Een half kilogram bloem, 1/2 ons gist, 3 eieren, 1/2 ons honig, 1/4
ons suiker, bijna 1/2 liter lauwe melk, 1 ons boter, 1 theelepel zout.
Bereiding:
Men maakt eerst van wat melk, een weinigje bloem en de gist een papje,
dat tien minuten moet rijzen. Dan doet men dit papje door het meel
en voegt er de eieren, boter, suiker, melk, honig en 't zout bij en
kneedt alles zoolang, tot er geen deeg meer aan de vingers kleeft. Men
laat dit deeg ongeveer een uur rijzen en behandelt het als in punt
5, No. 693. Vervolgens maakt men er kleine bolletjes van een half
ons van, die met een bamboezen rolletje worden geplet en verder rond
gemaakt. Men legt dan kleine ijzeren doppen op de platte deegen, die
onder die doppen gaan rijzen, tot zij door de gaatjes in de doppen
zichtbaar worden. Deze doppen zijn van vorm gelijk aan de deksels van
ijzeren of blikken bussen, ter grootte van de groote ronde beschuiten,
en met vele gaatjes doorboord.
Men laat de deegjes ongeveer een kwartier onder de doppen rijzen,
waarna men ze voorzichtig, met de ijzeren of blikken plaat, waarop
zij gemaakt zijn, in den heeten oven doet. De doppen laat men op de
gerezen deegjes staan.
Deze beschuiten laat men ongeveer tien minuten, of iets langer,
bakken; dan haalt men ze uit den oven, laat ze in de doppen koud
worden en neemt deze er eerst later af.
Nu snijdt men de beschuiten in twee helften, die er van binnen nog
wit uitzien.
Deze helften gaan wederom in den oven, op de plaat en zonder dop,
en laat men er zoolang in, tot ze lichtbruin worden en goed droog
doorbakken zijn.
Wil men de beschuiten lang goed en croquant houden, dan beware men
ze in goed gesloten stopflesschen of in blikken bussen.