319. TONG, (GEZOUTEN EN GEROOKTE).

Een rundertong, een goede hand vol zout, 1 theelepel salpeter,

salicylzuur, zooveel als op het puntje van een mes gaat, pekelwater.

Bereiding:

De tong mag vooral niet met water in aanraking komen. Men wrijft haar

met de opgegeven hoeveelheden zout, salpeter en salicyl goed in, zoodat

men overtuigd is, dat de tong er goed mede doortrokken is. Doe haar

daarna in een keulschen pot, met een zwaar gewicht (steen) er op. Den

volgenden dag neemt men de tong uit den pot en ontdoet haar van alle

bloederige en slijmerige bestanddeelen; de tong wordt droog afgewreven.

Nu kookt men drie diepe borden water met één diep bord zout, tot pekel,

die men koud laat worden. Doe de tong in den schoongemaakten pot, leg

den steen er op en giet hier overheen de pekel, tot deze boven de tong

is. Laat dit een vollen dag zoo staan. Vervolgens giet men al de pekel

af, kookt deze weêr op, schuimt ze af en giet haar weder, koud, op de

tong. Het gewicht (de steen) blijft steeds op de tong. Laat dit aldus

zes dagen staan en ziet men nu en dan of er geen schimmel op komt.

Na dezen tijd kan men de gezouten tong gebruiken, die, als ze gekookt

wordt, in drie uren gaar is. Deze gezouten tong kan gerookt worden,

door haar in den rook te hangen van djati-hout, van ampas-teboe.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 343 / 1109 题