(Bladerig deeg.)
Twee ons bloem, 2 ons boter, 3/4 d. Liter of nagenoeg 1 kopje water.
Bereiding:
Het meel (bloem) wordt met de boter (No. 517) vlug met de hand door
elkander gemengd, op de volgende wijze: men maakt midden in het meel,
dat op de deegplank is uitgespreid, een kuiltje, stort daarin wat
water, doet er de boter bij en kneedt alles samen tot een stevig
geheel. Laat het deeg dan een uur in de ijskist, of, bij gebreke,
in de koele badkamer staan.
Daarna rolt men ze, zeer dun, op de plank uit en geeft er den vorm aan,
waarvoor men het gebruiken wil.
Dit deeg gebruikt men voor groote en kleine taarten, banketletters,
cakes, saucijzebroodjes, roomhorentjes, vol au vent, en verder
fijn gebak.