"O, zoo!" ging de

matroos voort. "En nu heb-je ze nog maar enkel zien sterven, terwijl

de ziekentrooster met hen bad of de schipper ze nog een goed woordje

voorlas. Alweer net als in de kerk! Maar dan zal je eens wat anders

gebeuren, als jij op je beurt ook schipbreuk lijdt, wat ook in je

leven als zeeman in je boekje zal voorkomen. Als je daar zoo met je

kameraden je toevlucht in den mast genomen hebt, en je met

handen, blauw en gezwollen van de kou, je moet vastklemmen aan

het want of aan een touw, dat op het laatst door je knuisten

snijdt, en dat je tóch vasthoudt, omdat je anders neerduikt in

die schuimende, kokende massa beneden je. Jongetje nog toe, dan

zie-je af en toe een maat, die het niet meer kan uithouden, vlak

voor je oogen en zonder dat je ze helpen kunt naar den kelder

gaan.... Laat het je gezegd wezen door een, die meer keertjes dan

jij de linie is gepasseerd, dat, wie zeeman is, veel ondervonden

heeft, en voor geen klein geruchtje vervaard kan wezen."

Onder die redevoering, die er bij stukken en brokken bij zijn

bevaren maat uitkwam, zat Witte, werktuigelijk doorroeiend, strak

voor zich uit te kijken.

Ook de matroos zweeg een wijle.

Toen kwam het er bruusk bij dezen uit:

"Een zeeman leeft, zoolang hem dit vergund is, en gaat niet in een

hoekje zitten. Eenvoudig omdat er aan de zee nu eenmaal geen hoekjes

zijn. Hij helpt zijn scheepsmakkers, omdat je natuurlijk helpen

moet, maar is die makker dood, dan zegt-ie: dat is er weer een naar

de haaien. Zoo zullen er honderden uit je kluisgaten raken, lansje,

en, kom-je in den oorlog, dàn bij duizenden. Net zoo lang, tot je

zelf de laan uitgaat. We leven met de levenden, jongen, en praten

tusschenbeide nog wel eens over een goeien kameraad.... Waar zou een

zeeman blijven, als hij met sjimmen en huilebalken begon?"

[Illustratie: Een zeeman leeft, zoolang hem dit vergund is.]

Witte knikte. Hard als hij van aard was, zou hij een der hardsten

van het toenmalige geslacht worden, dat wèl voor de daad, maar

minder voor de overpeinzing was. Wat hij tegen zich zou krijgen,

was, dat die aard zich bij hem niet zou omzetten in een luchtigheid,

welke den zeeman over al de ellende van zijn moeilijk en gevaarvol

leven zou heen zetten, maar in een strengheid, waardoor hij bij die

zeelui niet geliefd, integendeel, gehaat zou worden.

Wat de toekomst zou brengen, lag op dat pas voor hem nog verborgen,

maar nu ten minste begreep hij wel zoo ten naaste bij, dat het

stilzwijgen der bemanning van de "Westvriesland" niet toegeschreven

zou kunnen worden aan een mogelijk sterfgeval.

Wat zou het dan kunnen zijn?

Aha! ze zouden het straks wel te weten komen, aan wal, wanneer men

hen, bij het inslaan van het kostelijke drinkwater, zou kunnen

uithooren.

Doch van dat uithooren kwam voor ditmaal niemendal.

Zeer streng hielden de officieren van de "Westvriesland" hun mannen

onder bewaking en afzondering. Even hadden zij gesproken met de

officieren van "de Gouden Leeuw", maar ook die werden daar niet veel

wijzer door. Ze mochten niets zeggen voor hun commandant. Alevel

gaven zij wel iets te verstaan, waardoor hun ondervragers een zeer

bedenkelijk gezicht trokken, en van dit oogenblik af meer dan bij

zulk een tochtje aan wal de gewoonte was, op hun mannen gingen

letten en ze streng nagingen, of zij wel met die van het andere

schip in aanraking zochten te komen.

Ja, zeker, laat dàt maar eens aan een paar kwâjongens belet worden,

die elkaar wenschen te spreken! Die guiten rollen onder alle

mogelijke opzicht door! Want toen Witte in een van de schepelingen

van de "Westvriesland" zijn vriend Hans herkende, of althans meende

te herkennen, omdat de boy wel een paar jaar ouder leek geworden,

konden de autoriteiten doen en opletten wat ze wilden, maar die twee

veelbelovende knapen kregen het gedaan, wat al den anderen mislukte.

