Hans keek hem aan, zooals hij daar, blootshoofds, zijn rood-baaien

trui los om den naakten hals, de mouwen hoog opgestroopt, in het

want hing. Neen, die branie met zijn vurige oogen en zijn norsch

gezicht, zag er niet naar uit, om zich door den eersten den besten

in een hoekje te laten duwen.

"Nou?" vroeg Witte, die best snapte, wat die onderzoekende blik van

zijn maat voor een beteekenis had en nu wel graag eens een

goedkeurend en aanmoedigend woordje hoorde, waarmee hij trouwens

nooit verwend was geworden in zijn leven aan wal.

Maar Hans snapte dat ook, en begon hem daarom ongenadig te plagen.

Daar kon Witte nog niet te best tegen, en terugplagen ging hem

heelemaal nog niet goed af. Gelukkig, dat de drukte, veroorzaakt

door het bij elkaar komen der schepen, of juister van de

bevelhebbers, die nu heel wat met elkaar te bespreken kregen, genoeg

bezigheid aan het scheepsvolk en daardoor voldoende afleiding zoowel

aan Hans als aan Witte gaf, om hun gedachten een andere richting

heen te voeren.

Toch nam Hans zich stellig voor om bij gelegenheid eens een balletje

op te gooien, bijvoorbeeld wanneer hij eens op het achterdek

geroepen werd, waar de plaats der officieren was, om op "de

Westvriesland" overgeplaatst te worden. Licht viel daar door

ongesteldheid of sterfgeval een matroos uit, en dan was het niet

kwaad, als men zijn naam alvast in de gedachten had.

Nu, dat was niet dom geredeneerd van onzen Hans.

Alleen vergat hij, dat zulk een open plaats zich door dezelfde

omstandigheden ook aan boord van "de Gouden Leeuw" kon voordoen. En,

ach en wee voor onzen vriend, hij was al heelemaal vergeten, hoeveel

de equipage daarvan bij die koude in het Goereesche Zeegat geleden

had.

We hebben al verteld, hoe de gevolgen daarvan zich pas in de warmere

streken begonnen te openbaren. En als ik daar het woordje "pas"

gebruikte, wil dat nu niet zeggen, dat men ook al zulk een geruimen

tijd over de reis moest doen als in het begin. Neen, men bevond zich

reeds den 21sten Februari bij de Kaapverdische eilanden, en, gelijk

wij reeds weten, werd een daarvan, namelijk het eiland Maio of wel

Isle de Majo, uitgekozen tot herstellingsoord voor de zieken van "de

Gouden Leeuw".

Men bleef daar tot den 3den Maart, waarna de overlevenden

ingescheept werden, maar het spreekt vanzelf, dat die vooreerst nog

geen zwaren dienst konden doen. En nu men er ook op dat eiland had

moeten begraven, ligt het voor de hand, dat er aan boord van dit

schip eer krachten noodig waren, dan dat er, gelijk Hans zoo vurig

gehoopt had, gemist konden worden.

Gevolgelijk was het kapitein Schapenham, die aan zijn vriend, den

gezagvoerder van "de Westvriesland", het verzoek richtte om hem

eenige zijner onderhebbenden in bruikleen te geven. Daarvan telde de

equipage 360 koppen, waaronder 60 jongens van Hoorn. Maar van die

laatsten stond de gezagvoerder er niet een af.

"Op hen kan ik in alle omstandigheden rekenen," verklaarde hij

eerlijk en openhartig aan kapitein Schapenham.

Die knipoogde eens.

"De rest is dus maar zoo.... zoo?.... En dáárvan krijg ik zeker nog

het uitschot?" De gezagvoerder van "de Westvriesland" werd om deze

opmerking niet boos, want hij zag wel, dat kapitein Schapenham hem

een beetje plaagde.

"Wat zal ik je zeggen, Schapenham? Die rest --zooals je maar

eventjes niet minder dan driehonderd man gelieft te

noemen -- bestaat uit voortreffelijke zeelui, en daaronder veel van

den Zaankant vandaan maar ze zijn eigenlijk van alles door elkaar."

