"Heb ik ooit van m'n levensdagen zoo'n man gezien! Daar vraa

[Illustratie: kaft]

JOH.H. BEEN

DE SCHEEPSJONGEN

VAN "DE GOUDEN LEEUW"

DE SCHEEPSJONGEN VAN "DE GOUDEN LEEUW"

JONG HOLLAND

I

[Illustratie: logo Meulenhoff]

H. MEULENHOFF -- AMSTERDAM -- 1920

DE SCHEEPSJONGEN VAN

"DE GOUDEN LEEUW"

JOH. H. BEEN

GEÏLLUSTREERD DOOR JAN WIEGMAN

[Illustratie: logo Meulenhoff]

H. MEULENHOFF -- AMSTERDAM -- 1920

[Illustratie: Akelig klonk hem het ketengerammel in de ooren.]

Inhoudsopgave

I. DE BAZINNE VAN "LAGERWOUDE".

II. IN DE GEHEIME BIJEENKOMST.

III. OP DE KLEERMAKERSTAFEL.

IV. EEN OASE IN DE WOESTIJN.

V. WAAROM VROUW STOFFELSEN ALLEEN THUIS BLEEF.

VI. OP DEN WAGEN.

VII. HET PLANNETJE VAN HANS.

VIII. HET DEURTJE VAN EEN VOGELKOOI GAAT OPEN.

IX. MET IJSGANG UIT HET GOEREESCHE ZEEGAT.

X. ONDER DE LINIE.

XI. ER MOET IETS OP DE "WESTVRIESLAND" GEBEURD ZIJN.

XII. HET LAATSTE GEDEELTE VAN DE REIS.

XIII. 'T WAS IN DE MEI....

XIV. TOT ZIENS!

I.

DE BAZINNE VAN "LAGERWOUDE".

Op een grauwen namiddag in de maand December van 't jaar onzes

Heeren 1615, zat in de groote keuken van een hofstede, die, een half

uurtje buiten den Briel, dicht bij het wagenveer naar Hellevoetsluis

gelegen was, een vrouw druk aan het verstelwerk.

Hoewel het niet later dan half drie geweest zal zijn, heerschte er

toch al een soort van schemering in het vertrek, dat tegelijk tot

woonkamer diende, en door de kleine, in het lood gezette ruitjes van

de twee ramen het daglicht moest ontvangen.

"Moeder," zei een deerne, die aan den gootsteen, met het wasschen

van vaatwerk bezig was, maar even ophield om naar de vrouw te

kijken, die zich àl dieper over haar naaiwerk heen boog, "moeder je

bederft nog je oogen."

"Zei-je iets Katrijn?" riep een ongeveer vijftienjarige knaap, die

in de aangrenzende schuur bij de koeien bezig was.

En zijn hoofd door de openstaande deur stekende, waardoor de

reuk van den stal in de keuken drong, zag hij vragend zijn zuster

aan. Moeder hief het hoofd op.

[Illustratie: Ga jij maar aan je werk, Andries.]

"Ga jij maar aan je werk, Andries. Je zuster heeft het niet tegen

jou."

Dat kwam er niet vriendelijk bij haar uit. En toch was Andries van

haar drie zoons de meest geliefde, omdat hij naar haar vader heette.

Trouwens, die boerenvrouw hàd iets norsch, iets stugs over

zich, en, door een loodrechten rimpel tusschen de wenkbrauwen, zelfs

iets strengs. Zij was niet jong meer, maar toch droeg zij haar

zeven-en-vijftig jaren met eere. Wat vooral uitkwam, als men haar

vergeleek bij haar dochter en bij haar zoon, die in gestalte en

gelaat iets zwaks en ziekelijks over zich hadden. En zoo boersch als

zij gekleed was, met het eenvoudige gladde mutsje, dat haar nog niet

grijzende haren alleen bij de slapen zichtbaar liet, zag zij er uit

als een heerscheres; en dat was zij ook, de bazinne van deze

hofstede. "Och, Andries," zoo lichtte de deerne, die wij Katrijn

noemden, maar als Catharina gedoopt was, haar broeder in, "moeder

zit haar oogen te bederven, en nu wou ik, dat ze zich een beetje

rust gunde."

"Rust?" sprak de oude vrouw bitter, "rust zal: ik hebben, als ik bij

je vader in de Groote Kerk van den Briel begraven lig!"

Katrijn wenkte met de oogen en het hoofd, dat Andries maar aan zijn

werk blijven en moeder stil moest laten zitten.

Of hij die teekenen niet opmerkte, dan wel dat niet wilde, durven

wij niet beslissen. Zeker is het, dat hij uit den stal in de keuken

kwam, en zich naar zijn moeder begaf.

Snel had die opgekeken, toen zij hem de holsblokken van de voeten

hoorde gooien, om op de kousenvoeten binnen te komen.

Afwerend strekte zij de hand uit; maar reeds was Andries bij haar en

sloeg de armen om haar heen.

"Toe, moeder; u moet niet zulke akelige dingen zeggen!"

Met bovenlijf en armen maakte zij zich los uit de omhelzing. Wel

niet ruw of afstootend, maar toch met een zekere beslistheid.

"Dwaasheid, Andries! Wij moeten elk uur van ons leven bereid zijn om

rekenschap af te leggen!"

"Dat weet ik wel, moeder, maar...."

"Ga aan je werk, Andries," kwam Katrijn tusschen beiden, niet zonder

eenige spijtigheid in haar toon van spreken, "je weet, dat moeder

niet tegengesproken wil worden."

De rimpel tusschen de wenkbrauwen van moeder verdiepte zich en haar

felle oogen gingen den kant van haar dochter uit.

"Andries heeft je raad niet noodig, Katrijn. Bewaar dien.... voor je

oudsten broer!"

't Was, alsof Andries bij die woorden wederom behoefte gevoelde zijn

armen om moeders hals te slaan; maar omdat hij dit niet aandurfde,

vielen zij slap neer, en vouwde hij de handen.

"Is.... is er alweer iets met Witte?" vroeg hij angstig.

"Alweer?" gaf moeder schouderophalend ten antwoord, terwijl zij haar

verstelwerk, dat in haar schoot gegleden was, weer opvatte. "Vraag

liever, wanneer er niet wat met hem aan het handje is!"

En plotseling van onderwerp veranderende:

"Waar zit toch heel den middag broer!"

Broer was de jongste zoon, die Abraham heette, en ongeveer den

leeftijd van veertien jaar bereikt had.

"O, moeder," gaf Katrijn dadelijk ten antwoord, blijde, dat zij over

iets anders kon spreken, "broer is met den speelwagen naar den

Briel, voor de boodschap bij burgemeester Lenaert Jans 1), u

weet wel...."

"Dat kon de knecht toch alleen wel af!" merkte moeder op, die weer

met haar verstelwerk begonnen was. "'t Was beter, als broer met dien

hoest thuis gebleven was; de lucht is vandaag te guur voor hem."

"Kom, moeder," waagde zij luchtigjes tegen te spreken, "de jongen is

toch geen papkindje. Wat jij, Andries!"

Andries gaf haar gelijk. 't Was buiten niet zoo guur als moeder

dacht.

Moeder gaf geen antwoord. Een Doopsgezinde spreekt nooit onwaarheid,

maar behoeft daarom toch niet altijd al de gedachten, die er in een

menschenhoofd omgaan, te vertolken!

Zij wist, welke zwakke vaten het waren, die kinderen van haar.

