gezorgd."
"Hoe?"
"'k Zal het je vertellen. 't Was al een heel stuk in de lente. Op
een vroegen morgen -- 'k lag nog in m'n kooi, die bij ons thuis
onder de pannen was opgeslagen -- hoorde ik m'n vogeltje op een
geweldige wijze aangaan. Dàt is een kat! dacht ik, en wip! was ik
uit 't bed en stak m'n hoofd door het dakvenster, waarnaast ik het
kooitje 's nachts altijd ophing. Toen zag ik, dat ik het heelemaal
mis had. M'n kameraadje lette niet eens op mij, maar wipte telkens
tegen de tralies, om maar zoo dicht mogelijk bij de vogels te zijn,
die druk rondvlogen met strootjes en allerlei ander gedoe voor het
bouwen van hun nest."
"En natuurlijk wou je vogel daarbij wezen!"
"Dat wou-ie. En nu kan ik je niet zeggen, Witte, hoe ondankbaar ik
dat van hem vond."
"Ben-je wel goed bij je zinnen? Een vogel blijft toch een vogel, en
is liever in de wijde wereld dan achter de tralies van een kooi."
"Je hebt volkomen gelijk, Witte. 't Ging met m'n vogeltje.... net
als 't met jou gegaan is."
Getroffen zag Witte hem aan. Van nu af was hij een en al gehoor.
Hans zag dat, en al het joviale kwam weer op zijn gelaat terug.
"Nu weet ik, maat, dat je me niet zult uitlachen als ik je verder
vertel, wat er gebeurd is. Ik, kleine, domme jongen, kon maar niet
gelooven, dat mijn makkertje de wijde wereld, waarin hij haast
verhongerd was, liever zou hebben dan zijn baasje. Ik riep hem bij
al de naampjes, die een kind aan z'n vogeltje geeft, opende het
deurtje om hem met m'n vinger over z'n kopje te strijken.... Wip,
daar ontsnapte hij door die opening en vloog weg. Ik werd rood van
kwaadheid, en slingerde hem een stuk dakpan, dat in de goot lag,
achterna. Tranen met tuiten heb ik erom gehuild. Niemand kon mij
over dat verlies troosten. Men wilde mij een ander vogeltje geven.
Ik dreigde het den nek om te draaien. Dat is nu al heel wat jaren
geleden en nooit dacht ik me over het verlies van m'n
speelkameraadje, dat ik van den hongerdood gered had en altijd
verpleegde met al de innigheid van een onnoozel kind, heen te kunnen
zetten...."
"Is dat toch gebeurd?"
"Door jou."
"Door mij!"
"Ja, Witte.... op het oogenblik zelf, toen je
me vertelde, hoe je moeder je den rug toekeerde, toen jij uit je
kooitje vloog."
"Daar wil-je mee zeggen, Hans?"
"Dat mijn vogeltje niet anders kòn, Witte."
IX.
MET IJSGANG UIT HET GOEREESCHE ZEEGAT.
Tegen het midden der maand Januari van het volgende jaar 1616 was
het weder geheel omgeslagen.
Geen nevel meer en geen regen en geen donkere dagen. Al wederom werd
de waarheid bevestigd van het oude rijmpje: "Als de dagen lengen,
gaan de nachten strengen."
Maar niet alleen des nachts vroor het, dat het kraakte en knapte.
Ook op den dag bakte het een aardig koekje.
De landman was met dat alles wel tevreden. "Nu vriest het ongedierte
dood," meende hij.
Over het algemeen was men niet op een kwakkelwinter gesteld. "Wakke
winters, vette kerkhoven," leeraarde een ander spreekwoord.
De jongens en meisjes gingen op den zolder de schaatsen eens aan een
nauwkeurig onderzoek onderwerpen. Moeder zei wel, dat er eerst
"balken onder het ijs" moesten komen, en probeerde haar rakkers een
beetje in toom te houden door ook al een spreuk aan te halen,
namelijk die van "ijs kost menschenvleisch". Doch vader wist wel uit
zijn jonge jaren, dat jong goedje moeilijk aan een touwtje
vastgelegd kon worden, al sprak hij nu met moeder mee. De
verkoopars van "heete melk met knapkoek", gingen eens na, welk oud
tafeltje nog goed genoeg zou zijn, om op het ijs dienst te doen. De
smeden brachten alles in gereedheid tot het schaatsenslijpen. De
rollen schaatsenband werden door de broeders van het St.
