Een pond ketanmeel, 2 ons javaansche suiker, 1/2 kopje water, ongeveer
1/2 ons geraspte of fijngesneden gebraden klapper, gekookte santen
van den overgeschoten klapper, pisang-bladeren.
Bereiding:
De suiker kookt men met het water tot stroop, doet er den geraspten
gebraden klapper in en kookt dit samen nog eens op.
Vervolgens roert men deze suiker, die men wat heeft laten bekoelen,
met het ketanmeel dooreen en lengt dit aan met een gedeelte van de
santen, zoodanig dat men van dit deeg rolletjes kan maken. Deze worden
dan in de overgeschoten santen gewenteld, daarna in pisang-bladeren
gewikkeld en in den koekoesan gestoomd.