Een pond gepelde zoete amandelen, 1 pond fijne witte suiker, een
handvol fijn meel, ingelegde vruchten of marmelade, 6 eieren, 1 1/4
ons fijne broodsuiker, boter en suiker.
Bereiding:
De amandelen stampt men, met wat water, goed fijn, werkt er het pond
fijne suiker goed door en roostert dit mengsel, in een ketel, zoo,
dat het zich los maakt van de zijden van den ketel. Laat het daarna
bekoelen. Nu werkt men er het handvol meel door, rolt daarna dit
amandel deeg op de plank, één cM. dik, uit en maakt er een rondte
van, met opstaanden rand, die men, in een matig verwarmden oven,
langzaam gaar laat bakken. Is deze korst koud, dan vult men de taart,
naar believen, met gelei, ingelegde vruchten of marmelade.
Nu klopt men zes eiwitten tot sneeuw en roert er de fijne broodsuiker
door; deze sneeuw strijkt men, en pyramide, dik op de taart, waarna
men het geheel met suiker bestrooit en de taart gedurende een half uur,
in een matig verwarmden oven verder gaar bakt.