Dat wil zeggen, haar kinderen op één na.

En die eene!....

Even was er iets als van bezorgdheid over haar streng gelaat gegaan.

Nu verdiepte zich wederom die steile rimpel.

En in den toenemenden schemer stond haar lievelingszoon voor haar,

het hart vol vragen en naar het gelaat starende, dat, door het

hagelwitte mutsje omlijst, heel eigenaardig hoe langer hoe meer uit

die schemering leek te komen. Angstig keek ook Katrijn dien kant

uit, vreezende, dat een ondoordacht woord moeders gedachten weer op

dien eenen zou terugbrengen, en ze wist niet, dat moeders hoofd en

hart er thans meer dan vol van waren.

En zoo kwam het, dat zij niet hadden opgemerkt, hoe een kloek

manspersoon, die op het voetpad van den Brielschen kant kwam

aangestapt, even, als onderzoekend, was stil blijven staan, en toen

vastbesloten op de boerenwoning af stevende.

Ja maar, dat gaat bij een boerensteê, waar de hofhond het erf

bewaakt, niet zoo gemakkelijk! Het beest ging verschrikkelijk aan,

rukte aan zijn ketting, dat het knarste en het duurde een heel

poosje, eer de vreemdeling, en niet anders dan door tusschenkomst

van Andries, die den hond in bedwang hield, de keuken binnenstapte.

"Hé daar! Ben ik hier bij de weduwe de With?"

Bij dat onverwachte lawaai van den hond hadden zij allen verschrikt

opgezien, maar moeder de With had zich het eerst hersteld, en wijl

de vreemdeling, die wat haastig gebakerd scheen, zijn vraag

herhaalde, gaf zij rustig ten antwoord:

"Ja, sinjeur, als je de weduwe de With moet hebben, ben-je terecht."

Hij trad nu binnen.

"'t Is vroeg donker, vrouw de With!"

"Ja, sinjeur.... En wat was er van je dienst?"

"Nou.... dat is in één woord niet te zeggen...."

Zij gaf geen antwoord, maar haar felle oogen keken hem strak aan.

"Bij alle blauwtjes uit de Indiën!" dacht de vreemdeling in

zichzelf, "precies de oogen van dien jongen."

En luide voegde hij erbij:

"Mag ik even gaan zitten, vrouw de With? Ik heb een heelen tippel

achter me. Je moet weten, ik kom heelemaal uit den Briel."

"Dat 's toch op zijn best een half uurtje!" lachte Katrijn.

"Zwijg, Katrijn, en ga aan je werk!"

Maar de vreemdeling had zich met een gezicht vol jool tot de

bestrafte gewend.

"Wel, moeder de With.... ja, is dat je dochter?"

Zij knikte.

"Nu, die schijnt niet te weten, dat een half uur loopen voor een

zeeman een heele torn is."

Het gelaat van de weduwe werd opeens minder hard en norsch.

"O, ben-je zeeman, sinjeur."

"Zeker.... en zeg daarom liever maar schipper."

"Wel, heel graag. En nu weet ik meteen, waarom je hier ben gekomen."

"Te deksel.... doe-je een beetje aan de zwarte kunst, vrouw de

With?"

"Ik had liever, dat-je niet zoo ijdel sprak, schipper!" kreeg hij

vermanend tot bescheid.

"Kom, kom, vrouw de With, voor een zeeman moet-je een beetje

toegeefelijk zijn!"

"Dat mag ik op die dingen niet zijn!"

Even gleed er een schaduw over zijn door weer en wind gebruind

gezicht.

"'t Zal een strijd op leven en dood zijn!" dacht hij.

Maar met een gebaar als wilde hij zeggen: "Kom, kom, 't is niet het

eerste vuur, waarvoor ik sta!" wierp hij zijn hoed op een bank,

maakte den haak van zijn mantel los, zoodat die langs zijn schouders

afgleed tot op den stoel, waarop hij zich hoorbaar had neergezet.

[Illustratie: Wel, moeder de With.... ja, is dat je dochter?]

"We zullen daar niet over twisten, vrouw de With," begon hij op

jovialen toon. "Toch mag-je het me niet kwalijk nemen, dat ik graag

zou willen weten, wat je denkt, waarvoor ik hier bij je gekomen

ben."

"Als je 't weten wil, schipper, moet ik eerst je vraag met een

wedervraag beantwoorden."

"Die vraag is....?"

"Ligt je schip zeilree?"

"Dat is te zeggen.... half Januari hoop ik er

vandoor te gaan."

"Een lange reis?"

"Een paar jaartjes."

"Naar.... naar de Indiën zeker?"

"Je slaat den spijker op den kop. Maar, moedertje, nu heb-je in

plaats van één mij drie vragen gedaan."

Ze glimlachte: doch heel even.

"Ik wou juist mijn vierde doen."

"Nu, ga dan in vredesnaam je gang maar! Wat had-je dan nog meer op

je geweten?"

"Schipper," sprak ze nu weer vermanend, "wat ben-je toch los in je

mond. Wat heeft eens menschen geweten nu met victualie te maken!"

"Hé?" riep hij verwonderd uit, "victualie?"

"Wel, je komt toch zeker om tonne-boter voor de reis? Eigenlijk is

dat het werk van je vrouw, maar jullie zeelui zijn zulk een

veranderlijk slag van lieden!"

Nu begreep de zeeman haar.

Er dreigde een misverstand, dat hij gauw uit de wereld moest helpen.

Om dit te begrijpen, diene hier de toelichting, dat als de

oorlogsschepen een reis zouden ondernemen, de vrouw van den kapitein

-- of zooals hij toen meestdeels genoemd werd: van den schipper --

de eetwaren insloeg, zooals gezouten vleesch en spek, stokvisch,

haring, erwten en boonen, brood en boter. Voor die boter-leverantie

zagen de boeren zoo'n kapiteinsvrouw gaarne een bezoek aan de

hofstede brengen, en niet minder voor de erwten, gort en boonen, en

de varkens, die gekuipt moesten worden.

Doch kapitein Geen Huyghen Schapenham, gezagvoerder van den

reusachtigen Oostinjevaarder, die op de reede van Hellevoetsluis

zeilree werd gemaakt, liet insgelijks al die dingstigheden aan zijn

vrouw over, die daarvan, zooals gewoonlijk, de boekhouding hield, en

er wel voor zorgde, dat er voor haar man nog een aardig winstje uit

geslagen werd.

Hoe dom, dat hij zijn vrouw ook niet naar deze boerenhoeve gezonden

had, hoewel zij daarvoor maar eventjes van Rotterdam had moeten

komen.

Hij glimlachte om dit denkbeeld.

En met dienzelfden glimlach op het gelaat sprak hij:

"Neen, vrouw de With, ik kom om een varken, zooals je nog nooit aan

iemand geleverd hebt."

Vragend zag zij hem aan.

"Ik wou...."

Plotseling voelde en begreep zij het.

"Andries!" zei ze kort en snijdend, "ga naar den stal.... En jij,

Katrijn...."

Ze zocht naar een voorwendsel, maar kon die niet zoo gauw vinden.

"Weg!" beval zij toen met een gebiedend handgebaar.

Broeder en zuster verwijderden zich dadelijk.

[Illustratie: Je komt om Witte?]

