(West-Indische soja).
Bittere cassave (obi benggala, ketella-pohon), en water.
Bereiding:
De wortels van de bittere cassave (vergif), die diep onder
den grond groeien en van verschillende grootte zijn, even als
de arrowrootwortels, moeten 6 à 9 maanden oud zijn. Na te zijn
schoongemaakt, worden die wortels geraspt, het raspsel in lange
gevlochten bamboezen mandjes gedaan en daar een weinig water op
gegoten. Dat water lekt dan uit de mandjes, welke men ophangt en
waaraan van onderen zware gewichten (steenen) zijn gehangen. De
gevlochten mandjes verwringen zich, door het gewicht, in de lengte
en persen alzoo het sap van zelf uit, dat opgevangen wordt.
Het vocht, dat er geelachtig wit uitziet wordt dan, als men er een
voldoende hoeveelheid van heeft, zoo lang gekookt, tot het eindelijk
erg donker gekleurd en dik strooperig is. Van een mandje van ±1
d.M. doorsnede en 5 d.M. lengte verkrijgt men ten hoogste één kopje
vol gekookt vocht, dat men "casseripo" noemt.
Het is zoetig van smaak, dient tot conserveeren van vleesch, visch
en gevogelte (in West-Indië) en moet in smaak de soja overtreffen.
Men koopt in Suriname gewoonlijk de casseripo van de negers, tegen
f 0.50 à f 0.75 per vierkante flesch.
Door het koken verdwijnen al de zéér giftige bestanddeelen van de
bittere cassave. Het is noodzakelijk het cassavevocht te koken tot
het zoo dik wordt als stroop.
Bij ons, in Indië is deze plant bekend als ketella-pohon (of in 't
Javaansch Obi-Dandel, naar den Gouverneur-Generaal Daendels, die ze,
onder meer nutte en onnutte zaken, op Java heeft ingevoerd).