"Hans.... wat is er toch bij jullie?"

"Wèg, wèg, Witte.... Als ze 't zien...."

"Maar...."

"Maak me niet ongelukkig!"

"Ik jou?"

"Ja, ja.... Maar ga dan toch weg.... Ze zullen ons in de gaten

krijgen!"

"Wat is er dan toch?"

"Kun je zwijgen?"

"Ja."

"Ook als ze je op de folterbank leggen!"

Witte huiverde. Star keek hij zijn vriend aan.

"Wèg, Witte.... Anders kom ik er op."

"Nooit!"

Akelig ernstig keek de anders zoo vroolijke Hans hem aan.

Hij sprak nu niet, bang, dat de lucht den klank van het woord over

zou brengen. Alleen spraken zijn lippen het uit.

"Samenzwering," verstond Witte.

"Een samenzwering"

"Ja," fluisterde Hans terug.

"Waartoe?"

"Om zeeroover te worden."

"O, Hans!"

"Stil!.... Men let misschien op ons!"

"Ik ga al weg...."

"Niets verraden, hoor!"

"Mijn hand erop!"

"Neen.... geen hand.... Hoor, ze roepen al..."

En weg was Hans.

Dienzelfden dag was er een druk gesein tusschen de twee schepen. De

kapitein van de "Westvriesland" kwam aan boord en daalde met den

gezagvoerder van "de Gouden Leeuw" naar diens kajuit.

[Illustratie: "Samenzwering", verstond Witte.]

Hoeveel honderden oogen waren in dien tusschentijd in angstige

nieuwsgierigheid op beide gezagvoerders gericht!

Daar.... werden de andere officieren van "de Gouden Leeuw" geroepen.

Witte, als kajuitswachter moest hen binnen laten en bedienen. Hij

kreeg een schier onwederstaanbaren lust om aan de deur van de kajuit

te luisteren, maar met al zijn wilskracht bedwong hij die

verleiding. Hij wist, dat er op een vergrijp tegen de krijgstucht

in deze hoogst ernstige omstandigheden de dood kon staan.

Na een geruimen tijd van beraadslagen, ging de krijgsraad uiteen, en

keerde de gezagvoerder van de "Westvriesland" naar zijn bodem terug.

De matrozen van "de Gouden Leeuw" bleven uitkijken.

Ze gevoelden, dat er meer gebeuren zou.

Wat zij verwachtten, geschiedde. Ze zagen een paar sloepen strijken,

en in het helle zonnelicht de loopen van vuurroeren glinsteren....

O, o, wat zou er toch gebeurd zijn?

Met afgemeten riemslagen naderden de sloepen, scherp beloerd door al

wat aan "de Gouden Leeuw" oogen had om waar te nemen.

Wat zij nu zagen, ontroerde hen.

Zwaar geboeide mannen, die nu met moeite den valreep werden

opgeleid.

Ze telden er niet minder dan acht-en-twintig.

O, wat zagen die er wanhopend en terneergeslagen uit!

Er waren eronder, die men kende, en dat vermeerderde de

belangstelling.

Ook Witte had uitgekeken, tersluiks, even als de anderen.

Hij voelde het kloppen van zijn hart.

Was Hans erbij?

Gelukkig, neen! Die behoorde niet tot die ellendigen.

Hij zag hen leiden naar de plaats, waar men de gevangenen bewaarde;

in deze warme streken een waar martelhol. 3)

Akelig klonk hem het ketengerammel in de ooren, toen ze vlak voorbij

hem gingen.

Zouden ze ooit weer die mooie zee en die stralende zon terugzien?

Witte las bij enkele nog heel jonge kereltjes onder hen die vraag

uit den blik, waarmede ze rond zich keken, voor zij door de

gewapende wachters naar beneden waren gevoerd.

Doch nu Hans maar niet bij hen was, had hij geen medelijden meer.

Wie kwaad gedaan had, moest gestraft worden. Dat stond al jong bij

hem vast, en dat heeft hij zijn heele leven vast gehouden.

