Visch, 1/2 geraspte en bruin gebraden klapper, 3 volle eetlepels
fijngesneden uien, 1 lepel ketoembar, 1/2 lepel djienten, 1 lepel
fijngesneden seréh, 1/4 theelepel peper, 5 schijfjes laos, 3 sioongs
bawang-poetih, 1 volle eetlepel fijngesneden prij, 1 eetlepel
fijngesneden pieterselie, 1 theelepel witte suiker, 2 eierdooiers,
het wit er van geklopt, meel, broodkruim of gestampte beschuit,
2 kopjes dikke santen.
Bereiding:
De visch wordt schoongemaakt, van de graten ontdaan en daarna het
vleesch er van rauw fijn gehakt. De kruiden (ook geraspte klapper)
worden, met uitzondering van prij en pieterselie, bij elkander
fijngestampt. Drie kwart gedeelte hiervan doet men, met de prij
en pieterselie (goed vermengd) èn de twee eierdooiers, door de
visch. Vervolgens maakt men hier balletjes van, die eerst in het
geslagen eiwit, daarna in het meel of de broodkruim gewenteld,
vervolgens aan pinnen gestoken en eindelijk boven een zacht vuur
geroosterd worden. De overgeschoten kruiden worden met de santen
aangelengd en de balletjes worden hiermede bestreken.
Men kan deze balletjes ook in kokend heete boter of olie bruin braden
en er allengs de gekruide santen bij doen.