Witte was niet alleen. Naast hem liep een blond meisje van zijn

jaren, in wie wij zijn nichtje Marie herkennen, en beiden waren zoo

druk in gesprek, dat zij geen erg hadden in den wagen, die aan den

Brielschen kant van de hofstede zoo plotseling was blijven

stilstaan.

VII.

HET PLANNETJE VAN HANS.

Het schip, waarmede kapitein Schapenham een reis naar de Indiën

ondernemen zou, zag er nog allesbehalve zeilree uit. En toch stal

het, gelijk het daar met zijn hoogen achtersteven reeds van verre

zichtbaar was, het hart van Witte, die, liever dan naar zijn baas te

gaan, op een vroegen Decembermorgen het zandpad naar Hellevoetsluis

was opgewandeld, om met open oogen het vaartuig te aanschouwen,

waarvan hij met gesloten oogen tegenwoordig elken nacht droomde.

Al had hij in den Briel waarlijk schepen genoeg gezien, niet een kon

natuurlijk zulk een aantrekkelijkheid voor hem hebben als dit.

En wat een aangroeiende levendigheid om deze schuit, die vele jaren

weg zou blijven en daarom als het ware tot een drijvend dorp werd

ingericht!

Zeilmakers, scheepstimmerlieden, schilders, smeden, touwslagers, om

de leveranciers van allerlei eet- en drinkwaren niet te vergeten,

zwermden als nijvere bijen om dien drijvenden korf. Dieren kwamen er

ook al bij te pas, maar die zouden zooveel plaats niet innemen als

in de arke Noachs, want ze werden geslacht en ingezouten, en de

weinige, die levend mee zouden gaan, behoefden heusch niet op een

lange zeereis te rekenen. Heel veel zin hadden ze er in geen geval

in, ten minste de varkens niet, die spectakel genoeg maakten.

Witte kon eerst maar niet genoeg van dit schip krijgen. Toen echter

kwam zijn vit-achtige natuur, een gevolg van het zanikachtige leven

dat hij thuis had, weer boven, en viel hem hier en daar iets in het

oog, dat volgens zijn waanwijsheid beter had kunnen zijn. Als _hij_

maar eens kapitein van dat prachtschip geweest was!....

"Wel, maat!" kwam daar plotseling een jongensstem, waaruit men den

baard in de keel al hoorde, tot hem, "kijk-je het mooi er al af?"

Wittens felle, nooit vriendelijke oogen, gingen den kant uit van den

spreker, die niet zonder eenige spotzucht deze onverwachte vraag tot

hem gericht had, een jongen, ongeveer van zijn leeftijd en in

zeemans-werkpak.

Die kleeding bespaarde hem een dier bitse antwoorden, waarmede Witte

anders niet zuinig was. Toch, hoe welwillend ook bedoeld, er bleef

norschheid te over in zijn wedervraag:

"Hoor-jij erop?"

"Of ik erop hoor?.... Nagelvast zou ik haast zeggen."

"Heb-je er dan het land aan?"

"Nou.... als ik de koeien erbij had, was ik een boer in den polder."

"Zeg-je dat op mij?"

"Ben-jij dan een boer?"

"Neen."

"Wat trek-je je 't dan aan?"

"Dat is mijn zaak."

"Je lijkt nog al onverschillig."

Witte trok zijn schouders op en onwillekeurig dwaalden zijn blikken

weer naar "de Gouden Leeuw" waarop alles vol leven en beweging was.

Neen, dáár was hij zeker niet onverschillig voor.

De andere jongen, een knaap met een bruinen krullekop en levendige,

donkere kijkers in het vroolijke gelaat, zag dit.

"Ik laat me driemaal van de ra dansen, als jij ook geen

zeemansjongen ben!"

Een zucht.

"En dat jij precies zoekt, wat ik verliezen wil."

Witte keek hem vragend aan.

"Ruilen?" stelde de vroolijke krullebol voor.

Ineens zag Witte hem met zijn felle oogen vlak in het gezicht.

"Ho, ho," spotte deze, "je zet een gezicht als een jeugdige

menscheneter.... Maar weet-je wat? Loop eens met me naar de taveerne

ginds.... Een kroes bier...."

"Heb ik van jou niet noodig."

"Nog beter!.... Dan tracteer jij."