De gevangenen mochten niet onbewaakt blijven, dus wel moest hun

misdrijf heel ernstig zijn. De schildwachten, daartoe aangewezen,

waren gewapend, en werden op bepaalde tijden afgelost.

Bovendien hadden zij de opdracht zeer streng in hun bewaking te

zijn, en dat zij geen woord met de gevangenen mochten wisselen. Op

overtreding van dit gebod stond de onteerende straf van aan de

groote ra opgeknoopt te worden.

Nog eens, het moest dus wel een verschrikkelijk geheim zijn, hetwelk

voor de equipage van "de Gouden Leeuw" weggeborgen was in de vuile

cachotten waarin het bij de toenemende warmte, krioelde van

kakkerlakken en allerlei ander ongedierte. Daarvan kon het

toentertijde in die houten, slecht geluchte schepen soms letterlijk

wemelen.

Wat dat geheim toch zijn kon?

De equipage had wel het vermoeden, dat we daarstraks door Hans

hoorden aangeven, maar den vollen omvang, van wat er ginder aan

boord van de "Westvriesland" mocht gebeurd zijn, had niet een.

------------

2) Zie buitenplaat

3) Zie titelplaat.

XII.

HET LAATSTE GEDEELTE VAN DE REIS.

Negen dagen, nadat men het anker in de Tafelbaai had uitgeworpen,

dus den 18en Juli 1616, maakte men zich wederom op tot voortzetting

van de reis, en nu zou het door den blauwen Indischen Oceaan

regelrecht naar die rijke eilanden gaan, welke zulk een groote

aantrekkingskracht op de Westersche volken van dien tijd

uitoefenden.

Dit laatste deel van die maandelange reis zou niet een bevestiging

kunnen zijn van het oud-Hollandsche spreekwoord, dat de laatste

loodjes het zwaarst wegen. Want men kon nu gebruik maken van den

passaat en eveneens van gunstige zeestroomingen. Toch duurde het nog

tot den 10en November, eer de beide schepen de Straat van Soenda

passeerden.

Gedurende die vaart door dit gedeelte van de wereldzeeën, waar, in

de heerlijke maan- en sterrennachten, het den Westerling kan

voorkomen, of hij een der verhalen uit de Duizend-en-één-nacht

doorleeft, had aan boord van "de Gouden Leeuw" iets plaats, dat

weinig in overeenstemming was met de heerlijkheid van saffieren zee

en juweelen nachthemel. De bevelhebber en zijn officieren namen er

toch den tijd toe om tot in de alleruiterste bijzonderheden van het

plan der samenzweerders door te dringen.

Indien de daartoe gestelde machten in onzen tijd zoo iets moesten

ondernemen, zouden wij daar liever niet mee te maken hebben, omdat

daar rechtszittingen, ondervragingen op allerlei wijzen, boeten en

gevangenisstraf bij te pas komen. Hoeveel te erger was de

rechtspleging in den ouden tijd! Toch waren de menschen er toen aan

gewend. Een jongen als Witte zou niet gesidderd hebben zooals wij,

wanneer we in den Haag de Gevangenpoort bezoeken, in welk somber

gebouw hij trouwens in later jaren zelf is opgesloten. Toentertijd

werd een gerechtelijk onderzoek schier altijd vergezeld door het

inroepen van de hulp van een der meest duivelachtige uitvindingen

der menschheid, namelijk de pijnbank. En in dit geval zou het geleid

worden door scheepskapiteins, die, wat een samenzwering betrof,

welke het vermoorden van de autoriteiten en het wegvoeren van het

schip bedoelden, geen genade voor recht zouden doen gelden.

Integendeel!

Onze scheepsjongen heeft het later zelf getuigd, dat de schuldigen,

en niet minder de verdachten, dagelijks in de kajuit werden

"geëxamineerd en getortureerd", en als ge bijgeval niet weet, wat de

laatste uitdrukking beteekent, moet ge het maar opzoeken in een

Woordenboek. Zelfs geviel het, dat hij, die de kajuitswachter van

kapitein Schapenham was, meer dan eens getuige van die rechterlijke

wreedheden, ja, door het aanbrengen van het een en ander, daarin

behulpzaam moest zijn.