Nicolaasgilde opgeduikeld en aan de luifel gehangen. Alleen de
varensman, in zooverre hij de wijde wereld in moest, mocht naar al
dat gedoe niet meer omkijken.
En geen wonder! De echte vrieswind waait uit het Oosten en dan is
het voor een zeilschip tijd om het wijde water op te zoeken. Hoe
gezellig dit anders mocht zijn, bij vorst in het water kon het soms
nog een heel getob worden, dat gewoonlijk eindigde met het uitwerpen
van het anker, om op een betere gelegenheid te wachten.
Die betere gelegenheid moest men meestal zelf zoo spoedig doenlijk
bij den kop zien te vatten. Want in den riviermond kon men niet
blijven. Telkens bracht de ebbe van boven een al talrijker wordende
massa ijsbrokken aan, weldra van ijsschotsen, op elkaar schuivend en
hoe langer hoe geweldiger wordend.
Ook konden, op schier onbegrijpelijke wijze, plotseling kolossale
stukken ijs van den bodem oprijzen en ineens van alle kanten de
rivier bedekken.
Wel duwde de vloed die massa terug of bracht ze althans in beweging,
ze in elk geval opstuwend tegen de oevers, waar ze hoe langer hoe
meer op elkaar gestapeld werden. Doch na eenige uren kwam de ebbe
weer door, en als eenmaal een gedeelte der rivier vast ging zitten,
was er geen denken meer aan, om de vaargeul open te houden.
De schepen, die op stroom lagen, zochten liever de veilige haven op,
maar "de Gouden Leeuw" moest eruit, het kostte wat het wilde, moest
de vrije zee bereiken, voor en aleer de ijsgang in het Goereesche
Gat dit onmogelijk maakte.
Niet alleen, omdat hij voor het eerst de wijde wereld in zou zeilen,
heeft de ons bekende scheepsjongen van "de Gouden Leeuw" den 21sten
dag van die Januarimaand onthouden en opgeteekend in zijn dagboek,
maar niet het minst, omdat het bij die gelegenheid zoo verbazend
zwaar toeging. Een ander schip, waarover Heyndrik Buys gezagvoerder
was, kon tot een voorbeeld strekken, hoe gevaarlijk het was, met
zulk een sterken ijsgang de proef te nemen, om naar buiten te komen.
Het "verzeilde", aldus heeft Witte dat aangeteekend.
Dat kon echter kapitein Geen Huyghen Schapenham den moed niet doen
verliezen. Het ging erop of eronder, en dat wel naar de getuigenis
van denzelfden scheepsjongen "met groot perikel". Ontzaglijk leden
de manschappen, die bij die felle koude vele uren lang in het want
moesten doorbrengen of op het gladde dek, dan wel in de roeibootjes,
als er ankers of allerlei lijnen moesten uitgebracht worden, zonder
eenige beschutting overgeleverd aan den tot op het gebeente
doordringenden, ijskouden Oostenwind. Krom stonden de vingers van de
koude. Tóch moesten knoopen gelegd worden of losgemaakt, tóch het
ijzer van anker of spil aangeraakt worden, al voelde dat aan, of de
huid aan het metaal bleef vastkleven.
[Illustratie: Het ging erop of eronder "met groot perikel".]
Stel u ook niet die matrozen dik gekleed voor! Dat kon niet bij die
vlugge bewegingen, dat opvliegen in het want, dat neerstorten in de
booten. Ook ging het aan boord meestal op de bloote voeten.
Het is dan ook niet te verwonderen, dat, gelijk al diezelfde
scheepsjongen getuigde: "in 't uitzeilen van 't Goedereesche Gat
door de vehemente vorst, veel van 't volk haar voeten of teenen
afgevroren" waren.