Nu waren de weduwe de With en kapitein Geen Huyghen Schapenham

alleen in de toenemende schemering van het vertrek, langzamerhand

gevuld met het roodachtige licht, dat van het turfvuurtje onder den

grooten schouw kwam. En in dat eigenaardige licht nu, zag de zeeman

aldoor die felle oogen, dien grooten, spitsen neus en heel dat

strakke, koude, gebiedende gelaat.

"Je komt om Witte?"

Het klonk kort en beslist, en de oogen lieten hem niet los.

"Ja, vrouw de With."

Hij wilde er nog iets bijvoegen, maar met een handbeweging lei ze

hem het zwijgen op.

"Nooit!"

Ze sprak dat ééne woord niet luide uit, maar tóch met een nadruk,

alsof zij het met een vuistslag er had in willen hameren.

------------

1) Den 1sten October 1615 waren (voor een jaar) tot burgemeesteren

gekozen Jakob Allert van Couwenhoven en Lenaert Jans.

II.

IN DE GEHEIME BIJEENKOMST.

Hoe het kwam, dat kapitein Geen Huyghen Schapenham geheel onverwacht

een bezoek bracht aan de hofstede, om zich met de huiselijke

aangelegenheden van vrouw de With te bemoeien, was eigenlijk een erg

ingewikkelde geschiedenis.

Den dag tevoren had hij in den Briel doorgebracht, waar men betere

gelegenheid vond om te overnachten dan in het pas opkomende

Hellevoetsluis. En er was nog iets anders geweest, dat hem naar den

Briel getrokken had. Hij had dien Zondag, die voor hem, gelijk voor

het meerendeel der menschen uit dien tijd, een volstrekte rustdag

was, de gaven willen hooren van dominee Willem Crijnsze, die de

ochtendbeurt had in de Groote Kerk.

Ik mag mijn lezers niet vermoeien met een verhaal over de

geloofstwisten uit die dagen tusschen de Remonstranten en

Contra-Remonstranten. In December van het jaar 1615 waren althans in

den Briel de eersten de meest bevoorrechten en hadden twee

predikanten naar hun zin. Het meerendeel der gemeente echter hield

het bij den derden, n.l. ds. Willem Crijnsze, een man van

wonderlijken levensloop en groote welsprekendheid. Dien Zondagavond

nu waren de Contra-Remonstranten bij elkaar gekomen om zich te

oefenen en een preek te hooren. Dat was door de overheid verboden,

en op de bijwoning van die conventikels, gelijk dergelijke

bijeenkomsten geheeten werden, stond straf. Dat waagde men erop, en

zoo waren er velen samengekomen om ds. Leo te hooren, die predikant

te Nieuwenhoorn was.

Al had hij 't met z'n leven moeten betalen, kapitein Schapenham

moest en zou dit conventikel bijwonen. Een goede oefening was hem

ook daarom zooveel waard, omdat een gezagvoerder op de wijde wateren

meer dan eens zelf daarin de leider en voorganger moest zijn, of zoo

hij dit aan den ziekentrooster overliet, althans er zeker van wilde

wezen, of die wel "goed in de leer was".

Dat laatste leek hem zelfs zoo gewichtig, dat hij na afloop van het

conventikel nog graag den als zeer ijverig bekend staanden predikant

van Nieuwenhoorn over een gebedenboek voor den zeeman wilde

raadplegen.

Zoodanig nu vervulde dit alles zijn gedachten, dat hij onder de

oefening zoowaar aan het afdwalen ging.

Zijn blik gleed van den voorganger af, en, eigenlijk zonder veel op

te merken, langs de gemeente, die het slecht verlichte vertrek tot

berstens toe vulde.

Uit het half-duister kwam het blanke van de gezichten nog sterker

naar voren, doordat mannen zoowel als vrouwen voor den Zondag in

stemmig zwart gekleed waren.

De kapitein kende die eigenschap van onze blanke gelaatskleur, zoo

gevaarlijk in een nachtelijken scheepsstrijd, omdat men in de verte

den bleekgezicht in het duister onderscheiden kon. Waarom vóór een

expeditie in het donker van den nacht de matrozen meestal het bevel

kregen, zich het gelaat zwart te maken.

Toen onze zeerob zich op deze en dergelijke gedachten betrapte, kwam

een gevoel van ergernis bij hem op. Hoe zaten, als een beschamend

voorbeeld voor hem, al die menschen aandachtig te luisteren! Daar

had-je nu dien jongen vooraan, wel, die scheen geheel en al in het

woord van den voorganger op te gaan!

Het was geen vriendelijke verschijning, die knaap, die naar

schatting zestien of zeventien jaar kon tellen. Er sprak norschheid

uit dat gelaat. De neus was groot en scherp, de kin vierkant en de

kaken stevig. De mondhoeken gingen naar omlaag. Maar vooral waren

het die felle, als het ware stekende en priemende oogen, welke aan

dit jeugdige gelaat iets bijzonders verleenden.

Met die oogen verslond hij als het ware de woorden van ds. Leo, die

nu sprak van niet bevreesd zijn of moedeloos, al behoorde men tot de

verdrukten der wereld, van sterk zijn, opdat het woord vervuld werd,

dat men dan gesterkt zou worden.

"Wel, wel," dacht de kapitein onwillekeurig, "wat zit me dat baasje

te luisteren!"

En nu geschiedde het, wat meer plaats heeft, waneer men strak naar

iemand zit te kijken: de oogen gingen plotseling den kant uit van

den persoon, die hem zoo aankeek.

Daar lag iets als van uittarting en vijandschap in dien fellen blik,

en op het nog ondoorploegde voorhoofd vertoonde zich plotseling een

steile, loodrechte rimpel vlak boven den neuswortel.

Dat alles was op zijn best het werk van een seconde geweest, want

dadelijk wendde de kapitein den blik naar den voorganger; maar in

zichzelf kon hij toch niet nalaten te mompelen:

"Daar groeit een maat uit, waarmee zijn vijanden rekening zullen

hebben te houden!"

Eenige oogenblikken later was onze zeerob, die alweer spoedig gansch

en al door den voorganger geboeid werd, heel dit kleine voorval

vergeten.

De oefening liep gelukkig zonder stoornis of inmenging van politie

of justitie af. Uit voorzichtigheid en om op straat geen opzien te

verwekken, verlieten de bezoekers een voor een of slechts bij enkele

paren tegelijk langs verschillende uitgangen het gebouw. Kapitein

Schapenham maakte volstrekt geen haast om te vertrekken. Hij zocht

zich juist deze gelegenheid ten nutte te maken, om den predikant te

kunnen spreken over de onderwerpen, welke hem zoo na aan het hart

gingen.

"'t Zal moeilijk zijn om hem te praaien," gromde de kapitein, toen

hij op zijn best ds. Leo in het oog kon krijgen, omdat die bijna

voortdurend omringd was van lieden, die een druk onderhoud met hem

schenen te hebben. Maar gedachtig aan de spreuk, dat geduld alles

overwint, bleef hij maar wat treuzelen, om op het juiste oogenblik

hem aan den haak te pikken, gelijk de brave zeerob zich uitdrukte.

Dat oogenblik scheen eindelijk gekomen.

Ds. Leo wond zich uit een plokje menschen los en richtte zijn

schreden naar het achtergedeelte van het vertrek. De kapitein hem

achterna en zou juist "beet gekregen hebben", toen hij uit het

duister van den achtergrond zoowaar denzelfden jongen zag opduiken,

die daarstraks zijn aandacht getrokken had, omdat hij zoo aandachtig

luisterde. Ds. Leo scheen wel expres op weg om hem te ontmoeten.

