Eenige groote kiraï's, welke geschild en uitgehold worden.
Het vulsel van de kiraï's bestaat uit: 2 sioongs fijngesneden
bawang-poetih, 1 eetlepel fijngesneden djahé, een stukje koenjit,
ter halve vingerlengte, 4 à 5 uitgehaalde kemiries.
Een eetlepel slaolie, een weinig taugé, 1 lepel fijngesneden lombok.
Een flesch azijn, opgekookt met wat fijngesneden djahé, bawang-poetih
en een stukje koenjit.
Bereiding:
De kiraï's vult men met zout en laat ze aldus een nacht liggen; den
volgenden dag laat men het zout er uit loopen, wascht de kiraï's af
en droogt ze in de zon.
Daarna stampt men het vulsel der kiraï's bij elkander fijn en braadt
ze in de olie op. Voeg hier een flesch azijn bij, zeef dit daarna en
leg den azijn apart.
De gezeefde kruiden vermengt men vervolgens met de taugé en lombok
en vult hiermede de kiraï's, welke men dichtbindt.
Vervolgens kookt men den azijn met de laatstvermelde kruiden en giet
dit eindelijk over de kiraï's, die in flesschen zijn gedaan.