waarin hij de naald hield, opwaarts geheven.
"Geeselen en brandmerken?.... Vrouwtje vrouwtje, waar moet dat
heen!"
"Waar het heen moet?" snauwde ze terug. "Vraag dàt liever aan het
goed, dat die zaterdagsche kwâjongen naar de klanten moet brengen.
Zou-je denken, dat ik met m'n rampzalige eksteroogen soms het vuur
uit m'n sloffen ging loopen, om dien rommel weg te brengen?"
"Ik zal het zelf wel doen, moeder."
"Een mooie meester, die zelf voor loopjongen speelt!"
"Kom, kom, suikerpoesje," vleide de meester, die er hard naar ging
verlangen om eens een poosje buiten dat geraas te zijn, "dan schep
ik meteen eens een luchtje!"
Het suikerpoesje bromde iets onverstaanbaars terug, maar vond het
ten slotte goed dat haar heer en meester er na het noenmaal op uit
zou gaan. Minder om die kleeren weg te brengen -- als men die lorren
noodig had, zou men er zelf wel om sturen, decreteerde vrouw
Stoffelsen -- dan wel om even naar de hofstede van vrouw de With
over te wippen en daar te hooren, of men iets wist van het
wegblijven van den leerjongen.
"Dat geloof ik nu wel niet," meende de practische vrouw Stoffelsen,
"want anders had men ons wel een boodschap gestuurd. Ze hebben daar
volk genoeg op de steê. Maar het is toch vrouw de With in de eerste
plaats, die er van op de hoogte moet gebracht worden, als er soms
iets met haar zoon niet en is, zooals 't wezen moet."
"Verstandig geredeneerd, vrouw!" prees haar meester Stoffelsen, die
inwendig al heelemaal opgefleurd was, dat hij nu voor een geruimen
tijd uit dat gezeur zou zijn, maar wel oppaste van dat gevoel iets,
zelfs niet door de uitdrukking in zijn gelaatstrekken, te doen
verraden.
Na het middagmaal ging de baas er met zijn knipbeenen van door,
terwijl moeder de vrouw het voorloopig druk genoeg had met het
wasschen der vaten.
Ze was daarmede nog niet gereed, toen er "volk" geroepen werd in de
taveerne.
Haastig streek ze haar voorschoot glad, en, een proper mondje
zettende, begaf zij zich naar het afgeschoten hokje.
Ze stond ineens voor een grooten, stevigen baas. "Ben ik hier bij
den kleermaker Jochum Stoffelsen."
"Ja, sinjeur."
"Is hij thuis?"
"Neen, maar kan ik de boodschap niet overbrengen?"
De vreemdeling aarzelde even.
"Weet-je wat?" besloot hij, "geef me maar vast een kroes bier." En
zijn breedgeranden hoed op het tafeltje werpende, dat dicht bij den
haard stond, liet hij zijn zwaar lichaam nedervallen op een der
houten banken.
"Die zit," dacht vrouw Stoffelsen, zich beijverend om aan de
opdracht te voldoen, "en ik zal wel zorgen, dat hij vooreerst niet
opstaat."
Nu, dat scheen ook zonder haar medewerking te zullen gelukken, want
toen zij hem het bestelde bracht, zat de gast voorovergebogen naar
het vuur, de handen ernaar uitgestrekt om die te warmen, de houding
dus van iemand, die niet van plan is dadelijk te vertrekken.
"Guur weertje, sinjeur!"
"De tijd van het jaar, moedertje!"
"Kwam er maar een beetje vorst...."
"Zal wel komen; misschien meer dan je lief is."
"Ja, en misschien meer dan jou lief is, sinjeur," lachte ze.
O, ze was nu heelemaal een ander mensch. Als ze maar een klant had
in haar taveerne. De vreemdeling haalde de schouders op.
"'t Kan zijn.... Maar einde Januari is het voor mij: 'adé, lief
vaderland'."
"Waar gaat de reis heen, sinjeur?"
"De Indiën."
"Lange reis?"
"Een jaartje of vier denk ik."
"Jonge," dacht vrouw Stoffelsen, "z'n laatste duiten dansen in z'n
zak; dien baas moet ik in de gaten houden, hoor, en aan den praat
erbij!"
