Twintig groote aardappelen, 6 lepels boter, 6 eierdooiers, 5 lepels
gepelde, fijngestampte amandelen, 4 à 5 lepels suiker, de schil van
een djeroek-nipis (geraspt), een lepel Baking Powder en het tot sneeuw
geklopte wit van de 6 eieren.
Bereiding:
De aardappelen schilt men en kookt ze met zout gaar. Daarna worden
ze fijn gemaakt en er de boter met de geraspte djeroekschil door
gedaan. De zes eierdooiers slaat men wit met de suiker, roert ze met
de fijngestampte amandelen door het aardappelen deeg, en voegt hier
de Baking Powder bij met het geklopte wit. Wanneer dit alles goed
door elkander is geroerd, laat men het even staan, om te rijzen. Nu
neemt men een pudding-trommel met deksel, besmeert dezen met boter
en beschuitkruim en vult dien voor 2/3 met het beslag. Deze pudding
wordt, gedurende 1 1/2 à 2 uur, in een toegedekten pot met kokend
water gedaan. Is ze gaar, dan wordt de pudding uit den trommel gestort
op een vuurvast bord of een émail-schaal, en nog even in den warmen
oven gedaan. Men dient ze voor met rhum-saus. (No. 478).