Want de hand op den schouder van den knaap leggend, sprak hij

vriendelijk:

"Wat deed mij dat goed, Witte, je hier te zien!"

De jongen hakkelde verlegen eenige woorden, maar er was een kleur

van genoegen op zijn gezicht gekomen en zijn felle oogen zagen als

in dankbaarheid tot den predikant op.

"Hoor eens," dacht de kapitein, "nu de dominee daar zoo apart staat,

is het voor mij net een goede gelegenheid hem bij den tabbaard te

krijgen. Dien nijdigen jongen boegseer ik wel weg."

En met zeemansrondheid stevende hij recht op den predikant aan.

"Ik ben kapitein van een Oostinjevaarder, dominee, en had u, voor ik

uitvaar, graag eens wat te vragen."

Daar ging een schok door den knaap heen.

"Kapitein van een Oostinjevaarder?" kwam het hem onwillekeurig over

de lippen.

De dominee verstond het en moest er onwillekeurig om glimlachen.

"Spreekt weer je zeemanshart, Witte?"

"Zeemanshart?"

Het was kapitein Schapenham, die dit uitriep, terwijl hij met een

gezicht van niet begrijpen nu eens den predikant, dan weer dien

zonderlingen jongen aankeek.

[Illustratie: Spreekt weer je zeemanshart, Witte?]

"Ik zoek naar volk," ging hij voort. "Is soms die knaap....?"

Een gloeiend roode blos kwam nu over het gelaat van Witte. Vast

klemde hij de kaken op elkaar, dat de spierbundels bij zijn slapen

zichtbaar werden. En 't was, alsof er iets vochtigs in zijn oogen

trachtte te komen. Wat onmogelijk leek, omdat _die_ knaap zelfs van

spijt niet schreien kon.

Het gelaat van den predikant teekende een ongewonen ernst.

"Schipper," sprak hij, "ik wenschte wel, dat mijn doopkind u niet

ontmoet had."

"Uw doopkind?.... Niet ontmoet?.... Vergeef me, dominee, ik begrijp

u niet goed."

De predikant schudde het hoofd.

"De oogenblikken zijn te kostbaar voor me om u alles te vertellen,

wat over dit jonge hoofd gegaan is. En 't zou niet passend zijn, als

mijn doopkind daar bij bleef en dat alles aanhoorde. Maar heel het

hart van dezen knaap is vervuld van het geruisch der wijde wateren."

Er kwam een glans als van begrijpen op het gelaat van den kapitein.

"En de ouders verzetten zich ertegen?" riep hij uit. "De moeder....

Witte heeft geen vader meer."

"Een moeder alleen? Daar is het leelijk vechten mee!" gaf de zeeman

met een bedenkelijk gezicht te kennen.

"Met deze moeder vooral!" lichtte ds. Leo toe.

"Hoe zoo?"

"Ze behoort tot de Menisten."

"Wat nu?.... Dan màg deze jongen niet vechten! En op zee moet-je met

handen en tanden van je afweren, gezwegen van kartouwen, sabels en

kortjan..."

"Hij.... is mijn doopkind."

"Dus?"

Ds. Leo maakte een gebaar, als wilde hij aan het gesprek een einde

maken.

"Ik moet nog naar Nieuwenhoorn terugloopen, schipper. Witte zou

zeker anders wel met me meegegaan zijn tot Lagerwoude, waar de

hofstede zijner moeder gelegen is, maar moet het nu maar alleen

doen. Indien u me ten minste een eind vergezellen wilt."

"Eerlijk gezegd, ik heb aan 't loopen een broertje dood, dominee;

maar u hebt me zoo nieuwsgierig gemaakt.... En dan heb ik u ook nog

wat te vragen."

Nu nam Witte, die den wenk van zijn doopvader begrepen had,

afscheid.

"Een stevige lans!" oordeelde de kapitein, die hem nakeek, "en een

paar knuisten om aan te pakken."

Ds. Leo glimlachte.

"Dat hebben de Brielsche jongens ondervonden, die hem eerst zoo

plaagden, toen hij nog Menist was!"

Daar dook plotseling een herinnering bij den zeeman op.

"Wel heb ik van mijn leven, dominee.... Is dat die Voornsche

boerenjongen, waarvan ik wel heb hooren vertellen, dat hij zich liet

doopen om zijn bloedzuigers op d'r tabernakel te slaan?"

Ds. Leo schudde het hoofd over deze ongezouten uitdrukking van den

zeeman.

"Ik zal u alles vertellen," sprak hij, "maar laten we nu heengaan."

Bij dat gesprek op den weg naar Hellevoet, waaraan het bloeiende

dorp Nieuwenhoorn gelegen was behoeven wij niet tegenwoordig te zijn

om onze nieuwsgierigheid te bevredigen. Wij weten uit de

vaderlandsche geschiedenis, hoe de latere vice-admiraal Witte

Corneliszoon de With zich als elfjarig kind tot ds. Leo van

Nieuwenhoorn gewend had, om zich te laten doopen, omdat de jongens

van den Briel hem zoo plaagden en tergden en hij, als Doopsgezinde

of Menist, niet mocht terugslaan.

Doch óók vertelde ds. Leo aan den zeekapitein van den grooten strijd

om de beroepskeuze. Zijn moeder wilde maar niet hebben, dat hij naar

zee ging, en daarom moest Witte aan wal een rustig en vreedzaam vak

leeren.

Men kent het spreekwoord van twaalf ambachten en dertien ongelukken.

Op het oogenblik, dat wij met dien zonderlingen knaap kennis

maakten, had hij precies de helft van dat dozijntje achter den rug.

Of eigenlijk was hij met het zesde vak nog bezig, hoewel hij net op

het punt stond door zijn baas weggejaagd te worden.

Maar daar zullen we in het vervolg van dit verhaal vanzelf op moeten

terugkomen.

III.

OP DE KLEERMAKERSTAFEL.

Een Engelsch reiziger, die in den winter van 1592 op '93 in ons land

vertoefde, vertelt, dat hier de vrouwen heel wat in de melk te

brokken hadden en meestal niet alleen het gezin maar ook de

kostwinning bestierden. Wat daarvan aan zij, zeker is het, dat hij

in het gelijk gesteld zou zijn, wanneer hij op een Maandagmorgen van

't jaar 1615 een kijkje had kunnen nemen in de werkplaats van Jochum

Stoffelsen, meester snijder in den Briel. De baas haalde met zulk

een snelheid de naald door de stof, welke hij onderhanden had, alsof

er zij leven van afhing. Zijn oogen sloeg hij niet op en knikte maar

van ja of schudde van neen op al de vragen, die zijn waardige

echtgenoote met groote radheid van tong stelde. Ongelukkig knikte

hij door de verbouwereerdheid een keertje van ja, toen het neen had

moeten wezen.

Moeder Stoffelsen, die tot nu toe de handen op de breede heupen had

doen rusten, hief ze nu met een trilling van woede omhoog.

"Heb ik ooit van m'n levensdagen zoo'n man gezien! Daar vraag ik

hem, of hij zijn beklagenswaardige vrouw op zulk een ongehoorde

wijze mag laten verhabbezakken -- en daar knikt dat monster getroost

van ja!"

"Goeie, beste vrouw...."

