Vijf en twintig eieren, 1 flesch cognac, 3 1/2 ons suiker.
Bereiding:
De dooiers en het eiwit worden elk afzonderlijk geklopt, het wit tot
"sneeuw". (No. 524).
De dooiers, welke men, een voor een, te samen, gedurende een kwartier
goed geklutst heeft, worden daarna vermengd met de suiker, die
men er, lepel voor lepel, bijvoegt en wederom met dit geel klutst,
tot ze er in versmolten is. Daarna wordt er het tot sneeuw geklopte
eiwit doorgeroerd. Als dit nu samen goed vermengd is, roert men er
zachtjes aan de cognac door en giet dit daarna over in flesschen,
die goed gesloten worden. Men schudt de flesschen nu en dan eens om.
Na verloop van tijd vermindert de inhoud in de flesschen, omdat het
eiwitschuim (de sneeuw) de advocaat dik en compact maakt.
Men krijgt daardoor van de vijf oorspronkelijk volle flesschen,
slechts drie flesschen met dikke advocaat, die men gedurende eenigen
tijd gerust, dicht gesloten, goed kan houden.
Nu en dan schudde men den inhoud.