Wonderlijk! Die bezige menschen merkten in die benarde uren daar
weinig van. Eerst een maand later, toen zij in de warmere streken
der wereld waren aangekomen, begon zich dat te openbaren, en moest
men de zieken aan land brengen, waar er tenten voor hen opgericht
werden en men hen zoo goed en zoo kwaad dat in dien tijd ging,
verpleegde. Maar enkelen van die rappe maats zagen nooit meer het
vaderland terug. Zij liggen begraven in Isle de Majo, een der
Kaapverdische eilanden....
Het was wel een hard begin geweest voor Witte, die zóó van de
kleermakerstafel in het ruwe, onbarmhartige leven van den varensman
der 17e eeuw overgeplaatst kwam. Het had ook niet erger gekund, en
vrouw Stoffelsen beschouwde het daarom als een straf en het was wèl
jammer voor haar, dat zij tijdens die benauwde uren in het
Goereesche Zeegat niet aan boord tegenwoordig kon zijn, om haar
meening in deze aan den gewezen snijdersleerling zoo nu en dan
kenbaar te maken.
Nu moet het gezegd worden, dat zij haar tijd niet verloren had laten
gaan. Nauw had Witte zich in dienst begeven van de Oost-Indische
Compagnie ter Kamer te Rotterdam -- want daarvoor voer "de Gouden
Leeuw" uit -- of het was haar een lust geweest allerlei sombere
profetieën over zijn stuggen kop uit te storten.
Toch was haar dat dienstnemen van den voormaligen leerjongen niet
onvoordeelig geweest.
Om een ongunstig getuigschrift of wel een heel gezanik met het
Kleermakers- of Sint-Franciscusgilde te voorkomen en te vermijden,
had moeder de With, die anders daarvoor wel de minst geëigende
persoon was, alles in der minne weten te schikken, en was heel zijn
zeemansuitrusting, wat ten minste de kleederen betrof, aan meester
Jochum opgedragen, een voordeeltje, waar hij niet zuur om keek.
Waarbij kwam, dat hij niet het kleinste muntstukje had uit te
betalen aan zijn helper, die, niemand anders dan Witte was.
En voor ditmaal een uitnemende hulp!
Witte had op de kleermakerstafel nooit zulk een ijver betoond als
nu. Hij werkte van den vroegen morgen tot den laten avond, en prikte
zoodanig naar hartelust, dat vrouw Stoffelsen, die zich zijn luieren
en tegenspartelen van nog niet zoo heel lang geleden maar al te goed
herinnerde, daar een reden in vond om zich boos te maken en oude
koeien uit de sloot te halen.
Die oude koeien zette zij vlak voor Witte neer, en dan begon ze, hoe
venijniger hoe liever.
Ze kòn dat eenvoudig niet laten. En om eerlijk de waarheid te
zeggen, werd zij nu daarin gestijfd door Witte zelf, op wiens gelaat
bij de beschouwingen van zijn gewezen meesteres, telkens een fijn,
tergend lachje te voorschijn kwam, een Judaslachje, gelijk moeder
Stoffelsen zich uitdrukte.
"Ja," had ze bij zulk een gelegenheid gezegd, "lach me maar uit,
lansje! Je bènt er nog niet. Je hebt twaalf ambachten en dertien
ongelukken..."
"Ho, ho, vrouw Stoffelsen... ik ben pas zoowat op het helftje!"
"Dáárom zei ik het ook," grijnsde nu ook zij, waardoor haar nogal
geschonden gebit bloot kwam, wat haar er nu juist niet mooier op
maakte, "dáárom zei ik het ook. Want je nieuwe ambacht zal je
natuurlijk ook niet blijven bevallen, zoowaar ik vrouw Stoffelsen
heet."
"Best mogelijk!" sarde Witte.
"Maar daar zit-je vast aan!" triomfeerde zij, "want op zee kun-je
niet wegloopen."
"Best, hoor!"
"Neen, monster! Daar zit-je in een notedop op een water, waar
nergens een plekje land te zien is."
"We doen toch wel eens een haven aan, vrouw Stoffelsen!"
"Ei, wat.... Zou-je willen deserteeren, jou, galgenaas?"
"Waarom niet? Net zoo goed als van de kleermakerstafel!"