"Mijn man zal wel niet lang wegblijven, hoop ik."
"Dat hoop ik ook, vrouwtje!"
"Ja, 't is singulier: hij is zoo goed als nooit uit, en nu er een
goeie klant voor hem komt...." De zeeman hief zich uit zijn
voorovergebogen houding op.
"Een klant?.... Hij is toch geen wantsnijder?" Want zoo werden de
kleermakers geheeten, die aan de zeelui gemaakte kleederen
verkochten.
"Neen, maar ik denk...."
"Dat een zeeman zoo nauw niet kijkt, meen-je. Is 't niet?"
"Dat kon-je wel eens geraden hebben," lachte vrouw Stoffelsen.
Even dacht hij na. Toen hij opkeek, zag hij haar blikken strak op
zich gevestigd. Toen schoten ze beiden in den lach.
"Je bent niet van gisteren, moeder!"
"En jij ook niet, sinjeur!"
Hij maakte een geruststellend gebaar.
"Als 't lukt, loop ik nog wel eens bij je man aan, hoor."
"Als wat lukt?"
Nu keek hij haar op een manier aan, die zelfs op haar indruk maakte.
"Je bent zeker de baas van de schuit?" onderstelde zij.
"Juist."
"Geen gemakkelijke, geloof ik."
Hij glimlachte.
"Waarom denk-je dat?"
"Omdat.... ja, omdat je me daar aankeek, alsof je me koejeneeren
wou."
"Dat laat ik aan je man over," plaagde hij.
In de oogen van vrouw Stoffelsen vlamde iets op, dat niet
onopgemerkt aan den zeeman voorbij ging.
"Ik geloof, dat ik tóch terecht ben," verklaarde hij opeens.
"Hoe bedoel-je dat?"
"Ik denk, dat ik best de boodschap aan jou op kan dragen."
"Dat zou ik ook denken," merkte zij snibbig op.
Hij liet die opmerking aan zich voorbij gaan.
"Ik wou het eens met je man hebben over z'n leerjongen."
Daar rezen de handen van vrouw Stoffelsen omhoog.
"Van.... van...."
Zooveel woorden tegelijk kwamen er van binnen bij haar aanzetten,
dat ze die eigenlijk alle ineens eruit had willen smijten. Omdat
zulks onmogelijk was, vermocht ze op dit oogenblik niet anders dan
er die twee klanken uit te krijschen.
Niet zonder eenige grappige verbazing zag de zeeman haar aan.
"Eens op je rug kloppen, moeder?" vroeg hij heel gemoedelijk.
[Illustratie: Daar rezen de handen van vrouw Stoffelsen omhoog.]
"Op m'n rug?"
Ze hapte naar adem.
Maar nu kwamen haar handen met de rugzijde op haar heupen, en toen
ze eenmaal daar goed en wel beland waren, vond vrouw Stoffelsen
zichzelve terug.
Nu, kapitein Geen Huyghen Schapenham -- want men zal in den bezoeker
dezer taveerne wel reeds lang den gezagvoerder van "de Gouden Leeuw"
herkend hebben -- behoefde in den eersten tijd om geen nadere
inlichtingen aangaande den beschermeling van dominee Leo te vragen.
Hij kreeg ze zoo ongezouten mogelijk, zelfs meer dan hem lief was.
En gerust kan getuigd worden, dat ze van een geheel anderen aard
waren, dan die, welke hij van den Nieuwenhoornschen predikant
ontvangen had.
Een paar maal poogde hij den wild bruisenden stroom door een vraag
of een opmerking in een gelijkmatiger bedding te leiden, maar op 't
laatst gaf hij daartoe den moed op, en zich wederom met de handen
naar het vuur wendende, liet hij den woordenvloed kalmweg over zijn
breeden rug gaan.
"Geduld overwint alles," dacht hij, "maar nu ga ik er toch spijt van
krijgen, dat ik me met het lot van dien jongen bemoeid heb."
Toch -- hij had het ds. Leo beloofd, en belofte maakt schuld.
Maar dat geschetter van vrouw Stoffelsen!....
Zij meende nu voor eens en voor goed het doopceel van den leerjongen
gelicht te hebben! Ze had eens moeten weten, hoe elk van haar
grievende scheldwoorden en beleedigingen, den zeekapitein ervan
overtuigde, dat een boy, wiens hart in de baren der zee lag, nooit
het bedorven kindje van vrouw Stoffelsen kon wezen.
