Acht eieren, hiervan het eiwit geklutst; 5 fijngestampte beschuiten,
het sap van 6 djeroeks-nipis, 1 bierglas rijnwijn, 4 lepels gesmolten
boter, suiker en zout naar smaak, boter.
Bereiding:
De acht eierdooiers worden met de suiker (b.v. een kopje suiker)
wit geklopt; hierbij roert men de gestampte beschuit, perst er het
sap der zes djeroeks in en voegt er, al roerende, de gesmolten boter
en den rijnwijn door.
Als dit goed is geschied, doet men er het geslagen eiwit door met
een weinigje zout en klopt dan nog eens alles goed door elkander.
Men bakt het in een, flink met boter bestreken vorm, licht bruin,
in een matig verwarmden oven.