Nu verried het gelaat van de vrouw, hoe vol ze was geworden van
inwendige pret.
"Probeer dat eens!"
"Als ik er kans toe zie!" plaagde Witte.
"Je durft niet!... Want als ze je te pakken krijgen...."
"Dàt zit nog, moeder!"
"Zitten?.... Dat zullen ze jou laten doen, vrind, en wat harder dan
op de kleermakerstafel, dàt beloof ik je."
"Te deksel, dat zal dan wèl hard zijn, hoor.... Maar ook van die
tafel ben ik afgekomen, dus...."
"O ja, uit de gevangenis zul-je ook wel geleid worden, maar naar een
plaats, waar je niet meer hoeft te zitten."
"Moet ik dan staan?"
"Ja, voor mijn part voegen ze er tot verzwaring van je straf nog
bij, dat ze je een paar uur te pronk stellen met een bord voor je
lijf."
"En dan, vrouw Stoffelsen?"
"Dan hangen ze je op!"
Nu barstte Witte in een luiden lach uit.
"Wat zul-je daar een spijt van hebben, vrouw Stoffelsen!"
Het gelaat van de eerbare vrouw trok schijnheilig samen.
"Dat zal ik zeker," betuigde zij.
"Ja, maar ik bedoel niet van dat ophangen."
"Waarvan dan?"
"Dat je er niet bij zal kunnen zijn!"
Vrouw Stoffelsen zwol op. Graag had ze haar slof uitgetrokken, om er
dien onbeschaamden rekel mee om de ooren te geven, maar nu hij niet
meer de leerjongen van haar goeden man was, ging dat niet langer.
Die goede man kwam nu tusschen beiden.
Tot nu toe had hij het die twee maar met elkaar laten uitvechten.
Zoolang zijn vrouw op voet van oorlog met een ander was, had hij
vrede, en hij wàs een man des vredes.
Nu kwam hij wel niet met een vaderlijke redeneering of een wijze
spreuk voor den dag. Om eerlijk de waarheid te zeggen, vond hij
zooiets ten opzichte van zijn wederhelft als het werpen van paarlen
voor de zwijnen. Maar hij vond de zoo noodige afleiding door de
meening te kennen te te geven, dat er "volk" in de taveerne was.
Dat werkte altijd uitstekend op zijn wederhelft. Want mocht het
blijken, dat hij zich zoowaar vergist had, dan kon dat "volk" er
toch wel geweest zijn, maar zich weer verwijderd hebben, hetgeen
vrouw Stoffelsen tot de zekere proef zou leiden om de voordeur te
openen en de straat langs te zien.
Bijna altijd werd dan wel een buurvrouw ontdekt, met wie eenige meer
of minder vriendschappelijke woorden over de vele gebreken der
menschheid te wisselen viel.
Na al het voorgaande, kan men zich wel voorstellen, dat het afscheid
van dit echtpaar voor onzen Witte wel om te overkomen was geweest,
en, hoe weinig lachebek hij van nature ook mocht zijn, toch had het
weinig gescheeld, of hij had door zijn gegrinnik al de goede
zedelessen, welke hem vrouw Stoffelsen op zijn verdere levensreis
medegaf, in even zooveel voorspellingen, als dat hij voor galg en
rad opgroeide, doen omslaan. Het was de baas met zijn knipbeenen,
die, door zijn jarenlange ervaring hoe men met zijn wijfje moest
omgaan, ook ditmaal uitkomst gaf.
Het afscheid van zijn moeder was koel en strak geweest.
Alles wat er voor hem te doen viel, had zij gedaan.
[Illustratie: Dat er "volk" in de taveerne was.]
Aan zijn uitrusting ontbrak niets. Ja toch iets: de hartelijkheid,
het medeleven van de laatste uren, die haar zoon in het ouderlijke
huis doorbracht.
Toen het zoo ontzettend koud werd, en zij haar jongen in den breeden
riviermond wist, zonder eenige beschutting voor den huilenden
NoordOoster, trok haar gelaat wel pijnlijk samen, maar geen woord
kwam daarover tot een ander, hetwelk een kijkje had kunnen geven in
haar hart.
