weten we allemaal. Misschien zal het dan zoo erg niet voor me
worden, als de schipper me eens alleen bij hem laat roepen. O,
Witte, wat zou ik blij zijn, als ik weer eens gerust slapen kon!"
Witte dacht eenige oogenblikken na.
"'t Is goed," gaf hij toen eenvoudig ten antwoord.
En zoo geschiedde het, dat Witte dien morgen heel wat aan zijn
beschermer mede te deelen had.
Ja, het gelaat van kapitein Schapenham ging toen ernstig staan en
Witte moest wel hard vechten voor zijn vriend, maar gelukkig kwam
alles in orde. 't Ging wel op 't kantje af en Hans kreeg nog een
héél leelijke priem op z'n neus, maar daar bleef het dan ook bij. Ze
wisten, dat het volstrekt geen kwaaie jongen was, en in de verste
verte niet aan muiterij dacht. Enfin, het een bij het ander genomen,
niet te vergeten het goede woordje, dat zijn vader bij den
gezagvoerder van de "Westvriesland" voor zijn zoon sprak, liep het
nogal met een sisser voor Hans af.
Toen begon hij eerst zachtjes en zoetjesaan hoe langer hoe harder te
neuriën en te fluiten, en omdat hij nog in zijn jonge jaren
verkeerde, ging spoediger dan Witte wel had kunnen denken dat
oude-mannenachtige van Hans z'n gezicht en van heel z'n doen en
laten en was hij spoedig weer de oude. En als Witte over hetgeen
gebeurd was nog wel een apartje met z'n vriend wou hebben, had die
daar in 't geheel geen ooren meer naar.
Met de samenzweerders liep het zoo goed niet af. Nadat ze genoeg, of
eigenlijk meer dan genoeg uitgevraagd en afgemarteld waren, werden
de dertien belhamels ter dood veroordeeld en de overigen tot een
levenslange verbanning op de Oost-Indische schepen, waardoor hun lot
niet veel van galeislaven verschilde. Nadat men den 10en November de
Straat Soenda gepasseerd was, ging men den 13en aan wal om het
vonnis aan de veroordeelden te voltrekken. Die executie was even
ongenadig als heel die tijd was.
Niet lang vertoefde "de Gouden Leeuw" op de kust van Bantam, maar
kreeg reeds den 27en November order om naar de kust van Coromandel
in Voor-Indië te zeilen, en jaren achter elkander heeft het in die
Indische wateren gevaren.
We zullen het op die tochten niet vergezellen. Ook niet melden, wat
er in dien tijd met onzen scheepsjongen gebeurd is, om de eenvoudige
reden, dat hij door zijn vlijt, zijn kundigheden en kloek gedrag al
spoedig tot licht- en daarna tot volmatroos opklom. Hij steeg
zoodanig in de gunst van zijn meerderen -- werkelijk niet door
oogendienerij, want daar heeft men zijn heele leven door niet bij
Witte mee moeten aankomen! -- dat toen twee jaren later, toevallig
ook in de maand November, de machtigste man in de Indiën, namelijk
de Gouverneur-Generaal, aan kapitein Schapenham vroeg, hem een
vertrouwd en alleszins bekwaam persoon te zenden, onze kapitein
niemand beter wist aan te bevelen dan Witte de With.
Van dat oogenblik af werd hij, met den rang van korporaal,
lijfknecht bij den Toewan-Bezaar, den Grooten Heer, die met meer dan
koninklijke macht in deze streken heerschte.
Die Gouverneur-Generaal was... Jan Pieterszoon Coen, de stichter van
Batavia, maar die laatste eere-titel moest de ijzeren Coen toen nog
verwerven. Onder heel wat avonturen heeft die stichting plaats gehad
en Witte heeft daar trouw bij geholpen, gelijk in de geschiedenis
van Insulinde vermeld staat.
XIII.
'T WAS IN DE MEI....
Het was in de maand Mei 1620 en wel den 23sten, dat een
Oostinje-vaarder een knap stuk volbracht, doordat het zonder hulp
van een loodsman het Goereesche Zeegat binnenzeilde.