"Góéie, bèste vrouw," bauwde zij hem smalend na. "Ik bèn niet goed,

en ik bèn niet best. Enkel en alleen maar een zondig mensch. Maar je

vrouw bèn ik. En die moest door jou beschermd worden. Ze mogen jou

met recht een ridder noemen.... van de naald altijd, bah!"

"Ho, ho, vrouwtje! Die naald...."

Hier stokte de meester. 't Speet hem, dat hij het maar niet bij ja

en neen knikken gehouden had. Want bij ondervinding wist hij wel,

dat gemeenlijk het eene woord het andere uitlokt. En omdat moeder de

vrouw altijd het laatste moest hebben, bleef dat een gevaarlijke

proef.

Zijn vrouw evenwel merkte wel, dat hij meer op de tong had.

"Wat wou-je zeggen?"

"Maar vrouwtje, vrouwtje...."

"Wàt wou-je zeggen?" herhaalde zij.

"Ja, zie-je.... begrijp-je.... vat-je.... Ik wou niets anders

zeggen dan.... wat toch de waarheid is, zie-je.... begrijp-je....

vat-je...."

Zij stampvoette van ongeduld.

"Houd toch je mond met die onnoozelheden!.... Kort en bondig, wàt

heb-je te zeggen?"

De naald vloog nu met reuzensnelheid door het werk des meesters.

"Niets anders.... dan dat de naald.... zie-je.... om zoo te

zeggen het brood voor je verdient.... vat-je -- éh ja, ik bedoel,

zie-je -- of neen, begrijp-je...."

De handen van moeder Stoffelsen kwamen weer op de heupen.

"Wel zoo!" smaalde ze, "wel zoo!"

Met zulke nadrukkelijke voetstappen, dat er het zand over de roode

vloertegels van onder haar leeren muilen knarste, kwam zij tot vlak

voor den baas, wiens naald, zouden wij in 20e-eeuwschen stijl

zeggen, nu het record sloeg.

"Wat brengt meer op?" vroeg zij, elk woord op den armen man

inhamerend, "de taveerne of de rommel, dien je hier dag aan dag zit

te verknoeien?"

"Ho, ho, vrouwtje!.... Verknoeien is een hard woord.... Ik heb toch

mijn meesterproef afgelegd!"

"Dat is ten minste het eenige goede, dat je in je

leven uitgevoerd hebt!"

Hij knikte van neen.

"'k Heb nog iets beters gedaan!"

"???"

Hij zag haar aan als een onderdaan, die zijn vorst iets heel zoets

heeft te vertellen.

"Toen ik mijn suikerdotje getrouwd heb," vleide hij.

Het suikerdotje liet zich deze vleierij genadig aanleunen.

"Malle vent!" zei ze.

Meester Stoffelsen was een en al lach van geluk. Hij werd er

woordenrijk door.

"Zeker, vrouwtje; ik geef je toe, dat het een héél verstandige zet

van je was, om een eet- en drinkgelegenheid voor de zeelui en de

soldaten op te zetten...."

"Dat was het," bevestigde zijn vrouw.

"En dat aardig wat opbrengt."

"Dat brengt het."

"Maar.... maar.... maar..... Het gaat met de kleermakerij ook niet

slecht. Ik krijg meer werk dan ik af kan. Alleen is het jammer, dat

mijn hulp niet deugt."

"Je bedoelt dien leerjongen?.... Waar zit die luiwammes nu weer?"

"Op een boodschap, en dat duurt natuurlijk weer een eeuw voor hij

terug komt.... Maar spreek-je over den vent, dan is hij bij je of

omtrent.... Daar heb-je den guit.... Zeg eris, waar heb-jij al dien

tijd gezeten?"

"Natuurlijk wat rond wezen slenteren!" antwoordde zijn vrouw voor

den leerjongen, in wien wij den knaap herkennen, dien wij op het

conventikel ontmoet hebben.

Hij gaf geen antwoord. Met een gelaat, waarop niets anders dan de

gewone norschheid en onverschilligheid te lezen stonden, ging hij

naar de kleermakerstafel.

De oogen van vrouw Stoffelsen begonnen te glanzen; maar de

ondervinding, welke zij met dezen leerjongen had opgedaan, stemde

haar eenigszins tot voorzichtigheid.

"Kun-je tegen je meester boeh noch bah zeggen, als hij je wat

vraagt?" kwam het er eindelijk bij haar uit. En dat luchtte haar

merkbaar.

Witte haalde de schouders op.

"Vroeg-t-ie wat?" klonk het norsch.

"Waar of je gezeten hebt, onbeschaamde jongen!"

"Dàt weet-je.... en daarom _is_ dat geen vraag, meester!"

De felle oogen gingen nu haar kant uit. "Geef hem een draai om de

ooren!" raadde vrouw Stoffelsen.

[Illustratie: De felle oogen gingen nu haar kant uit.]

"Ik ben geen Menist meer!"

Moeder de vrouw, die wist wat die woorden in den mond van dezen

zonderlingen knaap te beduiden hadden, stond te trillen op haar

voeten.

"Je was waard, dat de meester je wegjoeg."

"Lààt hij me dan wegjagen!"

"Dat wou-je wel," zoo wond de vrouw zich op zonder te gevoelen, dat

zij van Noord naar Zuid was gedraaid. "Dat wou-je wel, hé? Net als

van de lijnbaan, toen je daar te lui was, om aan het wiel te

draaien."

Witte haalde onverschillig-weg de schouders op en zette zich met

gekruiste beenen naast meester Stoffelsen, die volgens zijn gewoonte

de wijste partij gekozen en zich stilzwijgend aan den arbeid gezet

had.

Maar moeder Stoffelsen liet den leerjongen zoo gemakkelijk niet

schieten. Ze ging aan 't voorspellen, dat hij voor galg en rad

opgroeide.

"Vrouw," kwam de patroon eindelijk op zijn gewone onderworpen wijze

er weer tusschen, "wees toch wijzer en verspil je woorden niet

aan.... aan dat sujet."

"Juist," triomfeerde zij. "Zeg maar: verloren sujet. Want dàt zal

hij wezen, als hij ook hier vandaan wordt gejaagd...."

"Of wegloopt," vulde Witte droogjes aan.

"Hoor-je dat, man; hóór-je dat?"

De patroon glimlachte even.

"Hij zal 't wel uit zijn lijf laten.... Ja, als daar geen zware

boete op stond!"

De vrouw maakte een gebaar van: wat kan hèm dat schelen!

"Zijn arme moeder is er goed voor."

Witte gaf daar geen antwoord op. Hij boog zich dieper over het

wambuis, waaraan hij bezig was knoopen te zetten, maar boven zijn

neuswortel werd weer die loodrechte rimpel zichtbaar.

De baas zag het.

"Vrouw, vrouw!" vermaande hij "laat z'n moeder buiten het spel!"

Wat zij op deze vermaning geantwoord zou hebben, is niet te zeggen.

Erg vredelievend stond in elk geval haar gelaat niet. Gelukkig werd

juist op dit oogenblik in het aangrenzende vertrekje eenig gestommel

vernomen en een krachtige stem riep: "Hei daar!"

"Vrouw, ik geloof dat er volk is!"

Dadelijk kreeg haar gelaat een andere plooi.

"'t Wordt tijd," zei ze, "want ik heb vanmorgen nog geen handgeld

ontvangen."

En met deze opmerking verdween ze van het tooneel.