Een moeder vergeet haar kind nooit; maar wat deze leed en deze bad,
bleef een geheim tusschen haar en den Hemelschen Vader, den eenigen,
aan wien zij haar zoon opdroeg.
Wat Witte betrof, ook hij liet zich niet uit over dat afscheid, en
mocht het toch wel eenigen indruk op hem gemaakt hebben, dan was de
herinnering daaraan niet van dien aard, dat zij hem voor langen tijd
tot neerslachtigheid zou gestemd hebben. Want telkens kwam als een
luchtstroom van geluk het gevoel over hem, dat hij eindelijk zijn
levensdoel bereikt had.
Dàt jubelde maar door hem heen. Elk stuk van zijn uitrusting was bij
het gereedkomen een tastbaar bewijs, dat het dan toch heusch waar
was en geen droom, die heerlijke verzekerdheid van naar zee te mogen
gaan.
Wat konden hem kou en ongemak deren!
Een warm gevoel van geluk overstroomde hem, deed zijn hart kloppen
en zijn polsen jagen. Keken de matrozen een beetje zuinig naar dien
strakken winterhemel, hij vond dien even stralend als zijn toekomst.
En toen hij op een vroegen morgen afscheid nam van Marie -- het
vroor dat het kraakte en de lucht leek wel vervuld van prikkelende
ijsnaaldjes -- zag hij in het ochtendlicht den Brielschen toren, met
die groene plekjes van de korstmossen erover gefluweeld, als
omhangen met een rose kleed: het lichtrood van zijn toekomst!
Het lag nu ook op zijn wangen, zijn heldere kijkers straalden van
opgewektheid.
"Als ik terugkom, Marie.... over jaren...."
"Véél jaren, Witte?"
Hij knikte.
"Voor jou zullen ze gauw genoeg voorbij zijn," klaagde zij, "maar
voor mij...."
Hij zag weer op tot den Brielschen toren, den geweldigen Heerscher
aan den Mond der Maas.
Toen stak hij zijn hand uit.
"Zul-je dikwijls aan me denken, Marie?"
Zij knikte.
"Ik zal je niet vergeten, Witte."
Nu zagen zijn felle oogen haar aan, zooals slechts hij iemand,
hetzij dan vriend of vijand, kon aanzien.
"Daar zullen er wel meer aan me blijven denken... aan den jongen van
wien toch niemendal terecht zal komen.... Neen, stil, Marie, ik weet
van jou wel beter! Maar het zal ze tegenvallen. Want wat ik eenmaal
wil, geef ik niet op, Marie!"
Hij zweeg even.
Toen voegde hij erbij:
"Als het God belieft, Marie!"
Zij boog het hoofd. Iets vochtigs kwam in haar oogen.
Dàt kon hij niet aanzien. Nog een handdruk en hij ging ervan door.
Dit afscheid en dat van zijn moeder was hem zeker niet licht
gevallen. Met voordicht vermijden wij het gebruik van het woordje
"zwaar". Dáárvoor was hij door heel zijn innerlijk heen eigenlijk
veel te gelukkig. En in dat geluk werd hij bevestigd bij zijn
overige afscheidsbezoeken.
Zoo was ds. Leo van Nieuwenhoorn haast net zoo blij als zijn
doopkind.
Hij had altijd wat in den jongen gezien, het bejammerd, dat zulk een
karakter in een niet geliefd ambacht werd opgesloten en was er nu
zeker van, dat er uit den knaap voor den dag zou komen, wat hij er
altijd in gezocht had. Hij gaf hem nog heel wat goede lessen mede op
zijn verdere levensreis en met meer aandacht dan men van zulk een
stuggen knaap verwacht zou hebben, luisterde deze daarnaar, ze
opnemende in zijn hart.
Van het oogenblik af, dat Witte op zijn schip gekomen was, leek het
wel, alsof er een geheele verandering met hem had plaats gehad. Geen
ijveriger, vlugger, welwillender en oppassender jongen dan hij. Welk
werk, hoe lastig, vervelend of onaangenaam, hem ook opgedragen mocht
worden, voor hem kwam er het gezellige en aantrekkelijke van zijn
huidige opgeruimdheid over.