Toch kwam hij, die natuurlijk slechts enkele gedeelten van de

ondervragingen kon vernemen, niet op de hoogte van wat er geschied

was. Doch van dat weinige zelfs liet hij niet veel uit tegen de

matrozen, die niet nalieten hem af en toe te polsen. Zijn stuursche

aard kwam hem hierbij goed te pas, zoodat de ondervragers altijd een

beetje op een afstand van hem moesten blijven. Zij scholden hem wel

uit voor strooplikker van den schipper, maar als het op schelden

aankwam, zou Witte nog wel uit de jaren, toen de Brielsche

Zeeleepers hem zoo turkten of zijn achtereenvolgens bazen hem

uitmaakten voor al wat leelijk was, wel enkele bijdragen hebben

kunnen leveren voor het scheld-woordenboek der toenmalige zeelieden,

hoe ruim dat ook ten opzichte van een scheepsjongen mocht voorzien

zijn.

Wat hem evenwel maar niet uit de gedachte wilde, was de zorg, dat

zijn eenige vriend op de een of andere wijze met die samenzwering

wat mocht uit te staan hebben. Want anders wist hij het niet te

verklaren, dat de voormaals zoo opgeruimde boy omgekeerd was als het

blad van een boom. Het ernstige, en daarom zoo wonderlijke gezicht

van Hans, zooals hij het den laatsten keer aanschouwd had, bleef hem

maar bij. Hij ontstelde daarom werkelijk -- en dat wilde bij Witte

wat zeggen! -- toen hij, op een goeien morgen aan dek komend, daar

Hans vond, geheel en al in zijn emplooi van licht-matroos, alsof hij

nooit van boord was geweest.

"Jij hier!"

Hans trok alweer een heel zorgerlijk gezicht, loerde om zich heen en

gaf hem toen een wenk om te doen, alsof hij hem niet opmerkte.

Witte, die niet van gisteren was, volgde die waarschuwing op, maar

wist het toch wel zoo rond te schieten, dat hij met zijn

werkzaamheden in de nabijheid van zijn vriend kwam. En terwijl

beiden zich hielden, alsof zij daar geheel in opgingen, had snel het

volgende gesprek plaats.

"Hoe kom-jij hier?"

"Mijn vader heeft het gevraagd aan onzen schipper."

"Ben-je dan gedegradeerd?"

"Nou.... eigenlijk wel, maar uit eigen wil."

"Begrijp ik niet."

"Liever hier lichtmatroos, dan.... ginder een graadje hooger."

"Wel?"

"'t Was daar niet voor me om uit te houden.... Al maar oogen om je

heen, die je bespieden."

Wittens doordringende oogen gingen zijn kant op.

"Heb-je dan wat te verbergen, Hans!"

Hans gaf geen antwoord, maar zijn handen beefden.

De bekende rimpel trok zich boven den neus van Witte samen.

"Ik heb wel eens gehoord, dat een moordenaar altijd naar de plek van

zijn misdrijf terug moet keeren."

Hans lachte gedwongen.

"Dan moest ik dáár gebleven zijn," -- en hij wenkte met zijn hoofd

naar het andere schip -- "want dáár is het gebeurd."

"Dat 's jou slag, Hans!.... Behalve dat de misdadigers _hier_ zijn,

en.... ze wel eens een naam konden noemen, die...."

[Illustratie: "Om 's hemels wille, zwijg!"]

Alle voorzichtigheid uit het oog verliezende, greep Hans zijn arm.

"Om 's hemels wille, zwijg!"

"Pas op.... je zou jezelf verraden! En.... ik mag je verrader niet

zijn."

"Jij?"

"Ja.... een rebel moet gestraft worden."

"O, maar ik heb geen kwaad gedaan!"

"Wat scheelt je dan?"

Eenige oogenblikken zweeg Hans, schijnbaar geheel ingenomen door

zijn werk. Toen zei hij heel zacht voor zich heen, want er waren een

paar matrozen in de nabijheid gekomen:

"Zoo gauw als ik de hondenwacht heb, zal ik je dat wel doen weten....

Kun-je dan zorgen er ook te zijn?"

"Dat zal zoo gemakkelijk niet gaan!"

"Toe, alsjeblieft!"

"Goed.... ik zal mijn best doen. Lukt het den eersten keer niet, dan

later."