De loodslieden uit Hellevoetsluis waren er wel niet te best over te
spreken. Zij waren er nu eenmaal voor, om de vaartuigen veilig uit
de zee te brengen.
"'t Is een gelukkie," gromden zij, "dat hij 't er zoo goed heeft
afgebracht; maar verdienen deed hij 't eigenlijk niet. Want op die
maneer neemt hij iemand het brood uit den mond. Wat in 't geheel
niet is, zooals het hoort, wanneer je kersversch uit rijk-Oostinje
komt."
Doch de meeste lieden, die er van den wal af getuigen van waren
geweest, vonden het kranig gedaan, en hun aangezichten blonken
blijde die der equipage tegemoet, in de volle zekerheid, dat binnen
korten tijd de geeltjes en witjes uit den vollen buidel der
matroosjes door Hellevoet zouden rollen.
Ja maar -- alsof zij op twee uur afstands er al de lucht van te
pakken hadden gekregen -- ook uit der stede van den Brielle waren
heel wat lieden op marsch gegaan, om aandeel in den buit te krijgen.
Onze goede bekende, vrouw Stoffelsen, had het al heel gauw vernomen,
en dies haar man de deur uitgedreven.
"Dat zeevolk zal haast geen vodden meer aan d'r lijf hebben, en dus
valt er voor jou wat te verdienen."
Mr. Jochum had iets gemompeld van een wagen te nemen, maar zijn
vrouw had zeer terecht beweerd, dat als hij liep, dit het eerst
verdiend was.
"En eer ze aan de bel getrokken en een wagen klaar hebben, is er
haast net zooveel tijd naar de maan, als jij noodig hebt, om er op
je apostelpaarden te komen. In dien tijd is licht een ander je
voor."
Op zijn knipbeenen was mr. Jochum dus naar de forteresse gegaan, en
over gebrek aan gezelschap onderweg had hij niet te klagen. En toen
hij er gekomen was en hoorde en zag, hoe de Oostinjevaarder den naam
van "de Gouden Leeuw" droeg, kwam het dadelijk bij hem op, dat daar
nog eens een leerjongen van hem mee uitgevaren was. Nu, diens
tegenwoordigheid zou thans voor zijn ouden baas geen schade zijn!
In al die jaren had hij niet veel van hem vernomen. Er moesten wel
brieven bij zijn moeder gekomen zijn, maar die was toch zoo dicht
als een pot en sprak liefst niet over dezen zoon. Enfin, als hij
gestorven was, zou mr. Jochum daar wel van gehoord hebben. Wat niet
wegnam, dat hij tòch wel dood kon zijn. Want als men in die
dagen een familie-lid in de Oost had, kon die ginder al begraven en
vergeten zijn, eer men er hier kennis van kreeg.
Hij moest er nu toch haring of kuit van hebben, de brave kleermaker.
Hetgeen hij doen kon, zonder zijn eigenlijk doel uit het oog te
verliezen. En zoo klampte hij daarover een leuken maat aan, die er
erg verfonfaaid in de kleeren uitzag en met wien hij natuurlijk
eerst gezorgd had zaken te doen.
Bij de vraag, of er ook een zekere Witte de With aan boord was, liet
de aangesprokene zijn prettige, bruine kijkers ineens onderzoekend
over mr. Jochum en zijn knipbeenen gaan. Even kwam er een groote
jool in die kijkers, maar dadelijk weer stond dat guitige gezicht
zoo strak, als maar eenigszins mogelijk was.
"Laat me 's denken... Ja, nou je 't zegt... Ik heb een stuk kerel
gekend, die zoo heette... En die heeft in Oostinje wàt een rare
schaats geslagen!"
"Kom!..."
"Secuur, hoor!... Maar 't is er hem naar vergaan... Of ze 'm aan
de ra opgeknoopt of een kop kleiner gemaakt hebben, ben ik gladweg
vergeten, maar..."
Hij kon niet verder gaan van den lach, want mr. Jochum was er bleek
van geworden.
"Hoe ~kun~-je om zoo iets ijselijke nog staan lachen!"
"Loop man! In de Oost word-je zoo hard als een spijker. Dacht-je
soms, dat we daar de kindertjes van de blauwtjes bakerden of in
slaap wiegden?"