Wijselijk hield hij die opmerking voor zich, maar hij kon niet
nalaten even te glimlachen.
Vrouw Stoffelsen zag dat, en evenals zij dat bij haar man gewoon
was, kwam het er meer of minder dreigend uit:
"Hoe _kun-je_ daar nu nog om lachen, sinjeur!" Wijl zij door deze
opmerking voor een wijle zelf haar woordenstroom onderbrak, kreeg
eindelijk kapitein Schapenham gelegenheid er een woordje tusschen te
plaatsen.
"Is die jongen thuis, moeder?"
Ze keek hem zoo oprecht verbaasd aan, dat hij in zichzelven
mompelde: "Ik verwed er m'n nieuwe bramzeilen onder, dat ze me al
verteld heeft, waar die snuiter zit. Hoe jammer, dat ik maar niet
wat beter naar dat gerei geluisterd heb!"
Intusschen had vrouw Stoffelsen de macht over haar spraak weer
teruggekregen.
"Wel, heb ik van m'n leven, sinjeur.... Zóó vertel ik je, dat die
luie slungel maar kalmpjes-weg thuisgebleven is en...."
Doch nu viel de kapitein haar in de rede met een stem, die, als het
wezen moest, zich boven het gerumoer van den zwaarsten storm wist
verstaanbaar te maken:
"Wàt zeg-je?.... Weggebleven?"
Toch een weinigje overstuur van dat krachtige geluid, knikte zij
alleen van ja.
"Sedert wanneer?"
"Sedert vanmorgen."
"Hoe komt dat?"
Ze haalde de schouders op.
"Weet ik het?.... Weggeloopen, denk ik."
Kapitein Schapenham stond op.
"Weggeloopen?.... Waarheen?"
"Wel natuurlijk naar Hellevoet!"
"Naar Hellevoet?"
"Welja! Daar ligt immers een Oostinjevaarder, waar ze zooveel volk
voor moeten hebben!"
En ineens de oogen wijd openende, alsof haar een gedachte inviel:
"Jou schip?!"
Maar kapitein Schapenham had al zijn hoed gegrepen, zich dien op het
hoofd geplakt en snelde de deur uit.
"M'n gelag!" schreeuwde vrouw Stoffelsen, die heelemaal in beweging
kwam, zonder hem dadelijk na te kunnen zetten.
Dat kwam, omdat zij een paar leelijke likdoorns onder haar voeten
had, voor haar heel pijnlijk en voor de rest van de menschheid heel
vervelend, omdat zij aan ieder, die er maar naar luisterden
wilde -- of luisteren moest! -- er een klaaglied over aanhief.
Wanneer zij niet liep, schopte zij altijd haar muilen uit, met het
gevolg, dat op het oogenblik, waarop zij er een vaartje achter moest
zetten, die sloffen links lagen, als zij ze rechts zocht.
Ongelukkig waren zij door haar driftig geredeneer van daarstraks,
waarbij ze armen en beenen bewogen had om toch meer nadruk aan haar
betoog te geven, zoo raar in haar nabuurschap weggescharreld, dat
zij op haar zeere voeten over den met scherp zand bestrooiden
tegelen vloer onder een gejammer van "Houdt den dief!" heen en weer
schoof, zonder eigenlijk op te schieten.
Juist had zij onder gekreun, geklaag en geroep hare voeten in de
muilen gekregen en in haar lichaam een vaartje gebracht, toen de
deur door een krachtige mannenhand opengeworpen werd, ten minste het
bovengedeelte daarvan, zoodat moeder Stoffelsen een tik beetkreeg,
dien zij voelde.
Kapitein Schapenham was het, die zich nu hoofdschuddend en
glimlachend over de onderdeur heenboog, waar, als ze soms niets te
doen hadden, de vrouwkens uit dien tijd zoo gezellig overheen konden
leunen voor een buurpraatje, bij welke gelegenheid zoowat heel de
buurt over de tong ging.
"Goeie vrouw, ik zou daar haast vergeten zoowaar mijn gelag te
betalen."
