Een pond rijstmeel, 1 theelepel zout, santen van 1 klapper, 3 plakken
goela-djawa; voor de witte saus: een weinig santen en 3 eetlepels
rijstmeel, zout.
Bereiding:
Het meel wordt met de santen en het zout vermengd, daarna de
goela-djawa gesmolten en er door geroerd. Dit wordt samen opgekookt
tot een dikke massa, die men in een basi kasar overstort en koud
laat worden. De witte saus maakt men door een weinig santen kentel
met drie lepels rijstmeel en wat zout tot een dikke pap te roeren en
dit te koken tot het goed dik wordt. Dit wordt over de kwée talam
als een witte laag gegoten. Wanneer men dit gebak eet, snijdt men
het aan vierkante stukjes.