"O, Witte, ik zal zoo blij zijn m'n hart eens te kunnen uitstorten."

Witte zweeg en keek voor zich heen.

"Witte," fluisterde Hans angstig, "waar denk-je aan?"

"Of ik het mag doen."

Hans slikte een paar maal van zenuwachtigheid.

"Witte, Witte.... ben-je vergeten, hoe eigenlijk ik de persoon was,

die je van de kleermakerstafel verloste?"

Weer kwam de ons bekende rimpel te voorschijn.

"Als je schuldig bent...."

"Zoo waar als ik leef, Witte, dàt ben ik niet."

Witte's felle oogen gingen even over het gelaat van zijn vriend.

"Goed!" gaf hij toen kort en bondig ten antwoord, "ik zal mijn best

doen er te zijn."

En zoo geschiedde het, dat op een van die stille, heerlijke

tropennachten, de beide maats op de hondenwacht, die van middernacht

tot 's morgens vier uur duurde, gelegenheid kregen zich van hun

slaperige maats af te zonderen en op een verborgen plaatsje eens een

openhartig woordje met elkander te kunnen wisselen.

Witte viel maar met de deur in het huis.

"Uit alles begrijp ik, dat ze ook jou aangezocht hebben mee te doen,

Hans."

"Wel niet rechtstreeks, maar zoo heel in de verte hebben ze mij

gepolst."

"Dan had-je dadelijk af moeten bijten."

"Zonder erg hèb ik dat ook gedaan."

"Zonder erg? Ik begrijp je niet, Hans."

"Och, kijk eens Witte.... Nu ik de zaak van achteren kan bezien,

begrijp ik alles, maar toen ze me kwamen vertellen van het gezellige

leven op de vrije vaart, hoe rijk die en die er op geworden was, en

heel wat van die dingen meer, hoe had ik toen kunnen begrijpen, dat

zij-zelf van plan waren meester te worden van het schip en

zeeroovertje te gaan spelen?"

"Ja, dat 's waar, moet ik zelf erkennen. Toch begrijp ik niet, dat

ze niet verder bij je gegaan zijn."

"Dat begrijp ik nu best.... Ik zei, dat ik niets van die zeeroovers

moest hebben en den eersten den besten, die bij ons aan boord durfde

klauteren, de hersens in zou slaan."

"Goed geantwoord!.... En toen?"

"Toen zeiden ze met een lachje -- dat ik later pas begrepen

heb! -- dat ze me groot gelijk gaven en precies eender zouden

handelen."

"En is dat alles?.... Dan heb-je je eigen toch niks te verwijten?"

Hans zuchtte.

"Er kwam meer bij, Witte!"

"Vertel dan op.... en verberg mij niets."

Even aarzelde Hans; toen kwam het er snel bij hem uit:

"Toen de samenzwering uitkwam, was ik er heelemaal van op de

hoogte!"

Witte liet van verbazing een zacht gefluit hooren.

"Sapperloot!" riep hij uit, "dat is andere praat!.... Maar hoe was

dat voor den drommel mogelijk?"

"Luister, Witte. In die dagen werd ik bezocht met koorts of wat het

dan ook geweest mag zijn. Onder al de warmte van het weer, was ik

koud en rillerig. De bootsman zei, dat ik maar eens met m'n tong aan

den teerkwast moest likken en dan een poosje me in een deken rollen,

dan zou ik er de kwaal wel uitzweeten."

Witte knikte. Hij kende dat middel ook.

"En toen?" vroeg hij.

"Wel, ik lei me ergens op een veilig plekje neer, waar ik er zeker

van kon zijn niet gestoord te worden, bakerde me goed in, nog een

waardeloos zeil over m'n body...."

"Om te smoren!" merkte Witte op.

"Neen, toch niet. Ik bleef al maar beverig. En dan m'n mond vol van

dien teersmaak!.... Je kunt begrijpen, dat ik me eigenlijk zieker

gevoelde dan ooit."

Witte bevestigde de meening door een hoofdknikken.

"Na een poos," aldus ging Hans voort, "begon ik toch een warm gevoel

te krijgen en toen kwam Klaas Vaak. Ik heb geslapen als een os.