De "goeie vrouw," die juist van plan was door haar alarmkreet
desnoods heel de stad in rep en roer te brengen, wou eerst nog veel
vijven en zessen eruit gooien, omdat ze zulk een bons tegen haar
hoofd gekregen had, welk lichaamsdeel zij volijverig stond te
wrijven, toen zij iets tusschen duim en wijsvinger van zijn
rechterhand zag blinken. Dadelijk sloot zich haar mond en verzoette
zich in een suikerzoet lachje.
"Wel, sinjeur, moet-je daarvoor nog terugkomen? Dàt was toch wel
vanzelf...."
Hij liet ze niet uitpraten.
"Daar, moeder."
Ze voelde zich het geldstuk in de hand stoppen.
"Zooveel kleingeld heb ik op het oogenblik niet terug, sinjeur."
Al in de haast, waarin hij scheen te verkeeren, maakte hij een
gebaar van "laat dat maar blijven, hoor!" en verdween opnieuw uit
haar gezichtskring.
[Illustratie: Sloot zich haar mond en verzoette zich in een
suikerzoet lachje]
Met lichtende oogen van geluk bekeek vrouw Stoffelsen het geldstuk,
dat in het midden van haar rechterhand lag.
Zij schudde het hoofd.
"Die varenslui toch...."
Nog een wijle van stil genot.
Toen kwamen in éénen al de rimpels en rimpeltjes op haar gelaat
terug:
"Als m'n vent toch zóó z'n penningen verslingerde...."
Ze voleindigde haar zin niet, maar slofte naar de echtelijke
slaapplaats, waar ze, nu alweer met een gelaat vol stille, inwendige
tevredenheid, van de bedsteê-plank een oude kous langde, en daarin
het geldstuk bij de andere soortgenooten veilig wegborg.
VI.
OP DEN WAGEN.
Het verloop der geschiedenis beviel in het geheel niet aan kapitein
Schapenham.
Voor ds. Leo wilde hij veel doen, maar om nu door zoo'n kwâjongen de
kans te loopen met de justitie of de politie in aanraking te komen,
dáár had hij niet veel lust in.
Als zoo'n deugniet verdwenen was en zijn moeder lawaai begon te
maken -- en daar leek zij hem net een vrouw voor! -- zouden de
gerechtsdienaars door al wat er gesproken en gebeurd was, het eerst
erg in zijn schuit krijgen.
Stel je nu voor, dat de jongen zich bijvoorbeeld in het ruim
verborgen had! En al was het niet daar, dan op een andere plaats,
waar natuurlijk de gerechtsdienaars hem wel opduikelen zouden, en
zoo niet, voor het minst heel den boel door elkaar zouden halen of
overal hun neus in steken.
Wel, kapitein Schapenham, die dit alles in zichzelf liep te
bedenken, had er wel een lief ding voor over gehad, indien hij voor
een wijle buitengaats was geweest en dan met dien snijdersleerling
onder zijn bereik. Buitengaats toch was een schipper onbeperkt heer
en meester, zelfs over leven en dood van zijn onderhoorigen. En
zeker zou hij, voor al het gezanik, den branie eens even voor den
mast hebben laten binden, om hem er een dozijn of anderhalf te doen
toetellen door den man met het stokje, gelijk de matrozen gewoon
waren den provoost te noemen, al was bij zulk een strafoefening een
eindje touw met een paar flinke knoopen erin meestal diens wapen.
Hij moest nu zoo gauw mogelijk naar Hellevoetsluis zien te komen, om
desnoods de politie voor te zijn.
Om daarheen te wandelen, had hij twee uren noodig, maar, gelijk wij
weten, had hij daaraan een broertje dood!
't Snelst had hij dien afstand kunnen afleggen door een paard te
nemen, maar al had hij -- omdat van jongs af aan zijn heele lichaam
gegroeid was naar het klimmen in het want en het zich voortbewegen
op het scheepsdek -- kromme beenen genoeg om op een paard te
zitten,.... een ruiter was hij niet.
Het zou dus per as moeten gaan, maar men kon in dien tijd niet eens
eventjes bij een huurkoetsier aanloopen, om een rijtuig te
bestellen!
Men had het Voermansgilde, waarmede men geducht rekening had te
houden.