Dat kwam er zoo vlot uit, dat er, even slechts, een glimlach over

het gelaat van Witte vloog.

Zijn maat knikte tevree.

"Te duiker, ik dacht, dat je een steenen snuit had. Net als het

varken van mijn spaarpot.... waaraan ik zoo'n hekel had."

"Aan dat varken?" spotte Witte.

"Ben-je wel zestig? Net zoo min als aan jou, al hèb-je een steenen

bakkes.... Neen, aan het sparen. Welke zeemansjongen heeft daar

verstand van?"

Witte keek hem verbaasd aan.

[Illustratie: Heb ik van jou niet noodig.]

"Jij een echte zeemansjongen?... En je wil van de schuit af?"

"Wis en zeker,... van déze!"

"Dus?"

"Ga mee.... Bij een kroes bier kan ik je dat veel duidelijker

uitleggen."

Witte schudde het hoofd.

"Zeg 't zoo maar."

"Mij goed dan, sinjeur Isegrim.... Weet dan, dat ik Hans Lievensz.

ben uit Hoorn, dat ik van m'n tiende jaar al af de zeelucht opsnuif

en in dit opzicht een aardje naar m'n vaartje heb, die, geloof ik,

op zee geboren is."

"En je wou van de schuit!"

"Zeker.... Niet om bij moeders pappot te blijven, hoor, maar omdat

ik gisteren de tijding kreeg, dat mijn vader als eerste stuurman ook

naar Oostinje gaat en wel met een schip uit Hoorn. Daar kon ik

denkelijk wel al als matroos met mee, maar nu zit ik aan deze kast

vast, waarvoor ik als lichtmatroos gemonsterd ben."

"En je wou met mij ruilen!" gaf Witte ten antwoord, in de bitterheid

zijns harten een sterken nadruk op dat woordje "mij" leggend.

"Wis en drie!"

"Omdat je denkt, dat ik een zeemansjongen ben?"

"Ga-je me voor den gek houden?.... Je heele facie wijst het immers

uit!"

"Toch heb-je het mis.... Ik ben snijdersleerling!"

"Kom, maak dat een ander wijs!"

"Ik.... lieg nooit."

"Maar.... wat kom-je dan eigenlijk hier doen?"

Witte gaf geen antwoord. Weer keek hij naar "de Gouden Leeuw", en nu

kwam er zulk een smartelijke uitdrukking op zijn gelaat, dat er voor

Hans een licht opging.

Vertrouwelijk legde hij de hand op Wittens schouder.

"Kameraad.... ik vroeg je om hulp...."

Witte schudde zijn hand af.

"En nu valt het je leelijk tegen, hè?" sprak hij op zijn bitse,

afstootende wijze.

Even lichtte er iets joligs door de glanzende oogen van den

jeugdigen licht-matroos.

"Als ik neen zei, zou.... zou ik op mijn beurt liegen, en daar zie

ik net zoo min heil in als jij."

"Wat wou-je dan?"

"Ik?.... Een beetje.... en toch veel."

"Wat dan?"

"Wel.... kan ik je soms helpen?"

Witte glimlachte op haast beleedigende wijze.

"Dat zal zeker niet lukken aan een lichtmatroos van 'de Gouden

Leeuw?'...."

"Bij dit en dat.... waarom niet?"

"Omdat het zelfs den gezagvoerder ervan mislukt is."

"Wat zeg-je daar?.... Kapitein Schepenham...."

"Is zelf bij m'n moeder geweest."

Hans floot tusschen de tanden.

"Sta-je bij d'n ouwe in zoo'n goed blaadje?"

"Heeft-ie dan zooveel leelijke blaadjes in z'n boekje?"

Hans wreef zich met een kwasi-pijnlijk gezicht over den rug, wat,

bij de oolijkheid van zijn tronie, allerkluchtigst aandeed.

"Een zeeman van het bovenste plankje, maar een beetje kort

aangebonden, en.... het eindje touw is ook niet lang."

"De spanriem van een leertouwer en de el van een kleermaker zijn ook

niet van zoete koek gebakken."

"O, zoo!" riep Hans uit, "jij weet dus ook, wat een blauwe plek is."

Beiden schoten om deze opmerking in den lach. "Dat moet-je maar veel

doen," meende Hans.

"Wat?"

"Lachen!"

"Ik heb daar niet veel reden toe."

