Een half pond meel, 1/2 pond boter, 1/2 pond suiker, 1/2 pond kanaries
of zoete amandelen, kaneel, 3 eiwitten, 5 eierdooiers.
Bereiding:
De boter wordt wit geklopt, gedurende 1 à 2 uren. Men zorge er voor,
de boter eerst van het zout te ontdoen, zie No. 517. Daarna stampt
men de kanaries fijn en doet er twee eiwitten door, voegt dit goed
door elkander en roert het dan, met drie geklopte dooiers, door de
boter. Hierna roert men dit door het meel, met de suiker, en kneedt
dit tot een goed te verwerken deeg.
Nu neemt men een plank, bestrooit deze met meel en rolt er het deeg
op uit.
Van dit deeg snijdt men lange, vierkante stukjes, ter grootte van
theebeschuitjes, bestrijkt ze met het geel van de twee restant
eierdooiers en strooit er kaneel en suiker over. Men bakt ze op een
gebakplaat in een heeten oven, aan beide kanten bruin.