De zeeman moest zich eerst naar den Commissaris van dit gilde
begeven, die ging dan aan een bel trekken, van verschillende kanten
daagden de voerlieden op -- wie na het luiden van de bel verscheen
had zijn recht verloren -- en nu moesten de aanwezigen erom
dobbelen, of gelijk men dat noemde: erom smakken, wie het vrachtje
had.
Eindelijk dan zat onze zeekapitein op den wagen, die in een
sukkeldrafje over den weg hotste. Gelukkig hadden de toenmalige
menschen sterke hersenen, en toen men nu eenmaal van het gedaver
over de stads-keien af was, kon op den zachteren landweg een
gemoedelijk praatje aangeknoopt worden, hetgeen de zeeman ook niet
naliet.
Ze waren nog maar kort op pad, toen hij iemand stadswaarts zag
komen, die door de eigenaardige wijze van zich voortbewegen zijn
aandacht trok.
"'t Is, of die vent met z'n beenen aan 't knippen is!" gromde hij
met zijn zware stem tegen den voerman.
Die grijnsde.
"Dat komt, omdat z'n geweten op die beenen aan 't werk is."
"Hè??!"
De voerman genoot van zijn verbazing.
"Och," legde hij uit, "bij dien meestersnijder is, denk ik, zóóveel
door het oog van de naald gegaan, dat hij voor zijn straf knipbeenen
gekregen heeft."
"Wàt zeg-je?.... Een snijder?.... Soms meester Jochum Stoffelsen?"
"Krek d'n eigenste."
De zeeman sloeg van opgetogenheid den voerman een blauwe plek op den
schouder.
"Je kunt stil houden, als die knip-sinjeur vlak bij is."
De voerman wreef zich den schouder.
"Je hebt gezegende handjes, schipper!"
Kapitein Schapenham knikte.
"Dat gaat wel, vrind! En ik zal dat aan dien lappenbederver doen
ondervinden, als hij niet mee wil."
"Mee wil? Wat is je plan?"
"Hij moet mee naar Hellevoet."
De voerman zette een bedenkelijk gezicht.
"Volgens ons privilegie mag ik niemand onderweg opladen, of anders
moet ik boete betalen."
"Malligheid! Jij laadt niet op, maar ik. En ik ben je passagier!....
Dacht-je, dat ik, die al zoo dikwijls in zoo'n verwenschte kar heen
en weer naar Hellevoet ben gesukkeld, artikel zus en zoo van je
reglement niet kende?.... Maar, ho!.... daar is hij al vlak bij...."
De voerman voldeed aan het bevel, en bruusk wendde zich de kapitein
tot den voetganger, die bij dit plotseling stilstaan van het rijtuig
haastig op zij geweken was.
"Jij bent de meester-snijder Jochum Stoffelsen?"
De aangesprokene deed een knip met zijn beenen en bevond zich toen
weer op het pad.
"Die ben ik, sinjeur."
"Ik zou graag een woordje met je wisselen."
"Tot je dienst, sinjeur."
"Toe, stap dan op den wagen.... want ik kan geen minuut verloren
laten gaan."
Onwillekeurig keek meester Jochum naar den toren van den Briel, die
in het Noordwesten boven het landschap uitstak, en toen stootte de
voerman met zijn elleboog den kapitein aan.
"Hijsch-je maar naar boven," glimlachte deze, "ik kom zoo regelrecht
van je vrouw vandaan."
De ronde oogen van meester Jochum keken hem vragend aan.
"Kom, vrind, een toertje zal je geen kwaad doen, en, intusschen
zullen we elkaar heel wat te vertellen hebben."
"Nou.... tot de steê in Lagerwoude dan," gaf meester Jochum toe, en
mèt knipte hij op den wagen.
[Illustratie: De ronde oogen van meester Jochum keken hem vragend
aan.]
"Dat 's niet ver," bracht de kapitein daartegen in.
"Och," gaf de nieuwe passagier glimlachend te kennen, "ik heb twee
omstandigheden in mijn voordeel."
"Die zijn?"
"Ten eerste.... dat het paard een knol is."
"Hé, zeg. Jij, leelijke lappenbederver...."
"En," ging mr. Jochum voort, alsof hij den voerman niet hoorde, "en
in de tweede plaats, dat een zeeman gewoonlijk niet lang van draad
is."