"Nu, ik zou zoo denken!.... een lief kindje van d'n ouwe!"...

"Wat helpt me dat? Ik mag toch niet naar zee."

Hans keek hem strak aan.

"Moederskindje?" vroeg hij.

De blik, dien Witte hem toewierp, overtuigde, hem, meer dan een heel

verhaal dat doen kon, van het tegenovergestelde.

"Een harde vrouw?"

"Ja!" klonk het kort en bondig.

"En je vader?"

"Is dood.... allang."

"Broers en zusters?"

"Eén zus. De rest broers, en allen ziekelijk."

"Jij ziet er toch gezond uit."

"Wat heb ik daaraan?.... Ik knies me dood!"

"Moet-je niet doen."

"Jij hebt goed praten: jij vaart op zee!"

"Daar kom-jij ook op.... Als je 't maar goed aanpakt."

"En als nu kapitein Schapenham.... en zelfs twee dominees, ds. Leo

en Willem Crijnze...."

Nu schudde Hans heel zijn lache-kop.

"Heelemaal verkeerd aangepakt!"

"Doe-jij het dan beter," snauwde Witte.

"Neen, dat zou moeilijk gaan, want.... ook ik hoor op mijn manier

tot het manvolk, en... dàt krijgt geen moeder-de-vrouw klein."

Witte werd opeens vol belangstelling.

"Hoe bedoel-je dat?" vroeg hij.

"Geef liever mij eens antwoord.... Houdt je zus erg veel van je?"

"Ja."

"Kan die het het dan niet van je moeder gedaan krijgen?"

Daar kwam de rimpel weer op het voorhoofd van Witte. Iets bits lag

op zijn lippen; maar eer hij wat zeggen kon, lei Hans hem door een

afwerend gebaar het zwijgen op.

"Begrepen! Jullie zijn allebei bang voor moeder... Neen, kijk me

niet zoo venijnig aan. Ik wil geen ruzie met je zoeken, maar helpen

wil ik je, en daarom zeg ik nu precies maar, wat ik denk. En als jij

dat nu ook wil doen, geef me dan eens eerlijk antwoord op deze

vraag: Is er niet een vrouwelijk wezen in je familie, dat zóóveel

van je houdt, om...."

Maar Hans voleindigde dezen zin niet. Hoe haastig ook Witte het

hoofd omwendde, de oolijke zeemansjongen had gezien, hoe hij

kleurde.

Nu lei Hans beide zijn handen op de schouders van den

snijders-leerling en dwong dien aldus hem in de oogen te zien.

"Ik weet nog niet eens, hoe je heet.... Ik zal maar Jan tegen je

zeggen, want zoowat al de Hollandsche jongens van de zee heeten

zoo.... O, heet-je Witte?.... Goed!.... Dan heb ik jou, Witte, te

zeggen, dat, als dat meisje veel van je houdt, ze nog vandaag naar

je moeder zal gaan.... of, bijlo! haar eigen moeder erop uit zal

sturen. Vrouwen weten van volhouden; dàt zie-je maar eens aan je

eigen moeder! Daar kunnen geen dominees en geen zeekapiteins en in

't geheel niet zulke kwajongens als wij nog zijn, tegen op. Ik

verzeker je, Witte, dat, als je er maar eenmaal de vrouwlui voor

weet te spannen, mijn naam geen Hans Lievensz is, of je gooit

binnenkort schaar en naald zoover weg, als zij vliegen willen."

[Illustratie: Kijk nu naar je voorland.]

Toen, hem aldoor bij de schouders vasthoudend, keerde hij hem met

zijn forsche knuisten in één ruk om, zoodat Witte met het gelaat

naar den Oostinjevaarder gewend stond.

"Kijk nu naar je voorland.... scheepsjongen van 'de Gouden Leeuw'!"

Witte had zich te weer willen stellen, maar nu vielen zijn armen

slap neer. Er was over zijn gelaat zulk een geluk gekomen, dat hij

in dat eene oogenblik een heel andere jongen scheen geworden. Zijn

oogen, lichtstralend van blijdschap, zagen eerst het schip en toen

Hans aan.

"O, Hans, als dàt waar was...."