"Ja, ja.... 't Is bij mij ook zoo! Door het Bestand zijn een massa

oorlogsmatrozen ontslagen en die zoeken hun heil in de koopvaardij,

in de Indiënvaart...."

"En in de zeerooverij!" viel zijn collega hem met een veelzeggend

glimlachje in de rede.

"Juist wat ik zeggen wou," bekende kapitein Schapenham.

De gezagvoerder van "de Westvriesland" knikte.

"'t Zijn tegenwoordig rare streken, die onze zeelui op hun kompas

gekregen hebben, Schapenham! Je bent ouder dan ik, en wie ouder is

en niet met gesloten oogen geleefd heeft, is vanzelf ook wijzer.

Maar of je in dit opzicht zulk een wonderlijken tijd beleefd hebt,

kan ik haast niet gelooven."

"Och, vriend," gaf hierop onze kapitein ten antwoord, "ik geloof

wel, dat het niet zoo heel erg is, als sommige schippers er

sprookjes van vertellen. Je weet, die veel gereisd heeft en vooral

die van verre komt, kan je veel verhaaltjes op de mouw spelden. Maar

waar is het, dat de jongens onder mekaar er niet over uitgepraat

komen, hoeveel er bij de vrije vaart te winnen valt."

"Te verliezen toch ook.... al was het maar hun leven. En als ik

'maar' zeg, is dat enkel bij wijze van spreken. Want 't is toch het

kostelijkste, wat zoo'n jongen in zijn matrozenbaaitje heeft

steken."

"Daar denkt zoo'n jonge losbol al evenmin aan als aan zijn

onsterfelijke ziel!" voegde kapitein Schapenham er ernstig bij. "Er

moet maar een slecht element aan boord zijn, een zwalker, die

eigenlijk niets meer heeft te verliezen. Die begint de jongens, als

ze des nachts op wacht zijn, of met mooi weer wat kunnen luieren,

aan hun hoofd te praten van al de schatten, die met de vrije vaart

te verdienen zijn. Hoe Simon de Danser, en wie heb-je tegenwoordig

al niet meer, op eenzaam gelegen eilanden of bij de Ongeloovigen aan

de Noordkust van Afrika, prachtige buitenverblijven hebben en verder

al wat een jong zeemanshart bekoren kan. De jongens worden zoo gek

op zulk een vrij, bandeloos zeerooversleven, dat ze in staat zouden

zijn hun officieren te vermoorden en over boord te smijten, zich

meester te maken van het schip en zoowaar ook al op zeeroof te

gaan."

"Daarom," voegde de gezagvoerder van "de Westvriesland" hierbij,

"ben ik zoo in mijn schik ten minste een vaste kern van vertrouwbare

personen bij mij aan boord te hebben. Ik ken die Hoornsche jongens

zoo goed als allemaal, en kan tot in den dood op hen rekenen."

"Dat kan ik op mijn equipage ook. En bovendien ik houd een oog in 't

zeil. Daarom zal ik op het stelletje, dat je me op den hals schuift,

extra goed, letten."

De kapitein van "de Westvriesland" lachte.

"Wie weet, of ik ze nog niet als brave borsten van je terugkrijg."

"Laat dat maar aan mij over, hoor! Ik zet er nog al den duim op,

moet-je weten."

Nu, dat deed zijn collega werkelijk niet minder. Er heerschte in die

dagen een strenge tucht aan boord van de oorlogsschepen, en wel een

tucht, die aan ons onmenschelijk lijkt. Er werd geslagen, gegeeseld,

van de ra geworpen, gekielhaald en wat al niet meer.

Geen wonder, dat als het te erg werd, er wel eens zoo'n geteisterde

equipage in opstand kwam, de officieren gevangen nam, op een eenzaam

eiland aan wal zette, indien men er al niet dadelijk een eind aan

gemaakt had, of ze in een roeibootje de wijde, onbegrensde zee op

stuurde.