"Van draad heb-jij verstand," riep de kapitein uit, "maar hoe te
duiker zie-je, dat ik een varensman ben?"
Meester Jochum maakte een beweging met het hoofd, als wilde hij
zeggen:
"Nou.... die is ook goed!"
"Dat ziet een half blind mensch aan je heele doen en laten, en een
meester-snijder aan je kleeren."
Kapitein Schapenham bezorgde ook hem een blauwe plek op den
schouder.
"Jij bevalt me beter als je vrouw, meester!"
Het gezicht van den aangesprokene betrok.
"Laat die nu alsjeblieft buiten het spel, en zeg me nu maar gauw,
wat je van me hebben wil.... Want de knol loopt zoo waar gauwer dan
ik gedacht had. Zeker pas gesmeerd, voerman?"
De voerman dreigde hem met de zweep, en liet alweer een aardigheid
los, welke op het gilde van mr. Jochum betrekking had. Maar diens
aandacht was ineens heelemaal van de andere zijde in beslag genomen,
doordat de kapitein hem vroeg:
"Je hebt een leerjongen, die Witte heet; is 't niet?"
De kleermaker zuchtte.
"Begint de bui nu ook nog van dien kant op te komen?"
Doch alsof hem iets als een uitredding inviel, wendde hij zich met
heel zijn gelaat tot den zeekapitein:
"Je bent bij m'n vrouw geweest, zeg-je?"
"Heb-je ook haar naar dien satanschen kwâjongen gevraagd?"
"Ja.... En wat zou dat?"
De kleermaker slaakte een zucht van verlichting.
"Wat dat zou?.... Wel, dat ik je dan niets meer over dien galgestrop
te vertellen heb!"
"Neen maar, die is goed!" riep de kapitein luid lachend uit.
Mr. Jochum knikte tevreden.
"Je zult het met me eens zijn, schipper, dat ik er geen woordje meer
bij hoef te voegen."
"Dat is te zeggen.... ik wou juist, dat je er een woordje -- en voor
mijn part nog een paar dozijn woordjes -- bij voegde."
"Wat is dat?.... Je weet nu alles, en misschien meer dan ik je had
kunnen vertellen."
"Toch niet!"
"Wel, goeie help.... dat begrijp ik niet!"
"En toch is het heel begrijpelijk."
"Nu, maar dan moet-je me dàt mirakel eens uitleggen!"
"Dat 's heel gauw gebeurd.... Je vrouw heeft een zee van woorden
over m'n hoofd doen rumoeren."
"Dat zal wel waar zijn!"
"En.... kijk.... toen ging het wat van zoem-zoem in m'n hoofd."
"Dus?"
"Ik heb niet geluisterd, goeie vrind!"
De kleermaker schudde van het lachen.
"Waarom lach-je zoo, jij, oolijke ridder van de naald?"
"Omdat ik ook nooit luister, als het zoo van zoem-zoem gaat."
Boem! Daar kreeg hij er een tweede blauwe plek op zijn schouder bij.
"Je bevalt me, meester Jochum."
"En jij mij ook, schipper."
"Rijd dan mee naar Hellevoet."
"Ho, ho, schipper," viel hem hier de voerman in de rede, "denk
alsjeblieft aan artikel zus en zoo van het privilegie op het
Voermansgilde!"
"Loop.... jij met je privilegie," bromde de kapitein. "Ik houd het
bij de ordonnantie door baljuw, burgemeesteren en regierders der
Stede van den Briele voor jullie in elkaar geflanst, en daarin lees
ik...."
"Lees ik?" vroeg de voerman, zich half omwendende en verbaasd naar
zijn passagier kijkende, die, met een hoog-rood gelaat van
inspanning een klein boekje uit een zijner vele zakken had
opgeschommeld.
"Daarin lees ik," ging de kapitein voort, na even in het boekje
gebladerd te hebben, "dat je onderweg niemand op mag nemen, dan met
expres believen ende consent van de Luiden, die den wagen gehuurd
hebben.... Hier lees zelf maar!"
"'k Wil het best gelooven, sinjeur.... Want zoo geletterd ben ik
niet."
"Dus geen bezwaar, dat ik mr. Jochum meeneem?"
De voerman schudde ontkennend het hoofd.