"Het wòrdt waar, Witte.... maar dan nu ook als de drommel aan het

werk. Geen oogenblik kun-je meer verliezen. Denk eens aan: we zouden

half Januari uitzeilen, en vóór dien tijd zou nog je heele

uitrusting in orde gebracht moeten zijn, wat voor een Oostinjesche

reis om den dood geen gekheid is. Hoe je de vechtpartij nu aan moet

pakken.... is jou zaak, maar hooren doe ik er zeker van!"

"Morgenochtend ben ik weer hier."

"Kun-je dan altijd maar van je vak wegloopen, als je er lust in

hebt?"

"Dat vak.... hèb ik niet meer," klonk het vastberaden.

"Jij maakt dáár korte metten mee, Witte!"

"Dat zullen we nu met het andere ook probeeren," kwam het er even

resoluut bij Witte uit.

Hij stak de hand ten afscheid uit.

"Kan ik voor jou ook wat doen, Hans!"

"Heel veel!"

"Dat is?"

"Den schipper, bij wien jij een potje schijnt te kunnen breken, onze

ruiling voorstellen, als het jou lukt."

"Kan niet."

"Hoe zoo?"

"Wie ruilt er een licht-matroos voor een onbevaren scheepsjongen?"

"Ja, dat is voor den drommel waar ook!"

Op zijn beurt nu lei Witte de hand op den schouder van zijn

kameraad.

"Ik zal in elk geval mijn best doen, om ook jou te verlossen, Hans!"

"Top!... Tot ziens dan, Witte."

"Tot ziens, Hans."

Zonder er een woord meer bij te voegen, spoedde Witte zich den weg

naar Nieuwenhoorn op.

Geen seconde liet hij verloren gaan. Dadelijk begaf hij zich naar de

hofstede van zijn nicht. Eerst Marie en toen haar moeder werden in

het plan van aanval gewikkeld. En nu Witte maar handelen kon, die

trouwens toch van commandeeren hield en van vechten niet minder,

wist hij er bij moeder en dochter, hoeveel bezwaren zij eerst

hadden, den strijdlust wel in te brengen. Dát heeft de latere

admiraal Vechtgraag, zooals de matrozen hem gedoopt hebben, schier

altijd weten te bewerkstelligen, als het erop aan kwam. En omdat

Witte en Marie, hoeveel zij zich al mochten verbeelden, toch

eigenlijk nog maar kinderen waren, moest haar moeder het eerst den

aanval beginnen. De gebeden en tranen van Marie hield de jeugdige

commandeur voorloopig in de reserve.

Eigenlijk had hij haar moeder in zijn stevige knuisten wel mee

willen sleuren, om den veldtocht maar dadelijk te openen, doch die

verklaarde, dat zij ook haar huishouden had en het nog te vroeg was.

Vanmiddag was het tijd genoeg. Marie evenwel liep, al babbelende

over het groote plan, met Witte mee, en zoo kwam het, dat zij door

den kapitein gezien werden, gelijk wij aan het slot van het vorige

hoofdstuk verteld hebben.

Dat die al heel gauw op de hoogte van het plan gesteld werd en er

verbazend veel schik in had, behoeven wij wel niet mede te deelen.

Maar meester Jochum hielden zij er als bij afspraak buiten. Die wou

wel beginnen, om Witte met een heel standje mee te troonen, maar dat

gelukte hem niet.

"Daar zullen we nog wel een woordje over te wisselen hebben,"

dreigde hij, en Witte gaf daarop ten antwoord, dat het goed was.

"Ja," sprak nu meester Jochum Stoffelsen tot zichzelven, terwijl hij

den weg naar den Briel insloeg, "hoe zal ik dat nu aan mijn vrouw te

vertellen hebben, zonder dat zij mij tòch van alles de schuld

geeft?"

VIII.

HET DEURTJE VAN EEN VOGELKOOI GAAT OPEN.

Wat zal ik u, die nog jong zijt, getuigen maken van de worstelingen

eener oude vrouw tegen het onvermijdelijke!

Het was de vaste overtuiging van moeder de With, dat haar jongen

ongelukkig zou worden op de zee, minder naar het lichaam dan wel

naar de ziel. Ginder op den wijden plas een schier voortdurend

kampen met allerlei vijanden, en háár innige overtuiging was het,

dat het voeren van het zwaard ontwijfelbaar zeker ten verderve

voert.

