4 haringen, 10 groote lomboks, 10 fijngesneden uitjes, 6 sioongs
fijngesneden bawang-poetih, 2 lepels fijngesneden temoekoentji,
asem-water, klapperolie, pisang-bladeren.
Bereiding:
De haringen worden goed schoongemaakt en al het vleesch van de graat
afgenomen en in kleine stukjes gescheurd. Daarna snijdt men de lomboks
zeer fijn en vermengt die met de verdere fijngesneden specerijen en
met de stukjes haring; doet hier een paar lepels asem-water door en
maakt er pakjes van, in pisang-bladeren gewikkeld.
Deze pakjes worden dan op een matig arengvuur gepoft of geroosterd,
dan wel in klapperolie gaar gebraden.
Bij het roosteren zorge men, dat de pakjes om-en-om worden gekeerd,
opdat zij overal even goed gaar worden.