Na zoo'n oproer was de equipage vogelvrij, kon tenminste nooit meer

in een vaderlandsche haven komen, zonder met den strop kennis te

maken. Welnu, dan sneed men alle banden met de beschaafde

maatschappij door en was er een zeerooversschip meer op den oceaan.

Het is dan ook de onvergankelijke eer van een Maerten Harpertszoon

Tromp geweest, om aan het ruwe volkje van de zee -- want ruw wàs

het! -- een meer menschwaardig bestaan te verschaffen. In vergelding

daarvoor gaf het hem den eerenaam van "bestevaer", en bleef hem

trouw, ook onder de moeilijkste omstandigheden.

Doch wat de toekomst nog zou brengen, kon aan de beide

gezagvoerders, wier onderhoud we bijwoonden, nog niet bekend zijn.

Zij moesten roeien met de riemen, die zij hadden, dat wil zeggen: op

een langdurige reis en door gevaarlijke streken en bezwaarlijke

omstandigheden heen, den wind bij hun ondergeschikten, die lang niet

van de gemakkelijksten waren, eronder houden.

En voor onze reizigers kwam er weldra een moeilijke tijd. Men

naderde de linie, en daar kon het wel eens een getob van tegenwind,

of, wat nog erger was, van windstilte geven.

Tot nu toe was de vaart, behalve in het Kanaal, vrij voorspoedig

gegaan. Nu echter liep alles tegen, en niet minder dan

drie-en-een-halve maand was men genoodzaakt om en bij de linie te

blijven, wijl bijna voortdurend de wind uit den Zuidelijken hoek

woei.

De eenige afwisseling in dit wanhopig eentonige leven was de

ontmoeting met twee Portugeesche schepen. Men maakte er zich meester

van en bevond, dat zij in hoofdzaak met wijn bevracht waren. Die

vaten en alle verdere koopmanschappen bracht men over aan eigen

boord en liet de Portugeezen vrij, al dan niet hun reis naar

Brazilië te vervolgen.

Ook had, bij het passeeren der linie, het gewone inwijdingsfeest

plaats voor de nieuwelingen. Neptunis kwam voor den dag met zijn

vrouw en zijn "zeuntje"; de luidjes, die ingewijd werden, kregen hun

stortbad, nadat zij ingezeept en met het blikken mes geschoren

waren. Daarna behoorden zij tot de echte zeerobben, tot de bazen,

die er voortaan zijn mochten. "Hij is de linie gepasseerd," zegt men

nog van iemand, wien men geen knollen voor citroenen kan verkoopen.

Ook Witte, welk een lastig heer hij mocht zijn, was voor Neptunis

heel kleintjes en nederigjes geweest, maar toen zijn doop achter den

rug was, gevoelde hij zich als een echt zeeman, die wat te vertellen

had aan de landkrabben, wanneer hij die na jaar en dag wederom

ontmoeten zou.

Uitgenomen deze twee voorvallen, was het aan boord van de

Oostinjevaarders een leven, dat men zoowaar niet aan zijn ergsten

vijand gegund zou hebben.

Stel u voor: altijd een zwoele, vochtige warmte, waaraan men nacht

noch dag ontkomen kon. En in die benauwde hitte.... altijd maar eten

van gezouten vleesch of spek, van boonen en erwten en gort, terwijl

al wat men dronk, zoowel het water dat naar het vat smaakte, als het

scheepsbier, alle frischheid miste.

"Wat begint ons spek er geel uit te zien!" zei Witte op een van die

drukkende, benauwde dagen tot Hans.

Deze glimlachte eens.

"Dukaten-goud!" schertste hij.

Witte, van eigen natuur prikkelbaar, was dit onder die voortdurende

hitte en dat vervelende leven van maar afwachten en allerlei werkjes

opzoeken om toch maar wat te doen te hebben, nog een haartje erger

geworden.

"Jij steekt overal den gek mee!" gromde hij.

"Ik?.... Wel, als een mensch dàt onder de linie niet doet, zou hij

tureluursch worden."

"Dat word ik van de kakkerlakken," ging Witte al maar voort te

grommen.

"Vergeet toch alsjeblieft die lieve insecten in je beschuit niet,"

plaagde Hans.

