521. CASSERIPO.

(West-Indische soja).

Bittere cassave (obi benggala, ketella-pohon), en water.

Bereiding:

De wortels van de bittere cassave (vergif), die diep onder

den grond groeien en van verschillende grootte zijn, even als

de arrowrootwortels, moeten 6 à 9 maanden oud zijn. Na te zijn

schoongemaakt, worden die wortels geraspt, het raspsel in lange

gevlochten bamboezen mandjes gedaan en daar een weinig water op

gegoten. Dat water lekt dan uit de mandjes, welke men ophangt en

waaraan van onderen zware gewichten (steenen) zijn gehangen. De

gevlochten mandjes verwringen zich, door het gewicht, in de lengte

en persen alzoo het sap van zelf uit, dat opgevangen wordt.

Het vocht, dat er geelachtig wit uitziet wordt dan, als men er een

voldoende hoeveelheid van heeft, zoo lang gekookt, tot het eindelijk

erg donker gekleurd en dik strooperig is. Van een mandje van ±1

d.M. doorsnede en 5 d.M. lengte verkrijgt men ten hoogste één kopje

vol gekookt vocht, dat men "casseripo" noemt.

Het is zoetig van smaak, dient tot conserveeren van vleesch, visch

en gevogelte (in West-Indië) en moet in smaak de soja overtreffen.

Men koopt in Suriname gewoonlijk de casseripo van de negers, tegen

f 0.50 à f 0.75 per vierkante flesch.

Door het koken verdwijnen al de zéér giftige bestanddeelen van de

bittere cassave. Het is noodzakelijk het cassavevocht te koken tot

het zoo dik wordt als stroop.

Bij ons, in Indië is deze plant bekend als ketella-pohon (of in 't

Javaansch Obi-Dandel, naar den Gouverneur-Generaal Daendels, die ze,

onder meer nutte en onnutte zaken, op Java heeft ingevoerd).

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 560 / 1109 题