Het was er verre vandaan, dat hij de luchtigheid van Hans zou
getoond hebben. Hij was en bleef rustiger en koeler. Maar het leek
wel, alsof er iets triomfantelijks over heel zijn doen en laten
gekomen was, of juister gezegd: een volkomen zekerheid, dat hij al
zijn best zou doen, wàt hem ook bevolen werd en dat zijn werk goed
zou zijn.
Van de vreeselijke koude in het Goereesche Zeegat heeft hij geen
kwade gevolgen ondervonden.
Nu is het waar, dat hij een stevige jongen was, die zich nooit
ontzien had; maar de overgang van het huis zittend leven tot het
zich bewegen in de open lucht bij een temperatuur van verscheiden
graden onder het nulpunt, moest hem toch wel aanpakken.
[Illustratie: Hij gaf hem nog heel wat goede lessen mede.]
Gelukkig voor hem behoefde hij nog niet veel diensten te verrichten
in die tallooze touwen en touwtjes, welke een zeeschip uit die dagen
van het dek tot het topje van den grooten mast als een web van
spinnedraden omgaven. Als dienaar van den scheepskapitein was hij
meer aangewezen op een verblijf in de kajuit of op het dek. Wat niet
wegnam, dat hij niet bij het fornuis een dutje kon gaan doen, en dat
een schip, bestemd voor een reis naar Oost-Indië, meer op het
doorstaan van een tropische hitte dan voor de ongemakken van een
Poolreis was ingericht. Ten minste ten opzichte van de brandstoffen
en gelegenheden tot verwarming. Want wat de dompigheid en de
ongeriefelijkheid der menschelijke verblijfplaatsen betrof, gaven
die twee in het tijdperk onzer ontdekkingstochten elkaar niet veel
toe.
Welk een getob, ja, welk een ellende die ijsgang in het Goereesche
Zeegat ook aan de equipage van "de Gouden Leeuw" gegeven mocht
hebben, het bleek ook bij deze gelegenheid, dat het Engelsche
spreekwoord "Waar er een wil is, is ook een weg", door de
Hollandsche Jantjes met glorie in toepassing gebracht kon worden.
Hoe meer men de zee naderde, hoe meer zich het ijs bros en voos ging
toonen, en eindelijk, daar lag de groote plas voor het oog van den
nieuwen scheepsjongen, de Noordzee, in haar kilheid van dezen
strengen winter lichtgroen afstekend tegen den wolkeloozen
vrieshemel. En prachtig was het om te zien, hoe door dat lichtgroen
boven de zandplaten telkens glinsterend witte, in de zon fonkelende,
breede witte ruggen opribden.
Onze scheepsjongen kòn het niet nalaten even zijn werk in den steek
te laten, en niemand nam het hem op dat pas kwalijk. Van allen, die
er op dit oogenblik gelegenheid toe hadden, gingen de blikken
dáárheen.
Even nog omgezien naar de duinen en de daarachter oprijzende
torens van het vaderland.
Toen weer vooruit.
Want dáár lag de toekomst.
En het was meer in de toekomst dan in het verleden, dat de Jantjes
uit ons Heldentijdperk geleefd hebben....
X.
ONDER DE LINIE.
Door de onvermijdelijke zeeziekte-periode was Witte vrij spoedig
heengerold.
Was hij een groote meneer geweest met een half dozijn bedienden om
hem bij te staan, hardop te beklagen en stilletjes uit te lachen,
ja, dan zou die krankheid niet alleen een kop en een lang lichaam,
maar ook een heel langen staart gehad hebben.
Met een scheepsjongen werd echter een klein beetje anders
omgesprongen! Dien stuurde men met een bakje vet het want in, en dan
moest hij maar zien, hoe hij het daar hoog in de lucht met de
veel-vermaarde zee-bezoeking op een accoordje kon gooien. Zachte
meesters maken stinkende wonden, zeiden onze voorouders, en de
zeevader van een kajuitsjongen kon moeilijk onder het zoetsappig
menschensoortje gerekend worden. Zelf was zoo'n opvoeder het
zeemansleven eer ingeschopt dan ingeleid, en omdat hij er flink en
gezond en robuust bij geworden was, paste hij met de noodige
aanspraken, die, hoewel niet veel van loftuitingen weghebbend, in
elk geval de verdienste bezaten van zeer kort en zeer pakkend te
zijn, diezelfde opvoedingsmethode op alweer een nieuw geslacht toe.
