Tien ongeschilde ketimoens; de volgende kruiden, die men fijn stampt:
10 uitgehaalde kemiries, 10 bawang mérah, 5 sioongs fijngesneden
bawang-poetih, twee stuks gebrande koenjit, elk ter vingerlengte;
één evengroot stukje djahé; 2 eetlepels klapperolie. Vervolgens een
flesch javaansche azijn, 2 eetlepels lombok zonder pitten, 2 eetlepels
witte suiker.
Bereiding:
De ketimoens worden aan stukken (van een vingerlengte) gesneden,
met grof zout vermengd, in een paso gedaan met een zwaar gewicht er
boven op, en zoo een paar uur gelaten. Daarna neemt men de stukken
er uit en wascht ze goed af.
De fijngestampte kruiden worden in de klapperolie gebraden, daarna
met den azijn opgekookt, waarbij de lombok en de suiker. Nadat de
ketimoen goed van het zout en het water is ontdaan, doet men dit in
den nog warmen azijn en laat alles zoo bekoelen.
Deze atjar kan niet lang bewaard blijven.