Toch had Witte het in die voortdurende worsteling met zijn moeder in

zijn voordeel, dat zij elk jaar ouder en hij daarentegen krachtiger

werd. Wat zij verloor bij het afwinden van haar levensdraad, won hij

bij het sterker, grooter, kloeker worden. Het einde was te voorzien.

En toen zij nu, zwak en zich doodmoede gevoelende, nog den aanval

moest weerstaan van allen, die maar eenigen invloed op haar meenden

te kunnen uitoefenen, terwijl zij allen uitwendigen steun miste,

kwam over haar een groote walging.

De moeder van Marie meende haar overtuigd te hebben, dat alleen een

toegeven Witte kon redden van een leven, dat onder zou gaan in

nutteloosheid. De tranen van zijn speelmakkertje bevochtigden haar

oude, van ontroering bevende handen, maar de warmte ervan drong niet

door tot haar hart.

Zij gevoelde zich een van God gestrafte, omdat zij in de opvoeding

van haar kind te kort geschoten was, omdat zij hem niet had kunnen

redden of terugbrengen van zijn afval. Nu liet zij moedeloos het

hoofd op het kussen nederzinken, en haar gevouwen handen wonden zich

lusteloos van elkaar. Háár kracht was gebroken; die van Witte had

gezegevierd.

Zóó.... was dat geen triomf! Al het blijde en gelukkige van

eindelijk zijn levensdoel gevonden te hebben, werd op dat eigen

oogenblik voor den knaap bedorven.

Hij hoorde de jubeltijding van Marie; maar toen hij dadelijk daarop

naar het bed van zijn moeder snelde om haar gelaat en haar handen

met kussen van dankbaarheid te bedekken, wendde zij zich van hem af

en keerde hem den rug toe. Toen vielen zijn armen slap neer, en de

rimpel, die thans bij zijn moeder zelfs in de halve duisternis van

haar legerstede zichtbaar was, groef zich nu ook diep in zijn

voorhoofd.

"Moeder.... heeft Marie gelogen?"

"Een Doopsgezinde liegt nooit!" klonk het dof achter uit de donkere

bedstede.

O, wederom golfde een bloedstroom van vreugde door de aderen van den

knaap. Het wàs dan toch waar! Over zijn leven ging het licht van

zijn geluk op.

Waarom bedierf moeder dat nu?

Eén hartelijk woordje slechts!

Hij vroeg erom:

"Moeder.... Ik ben zoo blij!"

Altijd bleef het hoofd afgewend; maar hard en zonder eenig

mededoogen kwam het er in afgebeten bewoordingen bij de vrouw uit:

"Ook de Verloren Zoon was blij, toen hij het verderf tegemoet ging."

"Moeder!...."

Maar de moeder van Marie, die zich wat achteraf gehouden had bij het

onderhoud tusschen de oude vrouw en haar opbloeienden zoon, kwam nu

bij het bed, trok Witte aan de mouw en beduidde hem door allerlei

teekenen, dat hij beter deed zijn moeder met haar groot verdriet

alleen te laten.

Witte was er kapot van, toen hij zich met Marie naar haar huis

begaf.

"O, Marie, ik kon toch niet anders; heusch, ik kòn niet anders!"

Marie troostte hem, zooals een meisje dat kan doen, en dat deed hem

goed, maar altijd bleef er nog iets aan zijn innerlijk knagen, dat

hij maar niet tot rust kon brengen.

Dien aanblik van zijn moeder, het hoofd van hem afwendend, meende

hij wel nooit te kunnen vergeten. De troostredenen van ds. Leo, die

hem als elfjarigen knaap gedoopt had, de luchtigere beschouwingen op

dat punt van kapitein Schapenham, en het geterg van de eerbare vrouw

Stoffelsen, die er heel gauw achter gekomen was, hoe eigenlijk de

vork aan den steel zat en daar nu geducht gebruik van maakte, om

Witte tijdens de enkele keeren, dat hij nog haar huis bezoeken

moest, het leven zoo zuur mogelijk te maken.... dat alles vermohct

niet het bittere gevoel te doen verminderen.

[Illustratie: Witte was er kapot van.]

Dat deed alleen een opmerking van Hans.

Die scheen de wereld te rijk, toen Witte hem de vreugde-mare

verkondigde. Want, zie-je, Hàns was het toch maar geweest, die den

raad gegeven had, welke ten slotte zoo uitstekend bleek te zijn.