Hoelang weet ik niet, maar toen ik wakker werd, was het nacht. Ik

zag door een scheurtje van m'n zeil de sterren flonkeren en heerlijk

rekte ik m'n leden uit, in 't gevoel van beter te zijn. Een slaap

als ik anders nog had.... neemaar, dat kan ik je niet vertellen.

Juist gingen m'n oogen dichtvallen, toen ik door een katachtig

geschuifel over het dek wakker schrikte. Dadelijk begreep ik, dat

het de bloote voeten van een of meer matrozen moesten zijn. Ze

kwamen haast vlak bij me, en al maar meer schuifelden aan. 'Zijn we

er alle dertien?' hoorde ik een stem fluisteren en even zacht werd

geantwoord, dat die en die opgehouden was geworden. En toen, Witte,

vernam ik alles. O, ik durfde op zijn best ademhalen!"

"Dat begrijp ik.... Bij ontdekking zou-je mee hebben moeten doen,

of ze hadden je puur bij ongeluk over boord laten glijden."

"Juist.... en daarom hield ik me zoo stil als een muisje."

"En wat vernam-je?"

"Ik kwam er op die manier achter, dat de belhamels met hun dertienen

waren en de samenzweering nu, allen en alles bij elkaar, acht en

twintig personen omvatte. Ze hadden zich op leven en dood verbonden

door in een cirkel hun namen te zetten; die niet schrijven konden,

hun kruisjes."

[Illustratie: En toen Witte, vernam ik alles.]

"Spraken ze er ook over, wat ze van plan waren?"

"Ja zeker!.... Als ze genoeg lui op d'r hand konden krijgen, zouden

ze een dag vaststellen om het stoute stuk uit te voeren. Onverwachts

zouden zij den schipper en de officieren overvallen en vermoorden,

ook den koopman, die voor zijn maatschappij bij ons aan boord

is...."

"Verder, verder, Hans!"

"En, na baas over het schip geworden te zijn, den steven naar de

Middellandsche Zee wenden, om daar zeeroovertje te spelen."

Witte hief de handen op van ontsteltenis.

"Wie was de hoofdman?"

Hans noemde hem en nog een paar anderen, die na hem het meest in de

melk zouden te brokken krijgen.

"Je begrijpt, Witte, dat ik den hemel dankte, toen die vreeselijke

nachtmerrie voorbij was. Eerst dacht ik heusch, dat ik dat alles

gedroomd had, toen ik, na weer in slaap gevallen te zijn, den

volgenden morgen ontwaakte. Maar nu ik meer op ging letten, zag ik

aan een heeleboel dingen, dat ik goed gehoord had, en, helaas, de

bezitter was van een ontzettend geheim."

"Dat je dadelijk aan je schipper had moeten openbaren."

Hans zag hem met zijn open kijkers aan.

"O, Witte, dat is juist zoo'n gemartel voor me geweest. Het eene

oogenblik zei ik tot mezelven, dat ik naar den schipper moest gaan,

want dat ik anders zijn dood op mijn geweten zou krijgen, maar het

volgende oogenblik kon ik het toch niet over me verkrijgen om den

verrader te spelen."

"Dat laatste ben ik niet met je eens, maar dat eerste wel. Want het

leven van den schipper berustte om zoo te zeggen in jou handen."

Hans knikte.

"Maar óók het leven van de saamgezworenen, Witte!.... En daar waren

een paar jongens bij, met wien ik al menig reisje gemaakt had. En

dan nog iets! Als ik het uitgebracht had, zou ik tot mijn dood toe

onder het zeevolk als een verklikker na worden gewezen en door

niemand meer vertrouwd."

Witte keek voor zich. Hij begon nu ook iets van den gemoedsstrijd

van zijn vriend te begrijpen.

"O, Witte," ging deze voort, "wat heb ik daar dagen mee

rondgeloopen! Nu eens was ik op weg naar het achterdek, maar, of het

werk zoo sprak, dan kwam ik telkens een van de samenzweerders tegen

en was het me, of ik de beulsknecht was, die voor zijn meester een

strop ging halen, om die om den hals van m'n maats te wringen....

Dat heeft weken en weken geduurd. Ik ben er wel tien jaren van m'n

leven ouder door geworden. Want ook in 't volkslogies moest ik

aldoor maar doen, of ik van niets afwist."

