Een pond rijstmeel, water, 2 eieren en het volgende vulsel: gehakt
kippenvleesch, 5 uitjes, 6 sioongs bawang-poetih, 2 lepels ketoembar,
3/4 lepel djienten, 1 theelepel peper, 3 à 4 schijfjes kentjoor,
1 theelepel zout, 1 theelepel suiker, 1 theelepel trassie, 1 lepel
fijngesneden pepaja, santen van 1 klapper, klapperolie.
Bereiding:
Het rijstmeel kneedt men met het water en zout tot een deeg, dat men
op een plank uitrolt en vervolgens tot groote ringen verwerkt. Deze
ringen kookt men in een koewali, in kokend water, gaar. Als ze gaar
zijn drijven zij boven, waarna men ze er uithaalt en in een servet
wederom fijnwrijft. Dit fijngewreven deeg stort men op de plank uit
en kneedt het met het wit van twee eieren goed door elkaar Daarna
rolt men het uit en steekt er, met een kopje of een bierglas, ronde
schijven van.
Nu vouwt men deze schijven in de helft dicht en doet er het vulsel
tusschen in. Bij het dichtvouwen moet men de vingers met wat lauwe
klapperolie inwrijven, om te voorkomen dat het deeg kleeft. Wanneer
men ze kookt, moet men op den bodem van de koewali een servet doen,
waarin men de koekjes doet, het servet dichtbinden en ze in kokend
water gaar laten worden.
Het vulsel als volgt: de specerijen stampt men fijn, braadt ze in
klapperolie op, voegt er het kippenvleesch en de pepaja bij, doet er
de santen bij en laat het dan koken, tot het een dikke massa wordt.
In plaats van kippenvleesch kan men ook fijngehakte garnalen gebruiken.