Heel zijn vroolijke facie was een en al lach, en dat werkte zoo

aanstekelijk, dat de nevel, welke nog als bij voortduring voor Witte

tusschen zichzelf en het geluk van zijn leven lag, voor een wijlen

optrok.

O, nu zou hij de wijde wereld ingaan, vreemde landen en vreemde

volken zien, en toonen, wat er voor flinks en kordaats in hem zat.

Het schip "de Gouden Leeuw" keek hij aan met een uitdrukking op het

gelaat, alsof hij er zelf de eigenaar van was. Voor hem omvatte dit

stevige, hooge vaartuig een toekomst vol welbehagen.

Hij ademde zoo diep, alsof er iets drukkends van zijn borst was

afgenomen. En al maar om hem heen dat vroolijke gekeuvel van Hans,

die van dat zijn oogen 's morgens open gingen, tot hij 's avonds in

slaap viel, aldoor maar schik in zijn leven scheen te hebben.

"Hans, wat bèn-je toch eigenlijk een gelukkige vent!"

"Ik?.... Nou, daar mankeert anders op 't oogenblik een heeleboel

aan."

"Nee, daar mankeert niemendal aan, zeg ik je."

"Wat?.... Noem-je 't niemendal, als ik graag matroos op dat

Hoornsche schip had willen worden en dat kansje nu m'n neus voorbij

zal gaan? Zeg, zooveel gage meer in de maand is voor den drommel

toch geen gekheid!"

"Dat is het zeker niet!.... Maar daarom zul-je er toch niet het

heimwee van krijgen?"

"Heimwee?" spotte Hans; "pas maar op, dat die...."

Hij wilde zeggen: "jou niet te pakken krijgt," maar, als viel hem

iets in, slikte hij deze woorden in, terwijl er iets verlegens over

zijn gelaat kwam, als bij iemand, die op het punt is een

onhandigheid te begaan.

Die overgang was te plotseling, dan dat het niet de aandacht van

Witte getrokken zou hebben.

Trouwens diens aard was altijd min of meer kwaaddenkend, gevolg van

het leven tegen zijn zin, dat hij zooveel jaren had moeten leiden.

Hij keek Hans met zijn felle oogen aan.

"Waarom verberg-je wat voor mij?"

"Ik?"

"Ja, je spreekt niet schoon uit."

Hans haalde een beetje onverschillig de schouders op.

"Ik zeg niet graag onprettige dingen aan een maat, met wien ik

anders wel op kan schieten."

Witte knikte, en zijn gelaat stond weer heel somber.

"'k Begrijp je anders best, Hans."

"Vraag er dan ook niet verder naar."

"Neen, vragen doe ik je daar niet meer naar, omdat ikzelf je het

antwoord wel geven kan."

"Houd dat antwoord dan maar voor je eigen.... En, wat drommel! laten

we jool in ons leven hebben en houden erbij.... Denk eens aan,

Witte: je gaat nu heusch naar zee!"

"Zonder heimwee," hield deze koppig vol.

"Begin-je daar weer mee?"

"Ja, want je wou te kennen geven, dat zeker ik niet die ziekte onder

de leden had."

"Nu, en wat zou dat?"

"Omdat je verzweeg, dat alleen moederskindertjes daar aanleg voor

hebben en mijn moeder...."

Heel donker zag hij weer voor zich uit.

Hans schudde het hoofd.

"Witte, Witte, als je dáár over blijft zeuren, krijg-je zoo zeker

het heimwee als tweemaal twee vier is."

"'t Is ook zoo'n ellendige geschiedenis, Hans!"

"Nou, voor jou zoo heel erg niet!"

Witte maakte een beweging met het hoofd, als wilde hij zeggen: "Hoor

die eens!"

"Daar weet-je niets van, Hans!"

"Dat denk-je, Witte; maar ik verzeker je, dat ik er een heel klein

beetje over kan oordeelen."

"Wat Zaterdag.... was jou moeder er dan ook zoo tegen?"

"Heelemaal niet. In onze familie spreekt het vanzelf, dat de jongens

oprukken, zoo vroeg mogelijk naar zee. En 't is, omdat ze op 'n

schuit nu eenmaal geen meisjes varen, dat m'n zusjes niet op

gezouten vleesch onder de linie hebben gekauwd, en.... ja,

dat m'n moeder geen marsgast geworden is."