[Illustratie: "Dukaten-goud!" schertste hij.]

Witte zette een vies gezicht en maakte een gebaar van afschuw.

Hans keek hem aan.

"Ben-jij een jongen, die de linie gepasseerd is?"

"Wat zou dat?"

"Wat dat zou? Wel die ziet nergens tegen op, of staat nergens voor."

"Maar die wormen en torretjes in je beschuit...."

"'t Mocht wat!.... Waar ter wereld zul-je dat kunstje kunnen

vertoonen van aan je scheepskaak te fluiten?"

"Aan je scheepskaak te fluiten!...."

"Wel ja!.... In de mijne waren zooveel beesten met en zonder pooten,

dat als ik m'n stuk op dek lei en ik floot, het vanzelf naar mij toe

kwam wandelen."

"Loop!" zei Witte, een beetje boos, omdat Hans hem er zoo had

doorgehaald.

"Loopen?.... We blijven stilletjes zitten.... Of liggen, al naar je

't neemt. Maar al ga-je staan of hangen, vergeet toch alsjeblieft

één ding niet, en dat is, dat je hier niet voor je plezier ben."

"Voor mijn verdriet ben ik toch niet gaan varen zou ik denken?"

Hans maakte een gebaar, als wilde hij zeggen: "Hoor toch zoo'n kind

eens!"

"Ga-je nou al piepen?" sprak hij. "Wacht maar een paar dagen en je

zult nog heel wat anders beleven."

"Moeten er dan nog erger dingen gebeuren?"

Hans knikte.

"Wees maar blij, dat je niet gezouten bent."

"Gezouten?.... Ben-je heelemaal?"

"Nu ja, zoo noemen we de matrozen, die eigenlijk de beste zijn,

omdat zij het langst gevaren hebben en zooveel achter den rug

hebben. Dat soortje heeft van z'n levensdagen zooveel gezouten

goedje door het keelgat verwerkt, dat ze er heelemaal van

doortrokken zijn. 't Is door heel d'r lichaam gaan zitten."

"Maak dat een ander wijs!"

"'k Maak je niets wijs. 't Is de waarheid. En gauw genoeg zul-je de

ellende daarvan zelf aanschouwen."

"Welke ellende?"

"De scheurbuik, maat!"

Witte voelde zich bij die op somberen toon geuite woorden een steek

door het hart gaan. Hij had al meer van die wanhopig ellendige

ziekte gehoord, welke veroorzaakt wordt door het gebrek aan versche

spijzen, vooral van groente.

Arme zeeman, die er door bezocht wordt. Zijn tandvleesch zet zoo

sterk op, dat het als een sponsachtig gezwel tusschen de lippen door

uit den mond komt puilen. Armen en beenen worden loodkleurig en dik.

Duwt men er met den vinger op, dan blijven de putten erin staan. Een

gevoel van ontzaglijke moedeloosheid komt over den patiënt. Het

leven is hem niets meer waard, de dood schijnt hem een uitkomst uit

zijn lijden. En, gelijk Hans het opmerkte, het zijn juist de meest

ervaren, de meest "gezouten" matrozen, die al de ellende van deze

verschrikkelijke bezoeking moeten doorstaan.

Wel werd er ook Hans even door bezocht, maar het beduidde bij hem

niet veel, en hij bleef met den schrik vrij. Witte, die als het ware

nog geheel "versch" was, bleef ongedeerd.

Wel, wel, wat was dat verschrikkelijk, zoo te midden van den Oceaan,

onder een heete, vochtige lucht en een zee, die ook een geduchte

warmte van zich gaf, zonder eenige afwisseling, zonder op te kunnen

schieten, al maar dat gekreun van de zieken te moeten aanhooren, of

wat nog erger was, hun niet zelden stom lijden aan te zien.

Eindelijk toch kwam er uitkomst.

Na veel getob bereikte men het eiland Annabon, en het eerst, waar

men daar navraag naar deed, was naar versche groenten en vruchten.

Het gebruik daarvan werkte op de zieken als een toovermiddel.