"Dat dacht ik ook wel!" gaf de zeeman te kennen, die graag gelijk
had, en evenmin graag opgaf, wat hij zich voorgenomen had.
Intusschen had mr. Jochum dit kleine twistgesprek aangehoord met een
gelaat, dat nu juist niet van groote opgewektheid getuigde. De
zeeman zag het.
"Ik heb toch naar je hart gesproken, vader?"
"Neen, hoor!"
"Ga-je dan niet mee naar Hellevoetsluis."
"Voor geen geld van de wereld!"
"Waarom niet?"
"Wel... ik kan toch zoo lang niet van mijn werkplaats blijven."
"En als ik je de schade vergoed!"
"Dan blijft nog zijn vrouw over!" wierp de voerman er spottend
tusschen.
Kapitein Schapenham zag hem even in de oogen.
"Ik geloof, dat de voerman de streken van 't kompas kent,"
glimlachte hij.
Mr. Jochum werd een beetje kregel.
"Geen kwaad van mijn vrouw!" zeide hij.
"Niet graag!" gaf de kapitein van ganscher harte toe. "Ik wil alleen
maar zeggen, dat het voor alle partijen beter is, als jij op tijd
thuis ben. Alleen dan nog maar deze vraag, want ik zie zoowaar
ginder de steê van Lagerwoude al achter dien haag oprijzen...."
"En die vraag?"
"Betreft je leerjongen. Weet-je, waar die op 't oogenblik uithangt?"
Het goedige gelaat van mr. Jochum werd heel gestreng.
"Ik wou.... ik wou...."
"Hoho, mr. Jochum, bederf alsjeblieft je goed humeur niet.... Wat je
wou.... kan me nu niet schelen. Ik verlang kort en bondig het
antwoord op deze vraag: Waar is Witte?"
"'k Weet het niet!"
"Hebben ze op de steê geen vermoeden, waar hij zitten kan?"
"Ja -- ze meenen 't zelfde als ik."
"En dat is?"
"Dat hij naar Hellevoet is, waar zoo'n verloopen kerel een schip
uitrust naar Oostinje."
"Dank je!.... Die verloopen kerel ben ik."
"Pak ze maar aan!" riep de voerman.
Mr. Jochum keek vreemd op.
Daar zag hij een lachje in de oogen van den zeeman, die kwasi een
heel boos gezicht zette.
Toen stak hij eerlijk zijn hand uit.
"Dank je," zei de zeeman eenvoudig.
Maar mr. Jochum riep van aai en van aau.
Want zoo'n zeemanspootje was niet geschapen voor het blanke
kunstenaarshandje van een meestersnijder.
De zeeman had hier heel wat pret over en de voerman ook, en daarvan
maakte mr. Jochum gebruik, om even handig van den wagen te knippen,
als hij dat thuis van de kleermakerstafel deed.
"Hé daar!" riep kapitein Schapenham uit.
Ook de voerman liet een uitroep van ontsteltenis hooren, want op een
haartje na was een der wielen van den wagen over den voet van den
meestersnijder gegaan.
Die schudde lachend het hoofd.
"Doe me dat eens na!"
"Niet graag!" bekende de kapitein.
Intusschen had de voerman het paard tot stilstaan gebracht, en nu
boog zich kapitein Schapenham uit den wagen, om mr. Jochum de hand
tot afscheid toe te reiken.
[Illustratie: En beiden waren zoo druk in gesprek.]
"Je gaat dus niet verder mee?"
"Neen, hoor. Daar is de stêe, en ik heb eenmaal gezegd, dat.... Maar
wat is er?"
Hij vroeg dit op verwonderden toon, want eensklaps had de kapitein
hem door een gebaar het zwijgen opgelegd.
Tot eenig antwoord wees de kapitein op den Peltsersdijk, welke zich
achter de huizinge van moeder de With uitstrekte.
Bij de laatste woorden van den kleermaker had de zeeman
onwillekeurig den blik daarheen gewend, en wat hij toen op den
Peltsersdijk aanschouwde, had zoodanig zijn aandacht in beslag
genomen, dat hij mr. Jochum het zwijgen meende te moeten opleggen.
Want daar zag hij zoowaar den vermisten leerjongen aan komen
wandelen en dat wel op zijn dooie gemak.