"Nee, dat nu wel niet... Maar dat die jongen zoo ongelukkig aan z'n
eindje is gekomen, die nog bij mij op de kleermakerstafel gezeten
heeft..."
[Illustratie: "Hoe kun-je om zoo iets ijselijks nog staan lachen!"]
"Nou, meester, dan mag-je wel van geluk spreken! Want dan heb-je een
adder vlak bij je gehad, een tijger, een verscheurend beest... Eén
ding druk ik je op het hart: dat je van dat alles geen stom
woord over je lippen laat komen, omdat er politie en justitie mee
gemoeid zijn."
"Ik wou, dat ik 't niet wist!" weeklaagde mr. Jochum.
Weer lachte de zeeman. Hij sloeg den meester op den schouder, dat
die zijn geheele geraamte voelde sidderen.
"Over een paar dagen, als ik voor mijn lorren bij je moet zijn, zal
ik onzen stuur meebrengen, die er alles van weet, omdat hij bij den
moord en het doodvonnis tegenwoordig is geweest... Kijk, die
daar!..."
Hij wees hem naar een grooten, stevigen baas, die van het schip naar
den wal keek, een gebruinden kop met knevel en puntbaardje.
Het was Witte, maar mr. Jochum herkende zijn vroegeren leerling in
dien gezouten zeebonk niet.
In diepe gedachten ging mr. Jochum, die anders goede zaken gemaakt
had, naar den Briel terug.
"Wat zal m'n vrouw dààrvan staan kijken!" herhaalde hij telkens
hoofdschuddend.
Eerst had hij 't voor haar verborgen willen houden, maar hij rekende
er terecht op, dat, hoe graag zijn vrouw de tekortkomingen van
anderen in de buurt rondblaakte, zij toch den noodigen angst voor
alles had, wat in verband stond met "'s heeren gevanckenis." Zij
konden er nu samen over praten. Voor ieder apart zou dit geheim te
groot zijn geweest.
Wat Witte betrof, die schudde onwillig het hoofd, toen Hans hem de
grap vertelde.
"Waar was dat nu voor noodig?"
"Noodig?... Waarvoor is alles noodig!... Zeker niet om een zuur
gezicht te zetten, als je in Patria terug ben!"
"Als je over een paar dagen in Hoorn komt, wat zal dan je eerste
gedachte zijn, Hans?"
"Te duiker, ja, Witte! Zoo diep heb ik alweer niet doorgedacht."
"Dàt zal je ongeluk worden," voorspelde Witte.
En zijn gezicht versomberde zoodanig, dat Hans erom begon te lachen.
"Kom, Witte!... Als je moeder je zóó terugziet..."
"Zàl ik ze weerzien?"
Even verbouwereerd keek Hans hem aan, maar tegen zulk een somber
voorgevoel kwam heel zijn opgeruimde natuur op.
"'t Zal best schikken, hoor! Vanavond of morgen zit-jij bij moeders
pappot, en ik over een paar dagen."
"We hopen er het beste van, Hans."
"En naar je ouwen meester ga-je toch ook?"
"Zeker. Ik heb wat voor die luidjes meegebracht."
"En maken we daar dan een grap van?"
"Nou.... dat zullen we zien."
En in de herinnering, hoe hij in zijn jongensjaren vrouw Stoffelsen
geturkt had, kwam er een schijn van een glimlach over het stugge
gelaat van Witte. Waaruit Hans, die hem zoo goed kende, opmaakte,
dat het plannetje wel zou doorgaan. De volvoering daarvan zou echter
afhangen.... van dat ééne!
Ach, dat ééne omvatte voor Witte zoo véél èn.... zoo velen!
Zou thuis alles in orde zijn?
En, of hij er zich al dan niet tegen verzette, zijn gedachten gingen
óók uit naar een andere hofstede....