Nu, 't werd tijd ook, dat er uitkomst kwam. Van de bemanning waren

er 47 gestorven en niet minder dan 150 ziek.

O, dat terugkeerend leven in die doffe oogen, toen men hun

oranje-appelen kon plukken en hun die als triomf voorhield!

Om een denkbeeld te geven, hoe lang dat getob geduurd had, zij het

voldoende mede te deelen, dat men den 3en Maart van Isle de Majo was

vertrokken en eerst den 18en Juni het anker voor Annabon uitgeworpen

had.

XI.

ER MOET IETS OP DE "WESTVRIESLAND" GEBEURD ZIJN.

Het lijkt zoo mooi, om, gelijk het versje zingt, heel de wereld rond

te zwieren in het topje van den mast; maar als men dien dichter, van

wien ik overigens geen kwaad zal spreken, omdat ik veel van zijn

mooie liedjes houd, eens aan boord van "de Gouden Leeuw" had kunnen

stoppen om al die tobberij rond de linie mee te maken, geloof ik,

dat hij, ten minste in dit opzicht, wel tot andere gedachten gekomen

zou zijn.

Daar was met die scheurbuik, met dat eeuwige menu van pekelvleesch,

erwten en boonen, en niet het minst door die nooit aflatende zwoele

warmte, een stemming onder de bemanningen der vijf schepen gekomen,

die weinig op levenslust geleek.

Ook de gezagvoerders kon den neerdrukkenden invloed niet ontgaan.

Evenals de matrozen waren zij humeurig en prikkelbaar geworden.

De matrozen uitten dit, door weinig van elkander te kunnen velen.

Maar als dat tot ruzie oversloeg, dan waren hun bazen daar als de

kippen bij, en moest de man met het stokje voor den dag komen, die

een voor den grooten mast gebonden zeerob ongenadig op zijn

ribbenkast kon geven.

Wie echter stond er boven de vijf gezagvoerders, om die tot reden te

brengen, indien dit noodig mocht blijken?

Al lijkt het, dat het kapitein Schapenham was, die als de

voornaamste werd aangezien, toch hadden drie van de vijf geen zin,

om zich aan zijn oppergezag te onderwerpen. En zoo geschiedde het,

dat nog op de reede van Annabon, waar men, gelijk men zich

herinneren zal, den 18en Juni was aangekomen en een poos lang

verbleef om de zieken wat te doen opknappen, er een scheuring kwam

in de kleine vloot. De kapitein van de "Westvriesland" bleef

kapitein Schapenham getrouw, maar de drie overige gezagvoerders

besloten te zamen de reis op eigen gelegenheid te vervolgen.

Of daartoe medegewerkt had de ontmoeting van twee schepen, die van

den kant van de kust van Guinea kwamen, even Annabon aandeden en

toen op reis gingen naar het vaderland, vermag ik niet te zeggen.

Voor Witte anders was die eerste ontmoeting met zeekasteelen, die de

vaderlandsche vlag langs de wijde wateren lieten zwieren, een heele

gebeurtenis.

Zonder dat hij zeggen kon waarom, had het hem getroffen, toen hij,

nadat de uitkijk al gerapporteerd had, dat het vaderlandsche schepen

waren, ze, mooi over de zee, had zien komen aanzeilen. 't Leek hem

een stukje van Holland, erg gezellig, al was het nu zoowaar

heelemaal hierheen verdwaald. En het meest trof hem toch het

denkbeeld, dat die afgedwaalde partjes weer naar hun oorsprong

terugkeerden, of gelijk men dat nu eenmaal uitdrukte, dat de schepen

op de terugreis waren naar Patria.

[Illustratie: Heimwee, maat?]

Hij schrok, toen Hans, die hem bij het uitkijken naar die naderende

zeekasteelen had gadegeslagen, hem op den schouder sloeg.

"Heimwee, maat?"

Witte verzette zich, met al de zuurheid van zijn gelaat, tegen dàt

denkbeeld.

"Je lijkt wel gek!" beet hij Hans toe.

