Twee groote theekoppen tepong-bras, een half kopje koud water.
Vulsel; een hard gekookt ei, 1 theebordje vol fijngehakte garnalen,
1 theelepel ketoembar, 1/2 theelepel fijne peper, 2 theelepels zout,
2 lepels fijngehakte uien, 2 sioongs fijngehakte bawang-poetih, 2
eetlepels fijngehakte koetjaï, 2 djeroek-poeroet- en 2 salam-bladeren,
1 kop dikke santen.
Bereiding:
Het meel (tepong-bras) wordt met water en zout vermengd en tot deeg
gekneed. Rol dit daarna uit en verwerk het tot kleine balletjes. Deze
worden wederom uitgerold, om daarna te worden gevuld en opgevouwen.
Het vulsel: de uien, ketoembar, bawang-poetih, zout en peper worden
samen fijngestampt, met boter opgebraden, waarna men er de fijngesneden
koetjaï, de poeroet- en salam-bladeren bijvoegt. Al roerende doet
men vervolgens de santen en de garnalen erdoor en kookt dit alles
samen, bijna droog, op. Het hard gekookte ei snijdt men aan dunne
schijfjes. Vervolgens vult men elk uitgerold stukje deeg met een weinig
van dit vulsel en doet daar bovenop een stukje van het ei. Vouw daarna
het stukje deeg toe en geef er een vorm aan van een half maantje.
De gevulde pasteitjes worden daarna in heete klapper- of slaolie
bruin gebakken. Men dient ze warm op.
571A. DòDòL.
Twee pond ketanmeel, ongeveer 2 pond javaansche suiker, 2 geraspte
klappers, 3 à 4 flesschen water.
Daarbij, desverkiezende, fijngesneden klapper, gebraden widjèn
of doerian.
Bereiding:
Men perst eerst santen kentel uit den geraspten klapper. Dan doet men
al het water bij het uitgeperste klapperraspsel en perst er santen
entjèr van. Deze santen entjèr kookt men met de javaansche suiker,
tot deze gesmolten is en doet er dan, al roerende, het ketanmeel
door. Begint deze massa dik te worden dan doet men er de santen kentel
bij en kookt men dit, onder aanhoudend roeren, gaar tot de olie er
boven op drijft. De dòdòl is dan gereed en stort men ze in een schaal
of kom over, of men maakt er, in pisang-bladeren, rollen van.
Men kan, onder het roeren, fijngesneden klapper, widjèn of doerian
bij doen. In 't laatste geval wordt dit gebak "dòdòl doerian" genoemd.
571B. DòDòL.
2e Recept.
Twee pond javaansche suiker, 1 pond ketanmeel, santen van twee
geraspte, oude klappers.
Bereiding:
De twee pond javaansche suiker met een weinig water tot een dikke
stroop gekookt; (deze dikte van de suikerstroop wordt door de inlanders
"gantieng" genoemd).
Vervolgens wordt het pond ketanmeel met een weinig koud water tot
een niet te dun beslag verwerkt, en daarna, met de santen der twee
geraspte, oude klappers, door de suikerstroop geroerd.
Men moet, om het aanbranden te voorkomen, dit mengsel aanhoudend om-
en doorroeren, zoo, tot het ketanmeel gaar proeft en de massa een
dikke pap wordt.
Deze pap, bijna bekoeld zijnde, kan, naar verkiezing, in blaadjes of
vormen worden gedaan (of opgerold) zooals meestal in Indië gebruikelijk
is. Wanneer men door de massa serikaja moes doet en dit samen opkookt
verkrijgt men "dòdòl sirikaja."