Twee ons bloem, 2 ons fijne, droge, witte suiker, 1/2 ons boter,
10 geklopte eierdooiers en 10 eiwitten tot sneeuw geklopt, gelei en
vanillevla van 4 à 5 eierdooiers, boter.
Bereiding:
De geklopte eierdooiers worden nog eens met de suiker wit geklopt;
vervolgens roert men er het meel, daarna het wit door. Men roere echter
niet te lang. Men bakt hiervan een koek in een met boter bestreken
springvorm en laat het, lichtbruin, gaar worden. Men schudt de taart,
nog warm, uit den vorm, laat haar bekoelen en holt haar in het midden
uit, zoo, dat er een rand overblijft van ongeveer zes à zeven c.M.
Het uitgeholde gedeelte vult men met gelei, doet daarop het uitgenomen
stuk, dat men met een laagje vanillevla bedekt.
Men siert den buitenrand der taart met wit of rood suikerglazuur.