"Mogelijk," gaf Hans kalm ten antwoord, "want ik heb op het

oogenblik geen spiegeltje bij me, om m'n gezicht te bekijken. Maar

dit zal je toch van me moeten aanhooren, dat na zoo'n reisje, als

wij er een achter den rug hebben, er meer Jantjes zijn geweest, die

graag op een naar Patria terugkeerend schip hadden over willen

stappen."

"Om Jan Salie te worden?"

Hans keek hem een oogenblik strak aan.

Toen stak hij zijn breeden knuist uit.

"Kordaat gesproken, Witte.... Ik was al bang, dat...."

"Nu, waarvoor?"

"Dat.... nu ja, dat een kleermakersjongen voor goed na zoo'n

vreeselijke reis van zijn waan genezen zou zijn."

"'t Wàs geen waan!.... Ik zou op die kleermakerstafel kapot zijn

gegaan.... en dàt zou me gespeten hebben!"

"Nu.... dàt kun-je op deze schuit ook.... Zooals je aan onze arme

maats gemerkt hebt, die we in het groote zeemansgraf lieten

afglijden."

Witte haalde de schouders op.

"Dominee Leo heeft...."

"Hoho!.... Kom-je weer met dien op de proppen?"

"Ja, Hans.... En wat hij mij daarover geleerd heeft, geloof-je toch

ook?"

"Dan moet ik toch eerst nog weten wat!"

"Stil, Hans, niet spotten!.... Want jij weet toch ook.... en dat is

het wat ds. Leo me altijd heeft voorgehouden, dat het uurtje van

onzen dood vastgesteld is, en niemand daar iets aan veranderen kan."

"O, meen-je dàt?.... Wel dat is natuurlijk."

Dat "natuurlijk" kwam er bij Hans van ganscher harte uit. 't Was ook

het geheim, waarom onze 17de-eeuwsche varenslui nooit ofte nimmer

vrees kenden, en, zooals zoo dikwijls in onze rijke geschiedenis

neergeschreven zou moeten worden, in een simpel roeibootje op een

vijandelijk zeekasteel af durfden gaan.

"Niemand kan zijn dood ontloopen," zeiden zij, "en als dat oogenblik

gekomen is, moet men sterven; maar zoo niet, dan kan geen regen van

kogels, geen orkaan of stortzee je deren."

Daarom gingen zij, zonder een spier op het gelaat te vertrekken, de

grootste gevaren tegemoet.

Het was dan ook op het anders niet te vriendelijke gelaat van Witte

te zien, dat die uitroep van Hans hem genoegen deed. Die wilde er

nog wat bijvoegen, maar werd op dit oogenblik geroepen om met eenige

andere matrozen een boot uit te zetten.

Indien hij had kunnen vermoeden, dat het geruimen tijd zou duren,

voor en aleer hij met Witte weer een praatje zou kunnen maken, dan

zou hij hem zeker de hand ten afscheid gereikt hebben.

Het geval toch lag ertoe, dat er aan boord van de "Westvriesland"

meer patiënten aan de scheurbuik overleden waren dan op "de Gouden

Leeuw". Zoo kwam het, dat nog denzelfden dag, na een bijeenkomst van

de gezagvoerders dier twee bodems, er eenige manschappen van

laatstgenoemd schip naar de "Westvriesland" werden overgeplaatst,

waaronder, tot zijn groote vreugde, ook Hans behoorde, die aldus op

een onverwacht oogenblik zijn lievelingswensch in vervulling zag

overgaan.

't Ging alles zoo gauw, dat hij maar even tijd had om zijn bultzak

en verdere spulletjes te halen, om die naar zijn nieuwe

verblijfplaats over te brengen. Even nog keek hij rond naar Witte,

om dien het blijde nieuws mede te deelen, maar deze was in de kajuit

van kapitein Schapenham aan het werk, en in dit heiligdom kwam zeer

zeker een lichtmatroos niet ongeroepen.