Het was in de Mei, in het laatst al, wanneer die over zal gaan in de
koninklijke maand van Juni. Het midden, -- wanneer de IJsheiligen 4)
even om het hoekje komen kijken, -- was een kaap, die al omgezeild
was. De wind, die weken lang bijna voortdurend in den
Noord-Oostelijken hoek gezeten had, was verzuidelijkt, en droeg de
geuren van Meidoorn, seringen en bloesem, ja, van heel de
vernieuwde, jonge aarde. Droomerig telde de koekoek, hoeveel jaren
men nog leven zou, of, voor een stiekem toeluisterende deerne, op
welken leeftijd zij de bruid zou zijn. 't Was àl leven en geluk, en
voor den jeugdigen zeeman, die langs de bloeiende akkers en
doornhagen ging, om het plaatsje op te zoeken, waar hij geboren was,
het vaderland, dat hij nooit vergeten had.
Vergeten? Hoe zou dat in ~die~ dagen, hoe zou dat voor hèm ooit
mogelijk zijn geweest? Waren het niet de dagen van bloeitijd, van
uitzetting voor de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden,
welker vlag door Barendts en Heemskerck boven het barre Nova-Zembla,
en door Jan Pieterszoon Coen in de weelderige tropen-wereld van een
wordend Nederlandsch wereldrijk gehandhaafd was? En was niet een van
de verdedigers van het fort bij Jacatra, een der medestichters van
het Kasteel van Batavia, diezelfde een-en-twintigjarige jonkman?
En nu voelde hij, die de wijdheid van de wereld ervaren had, zich
heel klein en nietig, zooals wij allen, wanneer we tegenover het
verleden onzer kinderjaren staan. De vogels sjierpten en
tierelierden tegen elkaar van drukte, om hun wijfjes het dagelijksch
onderhoud te bezorgen. Want in de maand Mei legt ieder vogeltje z'n
ei, behalve de koekoek en de spriet, die leggen in de Meimaand niet.
De zwaluwen, evenals hij van heel verre gekomen, scheerden hoog in
de lucht. Zij hàdden al teruggevonden het nestje, over welks rand
zij voor het eerst de wereld hadden ingekeken.
En toch, hoe ook zijn gedachten van dat nestje vervuld waren.... den
naasten weg erheen volgde hij niet!
O ja, zoo paaide hij zich -- en dat kunnen wij menschen toch zoo
handig! -- het was, om eerst van nicht Maertje te hooren, of het
alles wel was aan boord, daar in Lagerwoude.
En, hoe hij er zich tegen verzetten mocht, hij kòn niet anders. Hoe
langer hoe sterker trok zijn hart naar die andere hofstede, waar een
meisje leefde, die eens voor hem een oase geschapen had in de droeve
jaren zijner dorre jeugd.
Hoe zou Marie er uitzien, nu, in die blonde heerlijkheid van Mei,
zijzelf met haar glanzend blonde haren, en die oogen, welker glans
voor hem niet overstraald was door de vlammende zon van Indië.
Of.... of.... Ja, ook jonge menschen kunnen sterven. Vier jaren is
zulk een lange tijd!
Of.... als zij eens verloofd, misschien wel reeds gehuwd was!
O ja, ze had beloofd aan hem te blijven denken. Maar hij, de zeeman,
wist wel de beteekenis van het spreekwoord "Uit het oog, uit het
hart!"
Nu was het, alsof over dien schoonen Meidag een waas kwam, gelijk
dat geschieden kan, plotseling, door heibrand.
't Was, of er lood aan zijn voeten hing, of hij, die de muren van
Jacatra bestormd had, geen moed meer bezat verder te gaan.
Nog een pad langs, een dijk over, een paadje, dat zich tusschen de
bloeiende Meidoorns slingerde....
Daar opeens, bij een wending, ziet hij, nog in de verte, een
menschelijke gestalte. Van een meisje, omglansd door het zonnelicht,
waartegen zij de oogen beschut door de uitgestrekte hand erboven te
houden. Alsof zij uitkijkt, den kant van Hellevoet op.
Weg wijkt de heibrand. Alles wordt vol leven en glans. Zijn hooge
gestalte schijnt zich nog uit te rekken. Zal hij.... zal hij doen,
alsof hij een vreemde is, eens onderzoeken, of zij hem na al die
jaren nog herkent?
