Drie pond suiker tot kleine breuk ("au cassé") gekookt, amandelolie
en een of ander kleur- en geurstof, b.v. koffie, vanille, citroenolie,
rozenwater, waarnaar de bonbons dan genoemd worden.
Bereiding:
Men maakt sterke koffie, en roert deze door de tot breuk gekookte
suiker; daarna giet men het dikke mengsel op een met amandelolie
bestreken marmeren plaat en snijdt er, met een met amandelolie
bestreken hakmes, kleine vierkante stukjes van. Deze stukjes worden,
nog warm, op een andere, met olie bestreken, plaat geschoven en als
ze koud zijn, in papiertjes gewikkeld.
Evenzoo maakt men de vanille bonbons, door twee stokjes in stukken te
snijden, een liter kokend water hierop te gieten en ze, toegedekt,
op een houtskool vuur te laten trekken. Den inhoud zeeven en met de
suiker vermengen.
De rozenbonbons maakt men door rozenwater èn rood of rose
keukenkleursel met de suiker te mengen.
Citroenbonbons maakt men door vruchtensuiker (No. 714) door de dikke
suiker te mengen.
Overigens geschiedt de verdere bewerking op de marmeren plaat en met
het mes op dezelfde wijze als bij de koffiebonbons.