Witte heeft er geen woord van opgeschreven, hoe dat met hem en de
zeeziekte gesteld is geweest. Zeker echter is het, dat hij tien
dagen na de uitvaart, dus op den 31 Januari 1616, al heelemaal met
zijn hersenen bij de zeezaken kon zijn en niet meer als een
kabeljauw uit zijn oogen zag.
Men bevond zich toen pas aan het einde -- of van den Oceaan af
gerekend aan het begin -- van het Kanaal, waaruit we kunnen opmaken,
dat men bar-veel met tegenwind had moeten worstelen, want als men
dat eindje op de kaart nagaat, moet men eerlijk bekennen, dat "de
Gouden Leeuw" niet veel was opgeschoten in die tien dagen tijds.
Op die plaats dan trof men vier Hollandsche schepen aan, die ook
naar Oostinje op weg waren en voor dezelfde Compagnie voeren. Het
waren "de Eendracht" en "de Trouwe" van Amsterdam, "de Banthem" van
Enkhuizen en "de Westvriesland" van Hoorn.
Het was geen toeval dat die schepen elkaar "bejegenden". Kapitein
Schapenham was er natuurlijk van onderricht.
In deze tijden toch was het beter om er met z'n vijfjes
goedgewapende oorlogsschepen op uit te zeilen, dan op z'n eigen
houtje den tocht naar Oostinje te ondernemen.
Wel hadden wij met Spanje een wapenstilstand voor den tijd van
twaalf jaren gesloten, maar dat strekte zich niet uit tot de Indiën.
Bovendien was juist door het Bestand de zeerooverij bijzonder
toegenomen, gelijk we straks nader zullen hooren. En verder....
onze buren van over de zee, de Engelschen, volgden ons als onze
schaduw naar de Indiën, in welk geweldig eilandenrijk beide
Europeesche buurtjes er niet al te zeer tegen op zagen elkaar af en
toe in de haren te vliegen of de inlandsche vorsten tegen elkaar en
niet minder tegen de andere blanken op te stoken. Ja, die
bleekgezichten hebben heel wat wonderlijke noten op hun zang gehad!
Welke noot onze joviale vriend Hans op _zijn_ zang had, weten we al:
dolgraag zou hij op "de Westvriesland" overgeplaatst zijn, en daarom
was het een hard gelag voor hem, toen hij het schip van zijn
geboortestad Hoorn vlak voor zijn kluisgaten kreeg.
"Daar had ik nu als matroos den banjer op kunnen spelen," gromde --
in zooverre dat den immer opgeruimden knaap kon afgaan -- hij tegen
Witte, aan wien hij, uit het want, de verschillende zeekasteelen
aanduidde.
"Kom, Hans wie weet, wat er nog gebeuren kan!"
"Wel, heb ik van m'n leven! Sedert jij net als een slang je
huid -- nou ja, je kleermakershuid dan! -- hebt afgestroopt, zie-jij
nergens meer bezwaren in."
"Die zullen wel weer komen," glimlachte Witte. "Alles op z'n tijd,
maat! Maar voorloopig ben ik veel te blij, dat ik uit al dat gezanik
ben. O, wat een geluk, zeeman te zijn!"
"Jij?.... Wat een verbeelding!.... Zeeman van een blauwen Maandag,
hoor! Je komt pas kijken.... weet op z'n best, hoe je een dweil in
je knuisten moet houden, en al wist-je dat, dan doe-je het nog
verkeerd, sukkel! De eene bootsman trapt je links, en de andere
rechts, en dat wou nu al gaan praten van zeeman?"
[Illustratie: De verschillende zeekasteelen aanduidde.]
"Ben-je haast klaar?" vroeg Witte.
"Klaar?.... Ik begin pas!"
"Wacht dan even, want ik wou het even over dat trappen hebben. Laat
ik me dat doen, Hans?"