Maar reeds is hem de hoed in de hand gevlogen en hij wuift, wuift
zoo wijd en breed als hij kan, en hij jubelt: "Marie, Marie!" en
stormt vooruit, alsof er weer een kasteel te veroveren is, en daar
heeft hij al haar twee handen in de zijne, en hij ziet haar aan, zoo
blijde en gelukkig, dat zij dadelijk zijn oogen herkent, de oogen in
dat bruingebrande gelaat van den stoeren, uiterlijk haar
wildvreemden zeeman.
"Witte!"
"Marie, Marie!"
"Domme jongen.... is me dat doen schrikken!"
"Ik?.... En naar wien keek-je dan uit?"
"Naar.... naar een geit, die weggeloopen is...."
"Zeggen, zèggen.... de waarheid!"
"Heusch, dàt is de waarheid!"
"Jij, Meniste, durf-je dat volhouden?"
Toen lachte zij met heel haar wezen, en blozend verborg zij haar
hoofd tegen hem aan.
------------
4) 13, 14 en 15 Mei.
XIV.
TOT ZIENS!
't Was eigenlijk maar gelukkig, dat hij eerst de steê van nicht
Maertje had opgezocht, die hem in dezelfde keuken ontving, waar
Witte in de treurige jaren van zijn jeugd toch de hartelijkheid van
medemenschen had mogen ondervinden. Het mansvolk was met dit mooie
weer op het veld, en zoo zaten zij daar weer als vanouds met hun
drietjes. En toen de eerste begroetingen waren afgeloopen en men
weer een weinig aan de wel wat veranderde gezichten gewoon raakte,
deelde Marie's moeder hem mede, dat er iets akeligs op de steê in
Lagerwoude geschied was.
Zijn jongste broer was gestorven, Abram, even achttien jaar oud. 't
Was altijd een zwak vat geweest, eigenlijk zooals al de kinderen van
zijn moeder, behalve hij. Toch trof het hem diep, vooral toen hij
hoorde, hoe de jonge teringlijder nog dikwijls over hem gesproken
had. Het was den 20sten Maart van dit jaar gebeurd, en Witte, stipt
en secuur gelijk hij in alles was, rekende uit, dat hij zich toen
juist op het eiland Sint-Helena bevonden had, een mijlpaal op de
terugreis naar huis. Zijn zuster was ook niet heel gezond en
Andries zag er zelfs slecht uit.
En moeder?
Nicht Maertje maakte een gebaar, alsof zij zeggen wilde:
"Altijd dezelfde!"
Donker keek Witte voor zich.
"Nu zie ik nog meer tegen die ontmoeting op.... En toch heb ik met
haar te doen, nicht. Wat zal zij inwendig bedroefd zijn om broer."
Met groot medelijden keek Marie hem van terzijde aan.
Haar moeder zag dat.
Zij legde haar hand op den gebruinden knuist van den jongen zeeman.
"Witte.... Marie zal met je meegaan."
Beide jongemenschen zagen haar, en toen elkander aan.
"Ik, moeder?" vroeg Marie ietwat verlegen.
"Ja!" gaf Witte, in plaats van de aangesprokene, ten antwoord.
Met een heftige beweging stond hij op.
"Kom mee, Marie!..."
Doch toen zij bij de hofstede in Lagerwoude gekomen waren, kwam over
hem, die niet gewoon was voor iets terug te deinzen, een groote
aarzeling.
"Marie.... ik ben bang, dat ik haar zal doen schrikken. Ze is oud en
men kan nooit weten..."
"Wat wil-je dan, Witte?"
"Dat jij vooruit gaat en haar erop voorbereidt."
Waren dat nu de felle oogen van den stuurschen knaap van weleer, die
haar thans zoo smeekend aanzagen?
"Goed," antwoordde zij.
En terwijl Witte zich in het glanzende gras terzijde van het voetpad
neerzette, ving zij den zwaren gang aan naar de bazinne van
Lagerwoude.
Hij zag haar na, en zijn hart bad, dat haar gang gezegend mocht
zijn.
Toen.... o, eindeloos scheen de tijd voorbij te gaan. Zijn blik werd
als vanzelf getrokken tot den geweldigen reus in dit Far West der
Nederlanden, den Brielschen toren. Al de donkere herinneringen uit
zijn kinderjaren doken voor hem op. En verbeeldde hij 't zich?....