Witte hoorde eerst dien avond, dat zijn kameraad voorloopig niet

meer een praatje met hem zou kunnen maken, hem plagen, maar ook van

goeden raad dienen. Eerst speet hem dit erg, maar een zeeman moet

zoo dikwijls en zoo herhaaldelijk afscheid nemen, dat hij wel leert,

zich dat niet bijzonder aan te trekken, anders lag hij al heel gauw

op zijn dooden rug.

Bovendien begon Witte er iets manlijks in te vinden, nu eigenlijk in

waarheid geheel op eigen beenen te staan.

Hans was een bovenst beste jongen, vond hij, maar het begon hem toch

al meer en meer te hinderen, dat hij door hem altijd nog op een

soort beschermende wijze behandeld werd.

Een echt zeemansjong uit dien tijd, steunde, naast God, het liefst

op zich zelven. En in Witte zat de echte zeemansnatuur.

In elk geval, en hiermede troostte zich ten slotte onze

vriend -- indien al ooit van hèm gezegd is kunnen worden, dat hij

troost noodig had! -- zij bleven toch in zeker opzicht bij elkaar in

de buurt.

Want het was op den 9den Juli, dat "de Gouden Leeuw" tegelijk met de

"Westvriesland" het anker lichtte, om de reis naar Oostinje voort te

zetten, op welke reis nu de eerstkomende pleisterplaats de bekende

Kaap de Goede Hoop zou zijn. 2)

Precies na twee maanden, dus op den 9den September 1616, kwam zij in

het zicht, en wierpen beide schepen het anker uit in de Tafelbaai.

In die twee maanden mocht Witte al meer en meer ervaring als zeerob

hebben opgedaan, voor Hans waren zij van zulk een groot belang

geweest, dat het hem later leek, alsof hij in dien tijd vele jaren

ouder was geworden.

Toen zijn vriend hem terugzag, vroeg deze zich onwillekeurig af, of

dat nu heusch dezelfde Hans was.

Dat terugzien had plaats op de reede, waarheen van beide schepen

bootjes kwamen aangeroeid tot het innemen van versch water.

Al dadelijk deed zich een groot verschil voor tusschen de

schepelingen van "de Gouden Leeuw" en die van de "Westvriesland".

De eersten zongen het hoogste lied uit van blijdschap, dat ze weer

eens, zij het voor korten tijd, den voet aan den vasten wal zouden

zetten. Onder de laatsten echter heerschte een stilzwijgen, dat iets

benauwends kreeg, juist door de uitgelatenheid van de branies van

"de Gouden Leeuw".

"Zouden ze een dooie aan boord hebben?" vroeg Witte aan den matroos,

die met hem op 't zelfde bankje zat te roeien.

"Ben-je....?" riep die onverschillig uit en met eenige minachting

voegde hij eraan toe:

"Ik kan wel zien, dat jij pas komt kijken!"

"Pas kom kijken?.... Ben ik niet de linie gepasseerd?"

"Dàt ben-je. En.... zeg me nu eens, hoeveel tranen heb-je gestort

over de maats, die je nu al in 't groote matrozengraf hebt zien

glijden?"

Ondanks zichzelf moest Witte om deze nuchtere vraag glimlachen.

De matroos zag dat, en gaf hem schertsenderwijs met den elleboog een

stoot in de ribben.

"Nu ja," zoo verdedigde zich Witte, "bij den eerste, dien wij over

boord zetten, vond ik het akeliger dan later."

"Dan ben-je al harder dan ik dacht," merkte de matroos op. "Want

altijd vind ik dat driemaal rondgaan mèt het in een zeildoek

gewikkelde lijk, om er beroerd van te worden. En dat

één-twee-drie-in-Godsnaam van den schipper snijdt me nog altijd door

de ziel."

"O ja, zóó bedoelde ik het ook niet," verontschuldigde zich Witte.

"Dat is net, of je in een kerk bent, en daar moet-je eerbied hebben,

hè?"

"Dat zeg ik met jou.... Maar, vrindje, nu wou ik jou erin vragen, of

je zit te grijnen, zoolang de doode man in 't vooronder op zijn

uitvaart ligt te wachten?"

"Wel neen," moest Witte volmondig bekennen.

De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw" · 第 5 / 8 段