603. KWÉE PASOONG.

Een pond rijstmeel, water, 2 eieren en het volgende vulsel: gehakt

kippenvleesch, 5 uitjes, 6 sioongs bawang-poetih, 2 lepels ketoembar,

3/4 lepel djienten, 1 theelepel peper, 3 à 4 schijfjes kentjoor,

1 theelepel zout, 1 theelepel suiker, 1 theelepel trassie, 1 lepel

fijngesneden pepaja, santen van 1 klapper, klapperolie.

Bereiding:

Het rijstmeel kneedt men met het water en zout tot een deeg, dat men

op een plank uitrolt en vervolgens tot groote ringen verwerkt. Deze

ringen kookt men in een koewali, in kokend water, gaar. Als ze gaar

zijn drijven zij boven, waarna men ze er uithaalt en in een servet

wederom fijnwrijft. Dit fijngewreven deeg stort men op de plank uit

en kneedt het met het wit van twee eieren goed door elkaar Daarna

rolt men het uit en steekt er, met een kopje of een bierglas, ronde

schijven van.

Nu vouwt men deze schijven in de helft dicht en doet er het vulsel

tusschen in. Bij het dichtvouwen moet men de vingers met wat lauwe

klapperolie inwrijven, om te voorkomen dat het deeg kleeft. Wanneer

men ze kookt, moet men op den bodem van de koewali een servet doen,

waarin men de koekjes doet, het servet dichtbinden en ze in kokend

water gaar laten worden.

Het vulsel als volgt: de specerijen stampt men fijn, braadt ze in

klapperolie op, voegt er het kippenvleesch en de pepaja bij, doet er

de santen bij en laat het dan koken, tot het een dikke massa wordt.

In plaats van kippenvleesch kan men ook fijngehakte garnalen gebruiken.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 648 / 1109 题