2. Daarna maakt men een papje van de hoeveelheid gist, wat melk en
een weinig meel; de gist moet zeer fijn zijn gemaakt, het papje goed
vermengd zijn en, vóór het in het kuiltje gaat, tien à elf minuten
rijzen.
3. Men doet het gerezen papje bij het meel en vermengt dit goed met
de melk en het meel, waarna men er, 't laatst, het zout doorheen
mengt. Alles wordt gedurende een kwartier ter dege gekneed.
4. Dit deeg moet dan op de met meel bestrooide deegplank, zoolang door
elkaar worden gewerkt, tot het niet meer aan de vingers blijft kleven.
5. Dan laat men het, één uur lang, op een warme plaats staan, om te
rijzen. Gedurende dat uur, moet dit deeg, nu en dan (3 à 4 malen),
plat en door elkander geslagen en dan weêr opgevouwen worden.
6. Nu vormt men er bollen van, die weder op de deegplank worden
gekneed.
7. Men laat deze bollen, een kwartier lang, met een doek toegedekt,
rijzen.
8. Daarna worden ze wederom op de plank gekneed en vormt men er
lange of ronde broodjes van, die men in een, met boter bestreken,
ijzeren of blikken broodvorm doet.
9. Laat dit wederom, gedurende een half uur, in den vorm, rijzen. Het
deeg moet daarna zóó gerezen zijn, dat het gelijk is met den bovenkant
van den rand of iets daarboven uitkomt.
10. Eindelijk gaat de vorm in den zeer heeten oven, waarin het brood,
gedurende een half uur, gebakken wordt.
Wat den bakkersoven voor gewoon wittebrood betreft, moet deze op een
warmte van ± 300° Celsius worden gebracht. Voor klein brood is 250°
Celsius voldoende. Beschuit vereischt dezelfde warmte als klein brood.