De jonge matroos veegde zich met den rug van zijn hand het

angstzweet van zijn gezicht, waarin de twee wijd geopende oogen in

het licht van den tropennacht spookachtig uitkwamen.

Hoe ook getroffen door wat zijn vriend zeide, bleef Witte zijn

kalmte behouden. Geen wonder! Heel zijn leven door heeft hij nooit

geaarzeld in de keuze, welken weg hij zou inslaan. Aan den eenen

kant lag zijn plicht, en aan den anderen kant de verzaking daarvan.

Middenwegen kende hij niet.

[Illustratie: Ik ben er tien jaren ouder door geworden.]

Hij bewaarde nu het stilzwijgen, en om het schip hoorde men den zang

der zee, die nooit sliep.

Met een zware zucht vatte Hans zijn verhaal weer op.

"Ik zou niet weten, hoe dat met me afgeloopen zou zijn, als er

eindelijk niet een uitkomst was gekomen."

"En die uitkomst?"

"Er was een matroos, dien we eigenlijk geen van allen graag lijden

mochten. Ook de officieren waren niet op hem gesteld. Telkens had

hij straf. Eens werd hem, met een langen ketting, een blok hout aan

zijn been vastgebonden, zoodat hij, als hij op 't dek was of in 't

want moest, altijd een gerinkkink met zich voerde, dat we er

eigenlijk allen om moesten lachen, tot den kleinsten kajuitsjongen

toe. Nu, dán moest-je hem hooren aangaan!"

"Ik begrijp het al," viel Witte hem in de rede, "de samengezworenen

dachten, dat die matroos graag bij gelegenheid wraak zou willen,

nemen op den schipper."

"Juist.... Ze wisten hem apart te krijgen en maakten hem stukje voor

beetje met het plan bekend. Hij gaf er zijn hand op, dat hij niets

zou verraden, en zei nog nadrukkelijk, dat ze van hem geen

zwarigheid te wachten zouden hebben.... en ging toen regelrecht naar

den schipper om alles te verraden. Hij heeft er van den schipper

twee honderd stukken van achten voor gekregen."

"En aangepakt?"

Hans knikte van ja.

"Dat 's gemeen!"

Hans was dit volkomen met hem eens, maar liet toch uitkomen, hoe dat

verraad voor hem een ware verluchting was geweest.

"Nu was het uit met altijd dat gezeur in m'n kop. De kogel was door

de kerk."

"En waarom kon-je dan toch niet tot rust komen?"

Weer zuchtte Hans en vertelde, hoe hij na een poos alweer zich

ongerust was begonnen te maken, dat een van de samenzweerders ook

zijn naam mocht noemen.

"En ze wisten niet, dat jij alles gehoord had!" merkte Witte op.

"Dat is zoo; maar onder de folteringen noemt men allicht een naam,

om maar van de pijn af te komen. En ik had er goede kameraads

onder."

"O zoo! En jij was bang, dat als ze jou ook eens lieten komen, je

dadelijk door de mand zou vallen?"

Hans knikte bevestigend.

Toen stak hij, als hulpzoekende, zijn beide handen naar zijn vriend

uit.

"Witte, geef me toch raad! Ik durf zelfs niet rustig slapen, bang,

dat het geheim over mijn lippen zal komen. 't Is voor mij geen leven

meer om uit te houden.... Zeg me toch, wat ik moet doen!"

"Geen dag langer zóó'n leven leiden."

"Hoe bedoel-je dat?"

"Als ik jou was, ging ik al bij het krieken van den dag bij onzen

schipper en zei hem alles.... Den verrader speel-je niet meer, want

heel de samenzweering is toch al op de flesch; maar misschien kun-je

nog enkele goede inlichtingen geven, en, vergeet het niet, daardoor

wel veroorzaken, dat het met de folteringen uit is. Die zijn heusch

niet voor de poes, hoor!"

Hans rilde.

"Misschien.... misschien willen ze meer uit me persen, dan ik zeggen

kan!"

"Best mogelijk! Maar zoo'n leven als jij nu leidt, is ééne

foltering."

Nu greep Hans met beide handen Witte's arm.

[Illustratie: Hans kreeg nog een héél leelijke priem op z'n neus.]

De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw" · 第 6 / 8 段