In de werkplaats was het heel stil geworden. Daardoor hoorde men

duidelijk uit het nevenvertrekje, dat als taveerne dienst deed, de

stemmen van eenige mannen. Het waren meest vreemde klanken, maar dat

verbaasde meester noch knechtje. Den Briel toch was in die jaren,

n.l. van 1585--1616, een Engelsche pandstad, gelijk gij wel uit de

vaderlandsche geschiedenis weet. In deze sterkte, evenals in

Vlissingen en Rammekens, lag een Engelsche bezetting. Door

veelvuldige aanraking waren de inwoners wat Engelsch gaan

parlevinken en de Engelsche soldaten wat Hollandsch. Men kon elkaar,

ten minste wat eten en drinken betreft, vrij goed verstaan. De

Engelschen vonden het eten hier te lande best naar hun zin. Zelfs

wat overdadig, omdat men op het brood niet alleen van die heerlijke

goudgele boter smeerde, maar daarop weer flinke plakken kaas lei.

Dat laatste mocht men zélf doen. Was men daarmee klaar, dan woog de

hospes het stuk kaas, wist op die manier precies wat ervan

afgesneden was en berekende daar den prijs naar.

Na wat meester Jochum Stoffelsen uit het stemgerucht kon opmaken,

zou 't ook nu wel een kroes bier, en brood met boter en kaas zijn.

De baas kreeg er een kleur van plezier door. 't Had hem groote

moeite gekost, om voor zijn vrouw de vergunning van klein-tapster te

krijgen, en als zij nu maar geld verdiende, was zij thuis veel

zachtzinniger. Haar booze bui van dezen morgen was enkel een gevolg

geweest van te weinig nering in de laatste dagen en dat een

buurvrouw haar zulks in de keel gestoken had. En blijde, dat bij

moeder de vrouw voorloopig de muts weer goed zou staan, oordeelde

hij het verstandig ook wat olie te storten over den toorn van zijn

leerjongen.

"Je moet de vrouw niet zoo tegenspreken, Witte... Dat heb ik wel

honderdmaal gezegd."

Witte zweeg.

"Hoor-je me niet?"

"Ja, meester."

"Waarom geef-je me dan geen antwoord?"

"Omdat ik dan tegenspreek," meester.

De patroon schudde het hoofd.

"Wat ben-je toch een rare jongen."

Zwijgen.

"Je wordt haast zeventien, is 't niet?"

Knik met het hoofd.

"Wanneer?"

"Komende jaar."

"Dat spreekt!... Maar wannéér?"

"Den 29en Maart."

"Zeventien is al een heele leeftijd, Witte!"

Zwijgen.

"Zou het zoetjesaan geen tijd worden, dat je veranderde?"

"Van vak?"

De patroon keek hem een beetje verbluft aan. Witte zag dat, en moest

daar toch even om glimlachen.

"Dàt zal je niet gelukken, ventje!" voer zijn meester voort. "Je

ben -- laat eens kijken, wat je zoo al geweest ben.... Lijndraaier,

knoopenmaker, kalfsleerwerker... en wandsnijder, is't niet?"

"Ja, meester.... En toen zeilmaker en nu ben ik kleerenjutter!"

"Hoe? Je spot toch niet met dat mooie ambacht?"

"Neen, meester; ik ben blij, dat ik het een beetje versta. Daar zal

ik profijt van hebben.... als ik op zee vaar."

"Jongen, stel toch die malligheid uit je hoofd! Leer je vak goed,

dan word-je een man in de maatschappij. En denk er toch aan, dat als

je van mij met schade en schande weggaat, je een verloren man ben."

"Dat zie ik nog niet in, meester."

"Hoe? Je weet toch, dat je zoo goed als in niet één gilde meer

terecht kunt komen. Uit hoeveel gilden ben-je al niet weggestuurd!

En dáár kom-je nooit meer in."

Zwijgen.

"En wat moet er dan van je terecht komen? M'n vrouw sprak daarstraks

van een verloren sujet. Neen, kijk me niet zoo nijdig aan!....

Weet-je wel wat dat is?"

"Ja, zeker; als je nergens meer voor deugt en door de dienaars van

den baljuw buiten de grenspalen wordt geleid."

"Of op een schip naar Oostinje," vulde de baas aan.

Witte liet zijn werk op zijn knie vallen.

"Doen ze dat óók met een verloren sujet?"

"Ho, ho! Zoo bedoelde ik het niet!"

"Neen, baas, nu moet-je er geen doekjes om winden."

De baas keek strak op zijn werk.

"Daar zijn ze pas bij het Gerecht mee begonnen... Maar (en hier

sloeg hij zijn oogen op en keek Witte vlak in het gezicht) op _die_

manier zou-jij toch niet het zeegat willen uitvaren?"

De jongen gaf geen antwoord en vatte zijn werk weer op. Hij bromde

wat, dat zoowel ja als neen kon beteekenen, en het gesprek verliep.

Na een half uurtje kwam de vrouw weer in de werkplaats. Zij was

bijzonder in haar nopjes, dat zag de baas dadelijk. Zij telde op,

wat de Engelsche krijgslieden verteerd hadden. Zooveel boterhammen,

zooveel boter, maar in het gebruik van de kaas waren zij haar

tegengevallen.

"Je schalen en gewichten zijn toch zuiver, vrouw?"

"Als de zon.... Maar wat zit die jongen te grijnzen?"

"Ze hebben je te pakken gehad, vrouw."

"Mij?.... De eerste, die mij te pakken neemt, moet nog opstaan....

Maar.... maar wat begint de jongen nu? Is hij dol geworden? Houd hem

tegen, man!.... Hij gaat op den loop, of...."

Met de vlugheid zijner jaren was Witte van de kleermakerstafel

gesprongen en ijlde naar de taveerne.

[Illustratie: O, die gauwdieven, die schurken!]

De vrouw als de drommel hem na, en daarachter de meester met zijn

knipbeenen.

Toen hij in de taveerne gekomen was, zag hij, dat Witte het stuk

kaas in handen genomen had, en hoorde zijn vrouw aangaan als een

Noordwester: van dat de jongen er met zijn leelijke, vuile handen af

moest blijven.

Maar Witte had zijn mes te voorschijn gehaald en sneed toen heel

netjes de kleine, looden kogeltjes eruit, die de soldaten na het

gebruik stiekem in de kaas gestopt hadden.

De vrouw hief haar handen omhoog.

"O, die gauwdieven, die schurken!"

"Hoe wist-jij dat?" vroeg de baas aan zijn leerjongen.

"Wel meester, wie veel langs de kaai loopt, hoort wel eens dingen,

die hij in zijn ooren knoopt. Het kan altijd te pas komen, zooals je

ziet."

IV.

EEN OASE IN DE WOESTIJN.

Dien avond wachtte zijn zuster hem op bij den ingang van de

hofstede.

Ze wist, dat hij komen zou, want het was lichte maan.

Niettegenstaande de zwaar bewolkte lucht, kon men, wanneer men zich

slechts een poosje buiten bevond, ten minste zien waar men liep. Bij

donkeren winternacht was dat niet te doen, ja, zelfs gevaarlijk. Men

had dan kans terzijde van den weg in de sloot te geraken, omdat men,

om de vochtige wagensporen en de brijachtige modder te ontwijken,

meestal op den glibberiger graskant langs het pad liep, vanwaar men

licht naar den verkeerden kant uitgleed.