Trilden daar door de voorjaarsweelde niet de zware klanken van de
Catharina, de groote klok, die negentien jaren later triomf zou
luiden over de zege bij Duins, waarin hij, terwijl bestevaêr Tromp
aan Spanje den heerschersstaf ter zee ontwrong, met zijn felle oogen
de Engelsche zeemacht in bedwang zou houden? Thans luidde zij,
gelijk hij verstond, ter uitvaart van een doode, en hij dacht aan
zijn vroeg gestorven broer. Maar toen ook gevoelde hij, de doopeling
van Ds. Leo, tot Wien die sombere klanken opstegen, en een groote
rust en stil vertrouwen kwamen over hem.
Daar zag hij Marie op 't pad verschijnen; zij wenkte hem. Reeds was
hij opgesprongen, en niet zonder eenige verbazing ervoer het jonge
meisje, hoe rustig die kloeke mannengestalte op haar toetrad.
"Je moeder wacht je, Witte."
Hij gaf geen antwoord. Met heel zijn innerlijk was hij al in die
groote, zelfs nu nog halfduistere keuken, waarin zij troonde, de
bazinne van Lagerwoude.
Twee paar oogen van dezelfde felheid ontmoetten elkaar, maar in
beide school dezelfde uitdrukking van verlangen.
Zij zat op haar oude plaatsje; Katrien, een weinig angstig en als om
dadelijk tusschen beiden te treden, naast haar. Achter hem trad
Marie binnen. Geen verdere getuigen waren er van deze ontmoeting na
jaren-lange scheiding.
"Moeder!"
Ze antwoordde niet, maar keek hem aldoor aan.
Hij greep haar hand, sloeg zijn krachtigen arm heel teertjes om haar
heen, en boog zich over haar; maar zèlf verlangde hij het eerst
gekust te worden.
Ze weerde hem af. Niet heftig, maar hoewel zacht, toch zeer beslist.
Het bloed vloeide hem naar het hart. Zelfs onder zijn bronskleur zag
men, hoe bleek hij werd.
Toen sprak ze:
"Ik heb een boodschap aan je, Witte.... Van broer."
Hij wrong zich de vuisten, dat men het hoorde.
"Ik moest je groeten van hem.... als je ooit terugkwam."
Er bewoog zich iets in de gelaatstrekken van de harde, oude vrouw,
dat akelig was om aan te zien. De nooit geheelde smart om het
verlies van dàt kind.
Marie kon het niet langer aanzien.
Ze plaatste zich vlak naast Witte.
De oude vrouw zag dat, maar met een uitdrukking, alsof zij het niet
begreep, alsof haar gedachten alleen bij den doode waren.
[Illustratie: "Omdat God het zoo heeft verordonneerd, moeder!"]
"Hij hield zooveel van je, Witte. Waarom moest hij sterven, zonder
dat hij afscheid van je nemen kon?"
"Omdat God het zoo heeft verordonneerd, moeder!"
Het kwam er bijna koninklijk vroom bij Witte uit.
Zijn moeder gevoelde het. En toen nu Marie weer Moeders hand in die
van haar zoon legde en de oude vrouw dadelijk voelde, hoe hij die
hand vastgreep als een drenkeling, -- toen brak er iets in dat
onwrikbare hart.
Het was, alsof Witte dit op het eigen oogenblik besefte. Weer sloeg
hij zijn arm om moeder heen, en kuste haar, -- hij het eerst.
Toen streelde zij met haar oude hand over zijn haren, en zijn hoofd
tot zich buigend, rustten haar lippen eenige oogenblikken op zijn
voorhoofd....
* * *
Niet in Lagerwoude bleef Witte. Tijdelijk had hij een kosthuis in
Hellevoetsluis genomen. In elk opzicht was hij dan meer eigen baas,
en bleef dicht bij de zeevaart.
Lang zou hij niet meer aan wal blijven. In de vier jaren van zijn
loopbaan had hij een prachtige carrière gemaakt. Niet alleen -- waar
in de wereld veel op aankomt -- de aandacht getrokken van de hooge
oome's, en dat wel van niemand minder dan van den
Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, die hem gaarne voor goed
aan zijn dienst verbonden zou hebben. Maar ook om zijn werkelijke
begaafdheid als zeeman, waardoor kapitein Schapenham het toch op Jan
Pieterszoon Coen gewonnen had.
