verbetert de kapitein: "En
daarom sta ik hier als de ouders van de bruid en wensch je als mijn
schoonzoon dat je ons wederkeerig zult respecteeren, en dat je met
je nakroost.... enfin we weten d'r alles van niewaar.... in liefde
en vrede, en...."
Armelo, die ook al geen redenaar bleek te zijn, was, zooals hij
later verklaarde, in de war geraakt, doordien hij, "ongewoon aan
die groote dingen op de borst", iets in 't oog heeft zien schemeren,
en, meenende dat er iets op zijn jas zat wat er niet behoorde--een
spin of zoo'n ding--heeft hij zonder nadenken er naar geslagen,
en was het haakje losgegaan, zoodat de "groote tiendaagsche ruzie"
voor het jonge paar op den grond is gevallen.
Maar 't was niemendal. Helmond zelf raapte het kruis voor den
schoonvader op, terwijl de kapitein door dat kleine intermezzo nu
ook gevoeglijk heeft kunnen eindigen.
Buiten blijft de regen stroomen en gutsen, en de wind zweept hem
door de Romphuizer straten. De koetsen voor het kostershuis met haar
druipnatte en pruttelende koetsiers; haar paarden die als zeekatten
glimmen, en haar duizend-en-een geïmproviseerde regenbakken en gootjes;
de steeds besproeide en druipende feesttrein, waaraan de feestgenooten
echter nog ontbreken, was door de nieuwsgierigen voor 't grootste
deel verlaten omdat het--zooals de laatst vertrokkenen zeer wijsgeerig
hebben aangemerkt--toch niemendal _gaf_ dan een _kletsnat pak_."
Behalve eenige straatjongens en meisjes--de laatsten met haar rokken
over 't hoofd--stonden er nog twee, die dicht aaneengesloten onder
een groote groene parapluie, het weder-instappen der jonggehuwden in
de trouwkoets verbeidden. 't Was een zeer bleek, fatsoenlijk gekleed
jonkman met een dito dito meisje. Ze zuchtten gedurig, maar ze hadden
geduld, want, ze wachtten al acht jaren lang, wel te verstaan op
"een oogenblik vol zaligheid zooals net nu aan dat paar geschonken
was".--Piet Lovers was candidaat-notaris zonder fortuin, en heeft
pas sedert vier jaren zijn titel gekregen.
"Piet, als je eens iets uitvondt;" zuchtte het meisje heel zacht.
"Ja, Marietje," zuchtte Piet weerom: "als ik eens iets uitvond; maar
_wat_!?" en hij tuurde op de kleine cascade, die langs een baleinpunt
van zijn parapluie naar omlaag stroomde.
De vaalgroene gordijn voor het hooge kruisraam der kleine
orgelkamer hangt nu, zooals gewoonlijk, weer rustig in haar deftige
plooien. Straks hield een trillende hand haar van terzij op een
looverkier geopend. Glurend door een matten glimp, heeft Donerie langs
het dak van een groote groene parapluie het oog gehad op die hooge
trouwkoets. Toen het portier werd opengedaan en de treden neergeklapt,
toen heeft hij strakker getuurd; maar--een rouwfloers heeft hem het
uitzicht benomen. 't Zal een zwarte parapluie zijn geweest waarmee
men het gelukkige paar voor den regen beschutte, maar in zijn oogen
was het een rouwfloers, en slechts op 't laatst, bij 't verdwijnen
in de lijkkoets, toen heeft hij nog iets wits zien blinken. 't Was
haar kleed...--De lijkkoets?--Nu ja de _trouwkoets_! hij dacht aan
rouwfloers, en men vergist zich dan licht.
Terwijl Donerie zich straks naar huis spoedt, bemerkt hij wel dat de
regen nog altijd stroomt, en dat de wind guur en koud is, maar het
deert hem niet; integendeel het verfrischt hem. Toch is het alsof het
loopen hem moeielijk valt; zijn beenen zijn zwaar, en het hoofd! O
dat bonzen, dat bonzen!
Op zijn kamer teruggekomen waar zijn "twaalf uur" als naar gewoonte
gereed staat, is het blijkbaar zijn streven om zich kloek te
houden. Soms, een enkele maal, geeft hij wel eens toe aan zijn
gevoel. Maar vandaag, wie durft beweren dat hij niet krachtig is
geweest! Was het zoo vreemd dat hij zich nu wat bijzonder onmachtig en
gloeiend en zieker dan gisteren gevoelde--na zulk een concert!--Nu is
't alles afgeloopen. Ziezoo! Nu moet ook de kalmte terugkeeren. Morgen
zal hij veel beter zijn, ja zeker van avond al!
Hij neemt een bord van de tafel en drukt zich het koude Wedgwood
eerst tegen het voorhoofd en dan op de slapen.--Eten? hoe zou het
hem mogelijk zijn! Nu hij zitten ging op zijn gewone plaats, zie,
nu is het alsof de kamer met hem ronddraait.--Als hij opstaat dan
zal dat beter worden.--Ja, zoo is het.--Wacht, hij moet den sleutel
van het orgelkamertje nog op zijn gewone plaats in de secretaire
hangen. Daarna wil hij zich uitkleeden en een weinig gaan rusten;
dat zal toch beter zijn.--Nu is de secretaire geopend.
--Neen,-ja,-bonst het hoofd: neen,-ja; niet zien, wel zien;
neen,-ja.--Het binnendeurtje was al open.
--Ah zoo.... jong mooi meisje; ei zoo, ben jij nu de vrouw van een
ander....? Hahaha!--Wie lachte daar, wie?--Goede God, hij zelf heeft
zoo vreemd gelachen; hij is er van geschrokken.--Wat deed hij ook met
dat portretje in handen! Weg, _weg_ er mee! Waar is dan de kracht;
waar het verstand!--Wáár ze zijn....? _Hier_, _dáár_, _hier_! Hier
zijn ze beiden! Zie dan, zie! En Donerie's brandende vingers, ze
scheuren het blaadje karton, de beeltenis van dat heerlijke kind,
in kleine,--ja zie maar, in zeer kleine stukken.
Nu heeft hij het raam geopend. Een felle luchtstroom doet alles
kraken en fladderen en klapperen in het vertrek. Daar werpt hij die
bijna onzichtbare deeltjes naar buiten in de verwoede golven der
bruisende luchtzee. En zie--als sneeuwvlokjes licht, stuiven ze op;
en dwarrelen over daken en goten, om echter al spoedig verloren te
gaan in de doodsch-looden tint van dien somberen dag.