"Jij.... spot met alles. En mij houd-je ook voor den gek. Want hoe

zou-jij er nu over kunnen oordeelen, hoe ellendig het met mij

geschapen staat, omdat moeder.... nu ja, je weet het wel."

"Toch spot ik niet, Witte, en ik zou daar ook wel zalig voor

oppassen. Daar ben-jij geen jongen voor. En al durf ik je best

staan, je vuisten lijken me niet van zoete koek gebakken. Neen,

maat, ik bedoel het heel anders dan jij wel denkt."

"Leg het me dan eens uit.... en dat heel gauw alsjeblieft."

"Toe maar! Ik zou me aanvliegen als ik jou was. Kalm wat, kameraad."

"Neen, niet kalm. Ik moet weten, wat je op het oogenblik denkt."

"Dát 's gauw genoeg gezegd: ik denk op het oogenblik, dat je een

razend opgewonden standje bent.... Ho, ho....

[Illustratie: Ik heb eens een vogeltje gehad, Witte...]

Wou-jij, scheepsjongen van 'de Gouden Leeuw', nu al rebellie plegen

tegen een meerdere van je?.... Denk eens aan: tegen een

lichtmatroos."

"Spot niet, Hans.... Ik kàn dat niet verdragen!"

Hans troonde hem mee naar een afgezonderd hoekje, waar zij op een

hoop oude zeilen plaats namen, en toen zij daar gezeten waren,

sprake Hans:

"Ik heb eens een vogeltje gehad, Witte...."

"Wat kan mij dat schelen?"

"Meer dan je denkt.... Even geduld!"

"Geduld?.... Ik heb dat zooveel jaren moeten hebben...."

"Dat er een paar minuutjes nog wel bij kunnen, zou ik zoo denken..."

Het onverstoorbaar goede humeur van Hans miste ten slotte zijn

uitwerking niet op den heftigen, onstuimigen knaap.

"Ga dan maar je gang," zei hij met zulk een diepe zucht, dat Hans

erom in den lach schoot.

"Je lijkt wel een blaasbalg.... Neen, bedaar!.... Ik zal je geduld

niet langer op de proef stellen.... Ik had dan een vogeltje...."

"Dat weet ik al!"

"Maar wat je niet weet, is, dat ik dolveel van het beestje hield. Ik

was nog een schoolaapje, en als ik naar huis kwam stuiven, zag het

beest me al van verre aankomen en fladderde van blijdschap tegen de

tralies van zijn kooi."

Er was iets innigs gekomen over de beweeglijke gelaatstrekken van

Hans, maar die van Witte behielden haar ijzige onverschilligheid.

Wat ter wereld kon hèm een vogeltje schelen?

Toch zweeg hij nu, en wachtte met een geduld, dat hem niet dikwijls

eigen was, het vervolg van het verhaal af.

"'k Had het gevangen in den winter, toen het nergens eten kon

vinden. Door den honger was het in mijn macht gekomen, en daarom

zorgde ik er altijd goed voor, dat het te eten kreeg. Pietje wist

dat, en keek naar mijn handen om.... Dat stomme dier!"

"Moet dat gezeur nog langer duren?"

"O ja, Witte, je lacht me uit, omdat ik, zeemansjongen, die al heel

wat gezworven heb, hoe jong ik nog ben, van een simpel vogeltje heb

gehouden? Wacht maar, je zult eens zien, hoe je van den scheepshond

gaat houden, en misschien probeer-je wel een aap mee te brengen naar

het vaderland. Wij, zeelui, hechten ons altijd erg aan die goejege,

stomme dieren, die je zoo kunnen aankijken, net, of ze hulp van je

vragen. En die aard zat zeker toen al in me, al had ik nog geen

ander scheepje dan dat ik van m'n houten klomp gemaakt had. Dàt weet

ik wel, dat ik voor geen geld van de wereld m'n kameraadje had

willen missen. Telkens was ik bij zijn kooi, om met hem te praten,

en zoo waar als ik leef, het beest verstond me. Zijn baasje mocht

alles bij hem doen, zelfs met den vinger over z'n kopje strijken."

"Is het haast uit?"

Nu kwam er als een lichte wolk over het anders zoo opgeruimde gelaat

van Hans.

De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw" · 第 3 / 8 段