Op de zee lag nu eenmaal zijn toekomst. Uitgevaren als een voor die
tijden veel te laat in het vak gekomen kajuitsjongen, was hij van
den eenen graad tot den anderen opgeklommen, en in het vaderland
teruggekeerd als stuurman. Bij het afmonsteren had kapitein
Schapenham hem verzocht als schipper, dat was op een oorlogsschip in
rang de hoogste na dien van kapitein, er met hem weder op uit te
varen, doch Witte had eerst eenige maanden met en bij de zijnen
willen leven. Met geen ledigen buidel toch was hij uit Indië
teruggekeerd, en natuurlijk had hij allerlei geschenken meegebracht.
Ook wat leuks voor zijn ouden patroon en diens vrouw, en die wilde
hij er zelf brengen.
Met Hans was hij erheen gegaan, maar de aardigheid was er voor
laatstgemelden plaaggeest af. Want door een knecht van Lagerwoude
had het echtpaar, al denzelfden dag van zijn komst op de hofstede,
van Witte's terugkeer vernomen. Vrouw Stoffelsen had het er wel over
op haar heupen gehad, dat zij en haar man er zoo doorgehaald waren,
en natuurlijk kreeg mr. Jochum weer alles op zijn hoofd, omdat hij
zoo stom was geweest. Doch hij had haar bezworen nu eens lief en
toegevend te zijn. Want diezelfde zeeman, die hem zoo voor 't lapje
gehouden had, zou een pak komen aanmeten, en zijn maat, die hij
beloofd had mede te brengen, zou zeker wel van 't zelfde laken een
rok moeten hebben.
Die kameraad nu bleek niemand anders dan Witte te zijn. Toen kwamen
de cadeautjes voor den dag en meester moest er maar eens uitscheiden
met prikken en met zijn vrouw in de taveerne komen, om op kosten van
de gasten onthaald te worden en dat wel met de bekende
zeemansjovialiteit!....
"De zaak blijft toch doorgaan," schertste Witte, in een bij hem
haast ongekende vroolijkheid, en ter verduidelijking wees hij op den
leerjongen, die thans op de kleermakerstafel zat.
"Die?!" riep vrouw Stoffelsen uit, en daar gingen haar handen weer
de hoogte in, "die kan niets anders dan...."
"Dan eten en drinken," veronderstelde Hans.
"Neen, dan vergeten en suffen!" barstte moeder Stoffelsen uit.
"Kom, kom, moeder," troostte Witte, "zoo erg als ik dat indertijd
gedaan heb, zal het toch bij hem niet zijn."
"Mensch, zwijg stil!" weeklaagde zij. "Hij is, net als jij, van
buiten de stad, maar zeg-jij me eens, heb jij ooit voor je moeder
een pond vleesch bij den slager besteld en het toen vergeten mee te
nemen?"
Witte sloeg een gat in de lucht.
"Neen, zoo kras heb ik nooit gesuft."
"En dàt wil wat zeggen," voegde vrouw Stoffelsen eraan toe.
Hans kreeg medelijden met den jongen, die stil was blijven
doorwerken, maar een kleur gekregen had als bloed.
Terwijl de anderen naar de taveerne gingen, greep hij den lans bij
een oor.
"Weet-je, waarom Witte zoo sufte?"
De jongen knikte van ja.
Hans dwong hem nu zijn gezicht naar hem toe te wenden.
"Suf-jij daar ook over?"
De jongen lachte even, maar zei niets.
"Geef me je hand, lansje."
Hij drukte die stevig.
"Tot ziens, hoor!.... Ergens op de wijde zee..." De jongen voelde
een geldstuk in zijn hand.
Hij wilde bedanken, maar Hans was al weg.
Toen sloeg het baasje de kijkers op, open en rond. Het waren een
paar heldere kijkers, heelemaal van geen droomen.
"Tot ziens," zei ook hij, maar heel zachtjes.
Zijn handen vielen slap neer op zijn werk, en met zijn heldere oogen
zag hij in de wijde oneindigheid, suffend over de eeuwig
aantrekkelijke en aantrekkende zee.