539. ATJAR-KETIMOEN II.

Tien ongeschilde ketimoens; de volgende kruiden, die men fijn stampt:

10 uitgehaalde kemiries, 10 bawang mérah, 5 sioongs fijngesneden

bawang-poetih, twee stuks gebrande koenjit, elk ter vingerlengte;

één evengroot stukje djahé; 2 eetlepels klapperolie. Vervolgens een

flesch javaansche azijn, 2 eetlepels lombok zonder pitten, 2 eetlepels

witte suiker.

Bereiding:

De ketimoens worden aan stukken (van een vingerlengte) gesneden,

met grof zout vermengd, in een paso gedaan met een zwaar gewicht er

boven op, en zoo een paar uur gelaten. Daarna neemt men de stukken

er uit en wascht ze goed af.

De fijngestampte kruiden worden in de klapperolie gebraden, daarna

met den azijn opgekookt, waarbij de lombok en de suiker. Nadat de

ketimoen goed van het zout en het water is ontdaan, doet men dit in

den nog warmen azijn en laat alles zoo bekoelen.

Deze atjar kan niet lang bewaard blijven.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 579 / 1109 题