In den winter bracht Witte meestal den nacht in het huis van zijn

patroon door, waar hij in den kost was. Met mooi weer en maneschijn

trok zijn hart hem echter naar Nieuwenhoorn, al was het niet zoozeer

naar de steê van zijn moeder, waar hij echter wel zijn slaapplaats

vond.

Waarheen hij dan ging, eer hij zijn kooi opzocht?

Dat zullen we dadelijk wel vernemen. Catharina de With wist dus, dat

haar broer zou aankomen, om te zeggen, dat hij vannacht thuis sliep,

en wist ook wel omstreeks welken tijd dat zijn zou.

In het onzekere licht van dien winteravond zag zij hem toch al in de

verte aankomen, eenzame figuur op den weg, die tegen de grauw-groene

grasbanden afstak, zich als eindeloos verlengde en opging in het

schijnsel, dat in de verte de stad afgaf, waar de olielantaarns

aangestoken werden en een weerschijn wierpen op den zwaren toren,

die in het groezelige licht van den door zware wolken verduisterden

maan-avond toch nog duidelijk te onderscheiden was.

"Ben-jij daar, Witte?"

"Ja, Katrijn."

"Je komt zeker zeggen, dat je hier vannacht slaapt."

"Ja."

"En je gaat zeker naar nicht Maertje."

"Ja."

"Ga er dan maar dadelijk heen."

"Is er ginder zwarigheid?"

"Neen, dáár niet.... maar hier."

"Wat dan?.... Is Abram weer ziek?"

"Neen.... moeder."

"Erg?"

"Nou erg?.... Ze heeft zich kwaad gemaakt."

"Op wie nu alweer?"

"Da's ook een vraag! -- Op jou."

"Natuurlijk omdat ik gisteravond...."

Maar de rest van zijn woorden ging in een soort gegrom verloren.

"Gisteravond?.... O, Witte, ben-je soms weer bij de fijnen geweest?"

"Als je 't vragen moet, weet-je het niet.... En dus is moeder weer

om iets anders nijdig op me."

Katrijn zweeg eenige oogenblikken.

"Wacht.... ik loop een eindje met je mee."

"Goed!" zei Witte kortaf.

Ze gingen samen voorbij de steê, den hoogen dijk af en het

Hellevoetsche zandpad op.

"Ik begrijp uit alles, dat je me nou liever niet thuis wil hebben."

"Neen.... moeder zou er wakker van kunnen worden en dan krijgen

jullie weer ruzie."

"Kan ik dat helpen?"

"Anders wel, Witte.... maar nu niet."

"Dus moeder weet niets van dat conventikel?"

Zijn zuster stond stil.

"Waarom doe-je moeder toch dàt verdriet?"

"Omdat men Gode meer moet gehoorzamen dan de menschen," klonk het

dadelijk terug.

Katrijn zuchtte.

"Laten we daar maar geen ruzie over krijgen.... en ik wil dat ook

niet."

"Nee, je màg niet."

"Juist!.... Omdat ik Menist ben."

"Of die niet strijdlustig zijn!" ging Witte op bitteren toon voort.

"Foei, je bedoelt moeder?"

"Ja."

"Hoe durf-je dat zeggen!"

"Omdat ik geen duivel op mijn hart smoor. Vandaag niet en morgen

niet en nooit niet. Dàt heb ik tenminste nog van de Menisten

overgehouden."

Katrijn zuchtte weer.

"Witte," riep zij eindelijk uit, "je ben zoo in het net van die

fijnen verstrikt...."

"Wat zeg-je?" riep hij uit, stilstaande en zich dreigend voor haar

plaatsend.

"Neen, neen," weerde ze af, "geen ruzie tusschen ons. Je weet, dat

ik je help, waar ik kan.... Maar je gedachten zijn zoo van dat....

dat andere vervuld, dat je niet eens vraagt, waarom moeder ziek

geworden is."

Witte haalde onverschillig de schouders op.

"Je hebt het al gezegd: van boosheid op mij. Oud nieuws. Ik heb het

immers altijd gedaan?"

"Neen, Witte, nu is het _nieuw_ nieuws.... Er is iemand over je

wezen praten."

"Dominee Leo?"

"Die kan komen, zooveel als hij wil; maar je weet, dat moeder dan

als een stom beeld zit."

"Dat weet ik," merkte Witte bitter op. "Hij heeft me immers

ongelukkig gemaakt, zooals moeder altijd gelieft te zeggen!"

Katrijn liet dat nu maar voor wat het was.

"Je raadt het nooit. Witte," zei ze.

"Láát me dan ook niet raden. Ik heb daar een hekel aan."

"Ik.... ik durf het haast niet zeggen."

"Is het dan zóó erg?"

"Erg?.... Neen, dat wel niet, maar als je het weet, is het weer voor

weken en maanden mis met je."

Weer stond Witte stil.

"Zeg op, Katrijn!.... Dacht-je, dat op heel de wereld me één ding

nog schelen kon?"

"Ja, Witte.... één. En 't is juist dáárover, dat het tusschen moeder

en hem ging."

Witte haalde diep adem.

[Illustratie: "De zee?"]

"De zee?"

Hij stootte die ééne klank eruit.

Toen greep hij zijn zuster beet, maar deze rukte zich lachend los.

"Zie-je wel, dat één ding je toch nog wel schelen kan?"

Nu lachte hij ook.

"Toe, zusje.... zeg het me nou!"

Ze vertelde hem van het bezoek van den zeeman en stond er vreemd van

op te kijken, toen ze hoorde, dat hij dien al kende.

"Op de oefening, gisteravond."

"Welzoo? Ik dacht, dat je daar...."

"Stil, zusje, toe, alsjeblieft nu niet daarover...."

Ze kreeg met hem te doen. Vooral, omdat ze hem moest mededeelen, dat

moeder ook nu niet te bewegen was geweest.

Gelijk hij gewoon was, werd Witte er weer hard tegenin.

"Eens ga ik toch," sprak hij.

En zonder hem aan te zien, wist zijn zuster, hoe zijn gezicht stond.

Ze waren dicht bij een andere boerenhuizinge aangekomen, waarvan zij

reeds geruimen tijd 't verlichte venster hadden gezien.

"Ik ga nu terug, Witte. Moeder sliep, toen ik heenging, maar kan

wakker worden en naar mij vragen. Zonder noodzaak behoeft zij niet

te weten, dat ik jou gesproken heb."

"Geen nood!.... Over mij spreekt ze toch nooit.... of...."

Katrijn sloot hem den mond.

"Je mag de Tien Geboden nog wel eens overleeren, Witte."

Dadelijk stond de jonge ijveraar pal.

"Ik eer mijne moeder.... Dáárom gehoorzaam ik haar en loop ik niet

weg."

Na dit gezegd te hebben, keerde hij zich bruusk om, en liet het aan

zijn zuster, die op haar schreden terugkeerde, over, om het

onderscheid tusschen eeren en liefhebben, te overpeinzen.

Intusschen had het geblaf van den hofhond een meisje buiten doen

komen.

"Ben-jij daar, Witte?"

"Ja, Marie."

"Malle, jongen, waarom zeg-je toch geen Maertje, zoo heet ik

immers?"

Witte was reeds bij haar en ging met haar in huis.

"Maertje vind ik zoo, zoo.... net of je je moeder ben."

Hij leek wel heelemaal veranderd. Veel zachter, maar ook veel

onbeslister in zijn woorden, die anders, precies als bij zijn

moeder, gelijk hamerslagen neer konden vallen.

Het meisje, dat van zijn jaren was, lachte luid:

"Hoe kan dat nou?.... Mijn eigen moeder zijn!"

"Och, ik bedoel.... je moeder heet Maertje."

"En ik naar haar."

"Wat is er?" zoo kwam uit de boerenkeuken, waarin zij binnentraden,

de stem van een nog jonge vrouw hen tegemoet.

"Goeien avond, nicht.... Waar is de baas?"

"Naar bed.... Hij gevoelde zich niet wel. En de jongens zijn

verkouden.... dus ook naar de kooi. Je weet: de de With's zijn niet

sterk... Nu, ja, Witte, jij en je moeder zijn een uitzondering."

"Hij is ten minste weer aan den gang, moeder!"

"Zoo.... heeft hij een pak kleeren bij zijn baas bedorven?"

Witte maakte een afwerend gebaar.

"Toe.... nicht Maertje, kom me daar nu alsjeblieft niet mee aan

boord. Ik ben bang, dat die lucht van de kleermakerstafel nog aan

m'n plunje hangt."

Plagend berook hem het jonge meisje.

"Ja waarlijk," riep ze uit. "Ik ruik.... baas Jochum Stoffelsen en

zijn vrouw."

Daar begon Witte te lachen, eigenlijk heel vreemd voor dat anders

zoo nijdige gelaat.

Hij vertelde van de loodjes in de kaas, en de twee vrouwen hadden

daar wàt 'n schik in.

"Goed, dat ik het weet," riep nicht Maertje uit, "want die

Engelschen zwerven tegenwoordig over het heele eiland.... 't Wordt

tijd, dat ze weggaan."

Nu, Witte kon het gerucht meedeelen, dat het vermoedelijk niet lang

meer duren zou. Er moesten onderhandelingen aan den gang zijn

tusschen den landsadvocaat en den koning van Engeland over het

inlossen van de pandsteden.

Dat gesprek werd te taai voor het jonge meisje en die begon nu maar

gauw over de gekheid van daarstraks.

"Hoe kwam-je zoo mal?" vroeg nicht Maertje aan Witte. "Waarom moet

Maertje nu Marie heeten?"

"Om den boel een beetje uit elkaar te houden, nicht."

Zij knikte toestemmend.

"Ja, onze familie zit ook op een wònderlijke wijze in elkaar."

"O, Witte," riep het jonge meisje uit, "wat bèn-je begonnen!.... Je

weet, als moeder daarover begint...."

"Wel, jou nest," bestrafte haar d'r moeder; "Als ik dat boeltje niet

telkens uit elkaar haalde, zou-jij later niet meer weten, of Witte

een oom, een neef of een achterneef van je was...."

"Voor mij blijft hij Witte, hoor!"

"En jij, Marie!" zei hij dadelijk.

"Hóór-je 't, moeder?" vroeg het meisje.

Maar deze was al aan haar geslachtkundige uitlegging begonnen.

"Jou vader, Witte, was een broer van mijn vader."

"Ja, nicht Maertje."

"Jou vader heette Cornelis, en de mijne Leendert de With."

"En die waren broers," plaagde haar dochter, die we nu ook maar

Marie zullen blijven noemen.

"Ssst!" deed haar moeder, "ik ben er nog niet!"

"Nog lang niet," plaagde nu ook Witte.

"En," aldus ging zij op zwaarwichtiger toon voort, "daarom heet ik

voluit Maertgen Leenderts-dochter de With."

De beide jongelieden gaven elkaar een knipoogje maar durfden toch

niet lachen.

"Ik, Maertgen Leendersdr. de With, trouwde weer met dien de With,

die nu mijn man is."

"Ze vergeet den voornaam," dacht Witte, "dat schiet vast op."

"En uit die echt werd nu Maertje geboren, die net zoo oud is als

jij, Witte, hoewel jou vaders broer haar grootvader is."

"Hè," zei Witte, "daar zou een mensch simpel van worden."

"Ssst," waarschuwde nu op haar beurt Marie, "moeder is er nog niet."

"Nu, ik was toch al zoover, dat Maertje geboren was."

"En die zit hier," kon Marie niet nalaten te schertsen.

"En die heet net als ik...."

[Illustratie: Moeder is er nog niet.]

"Ho, ho, nicht," kwam Witte tusschen beiden, "maak een beetje

onderscheid alsjeblieft en noem haar Marie."

"Dus.... ze moet zich over haar moeder schamen?"

"Hoe kòm-je daaraan, nicht!.... Maar, zie-je, als ik later aan 't

varen ben..."

"Altijd dat varen, Witte?"

"Altijd dat varen, nicht!.... Maar, wat ik zeggen wil, als ik ergens

in een apenland zit en een brief wil schrijven aan.... aan die

lachebek hier.... hoe moet ik dan de dochter van de moeder

onderscheiden?...."

"O ja, dàt 's waar," riep Marie uit, "dáár had ik niet aan gedacht!"

"Net goed!" plaagde nicht Maertje, "dan krijg ik den brief in

handen."

"En u kunt niet lezen!" plaagde haar dochter weerom.

"Daar vind ik wel iemand voor," dreigde haar moeder.

Maar toen hij naar huis ging, na een uurtje in dit gezin verkeerd te

hebben, dat voor hem als 't ware een oase in de woestijn van zijn

wanhopig eentonig leven was, -- fluisterde zijn achternicht hem toe;

dat hij haar voortaan Marie mocht blijven noemen.

En dat is zoo gebleven, tot haar dood toe.

V.

WAAROM VROUW STOFFELSEN ALLEEN THUIS BLEEF.

Eenige dagen later stond het kleine huisgezin van den

meester-snijder Jochum Stoffelsen héélemaal op stelten.

Den vorigen avond was Witte wederom naar de hofstede gegaan om daar

den nacht door te brengen; nu liep het al naar noen en nog was hij

niet teruggekeerd.

Al voor den opgank der zonne -- wat in de maand December nu juist

niet zoo bijzonder vroeg beteekent! -- had hij reeds terug moeten

zijn.

Dies schetterde als een krijgstrompet de stem van vrouw Stoffelsen

door het huiske, en de eenige afwisseling daarin was de plaats der

handeling.

Want nu eens lawaaide het in de werkplaats van den eerzamen meester,

maar het meest toch in de taveerne, waar de pot voor het middageten

te vuur stond.

Ook dàn vermocht meester Jochum Stoffelsen er geen woord van te

verliezen, omdat -- tot het doorlaten van de warmte -- de deur

tusschen beide gelegenheden wijd geopend bleef.

"Die lamme jongen...."

"Ho, ho, vrouwtje! Bezondig-je niet aan zulke verwenschingen."

"Dàcht ik het niet, dat ik het alweer op m'n kop kreeg?.... Is dàt

nou een verwensching?"

"Zeker! Want -- als dat nu juist eens gebeurde en hij met lamheid

geslagen was...."

"Dan.... dan zou het nog een zegen voor zijn moeder en voor mij en

jou zijn."

Ontzet zag meester Stoffelsen haar aan.

"Zeker! Dan zou hij wat vaster zitten aan de kleermakerstafel en

stellig liep hij niet weg om het zeegat uit te gaan. Want -- al

moest ik er mij voor laten geeselen en brandmerken -- ik ben er zoo

zeker van als.... als.... ja, 't kan me niet schelen als wat, dat

hij er nu vandoor is gegaan."

De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw" · 第 1 / 8 段